Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3926

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
26-06-2018
Zaaknummer
10/810457-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

jeugdzaak, art. 312

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/810457-17

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2000 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. M.M. Koers, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 mei 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van de geweldshandelingen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met algemene en bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende dat de verdachte zich zal houden aan een meldplicht en naar school zal blijven gaan en een contactverbod met de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] en de aangever [naam slachtoffer] ;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal van een telefoon zonder de ten laste gelegde geweldshandelingen.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, voor wat betreft de weggenomen Gucci-pet, Gucci-tas en het horloge, alsook ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen en de gebruikte geweldshandelingen. De verdediging heeft betoogd dat voor deze onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende bewijs voorhanden is om ten aanzien van de verdachte tot een bewezenverklaring daarvan te komen. De Gucci-pet die bij de verdachte in de woning is aangetroffen, is zijn eigendom. De verdachte kan dit weliswaar niet aantonen, maar wijst in dit verband op de omstandigheid dat de pet die bij hem aangetroffen is maat XL heeft en deze om die reden te groot zou zijn voor het hoofd van de aangever. Daarnaast geeft de verdediging aan dat – uit eigen onderzoek – naar voren is gekomen dat de serienummers op dergelijke petten niet uniek zijn, zodat de verklaring van de verdachte daarover niet onaannemelijk is. Verder is de pet van de aangever weggenomen door een medeverdachte en zou de persoon die de telefoon heeft weggenomen, waarvan de politie aangeeft dat het verdachte zou zijn, pas in beeld zijn gekomen nadat de pet al was weggenomen. Van medeplegen is daarom geen sprake. Ten aanzien van de weggenomen telefoon refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.3.

Beoordeling

De aangever heeft verklaard dat hij is benaderd door een aantal jongens uit een groep. Uiteindelijk heeft hij het over zes daders. Ook volgens medeverdachte [naam medeverdachte 2] waren zij met een groep van vijf of zes jongens, toen zij de aangever zagen lopen. De medeverdachte [naam medeverdachte 2] wilde het petje van de aangever hebben en deed een poging de aangever van zijn pet te beroven. Toen dat niet lukte en de aangever wegrende, is een derde medeverdachte achter de aangever aangerend. Deze medeverdachte heeft hem zijn pet ontnomen. Daarbij heeft hij de aangever een trap gegeven. Medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft deze pet gekregen. De verdachte nam vervolgens de telefoon van de aangever weg. Een en ander heeft zich afgespeeld terwijl de groep waarvan klaarblijkelijk ook de verdachte deel uitmaakte, met de aangever is meegelopen. Voor de verdachte moet duidelijk geweest zijn dat de diefstal van de pet voor de aangever in verband stond met de diefstal die de medeverdachte [naam medeverdachte 2] eerst zelf had gepoogd te begaan en met de trap die de aangever van een medeverdachte kreeg. Ook moet duidelijk zijn geweest dat de daarop volgende beroving van de telefoon ook werd voorafgegaan door het geweld dat vanuit de groep richting de aangever werd gebruikt. Er was voorts onmiskenbaar sprake van een getalsmatig overwicht. Pas nadat hij de telefoon aan de aangever had ontnomen, heeft de verdachte de groep verlaten. Beide handelingen, zowel het stelen van de pet als van de telefoon, zijn dus vergezeld of voorafgegaan door een geweldshandeling, te weten het trappen tegen het been van de aangever, welk geweld door de verdachte moet zijn waargenomen. Maar ook het getalsmatig overwicht en de eerste (poging tot) beroving door verdachte [naam medeverdachte 2] dragen bij aan de bewezenverklaring van de nauwe en bewuste samenwerking, die voor in vereniging plegen noodzakelijk is.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is het ten laste gelegde.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 11 juni 2017 te Schiedam op de openbare weg, het [plaats delict 1] en/of het [plaats delict 2] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pet (merk Gucci) en een mobiele telefoon (merk/type Samsung/Galaxy S7 edge), toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het:

- (met kracht) trappen tegen het been van die [naam slachtoffer] ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof, waarbij een minderjarige jongen slachtoffer was. De verdachte en de medeverdachten hebben geweld gebruikt jegens aangever en gebruik gemaakt van hun getalsmatige overwicht. De verdachte nam vervolgens de telefoon van de aangever weg.

Met hun handelen hebben de verdachte en de medeverdachten op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en het gevoel van veiligheid van de aangever. Dergelijke straatroven zijn echter niet alleen beangstigend voor slachtoffers; ook bij andere burgers brengt zo’n incident gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, zeker wanneer berovingen worden gepleegd op de openbare weg. De verdachte heeft zich hiervan kennelijk geen rekenschap gegeven.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Verdachte was ten tijde van het gepleegde feit 16 jaar.

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 april 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De Raad adviseert aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke werkstraf op leggen, met algemene en bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende dat de verdachte onderwijs zal volgen en zich zal houden aan een meldplicht, waarbij aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) opdracht dient te worden gegeven toezicht te houden op naleving van de bijzondere voorwaarden.

De Raad komt tot dit advies, onder meer omdat het lijkt dat sprake is van een incident en geen structureel delinquent gedrag. Wel merkt de Raad op dat er zorgen zijn over het gedrag van de verdachte, het gebrek aan (zelf)inzicht, beïnvloedbaarheid en het beperkt kunnen inschatten wat de consequenties kunnen zijn van meeloopgedrag. Anderzijds zijn de ouders van de verdachte betrokken en vormen zij een stevige basis waarop hij kan terugvallen. De ouders hebben echter niet altijd zicht en grip op wat op straat en op school gebeurt, zodat voortzetting van de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht.

De JBRR heeft ter zitting toegelicht dat de houding van de verdachte ter terechtzitting een ander beeld schetst van hoe de reclassering hem de afgelopen periode heeft ervaren. De jeugdreclassering geeft aan dat de verdachte zeer volwassenen gedrag vertoont, zich keurig houdt aan de afspraken en goed samenwerkt met de jeugdreclassering. Indien de verdachte wordt veroordeeld, acht de reclassering voortzetting van de begeleiding noodzakelijk, zodat de verdachte ondersteuning kan krijgen bij zijn schoolgang en hem kan leren juiste beslissingen te nemen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

7.4.1.

Straffen

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen. Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen werkstraf, heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal daarnaast in positieve zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld is. Verder heeft de verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en medewerking verleend aan de begeleiding door de jeugdreclassering.

Nu uit de adviezen de noodzakelijkheid van begeleiding en bijzondere voorwaarden naar voren komt, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7.4.2.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te Schiedam, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.148,-- aan materiële schade en een bedrag van € 226,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van

€ 150,--, zijnde de gevorderde kosten voor de aanschaf van een ander telefoonabonnement, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu de vordering niet is onderbouwd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging betoogt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu de vordering niet is onderbouwd en de weggenomen telefoon in beslag is genomen en vermoedelijk aan de benadeelde partij is geretourneerd.

8.3.

Beoordeling

Naar de rechtbank begrijpt, betreft het gevorderde schadebedrag in zijn geheel materiële schade, nu de schadeposten genoemd onder ‘immateriële schade’ eveneens als materiële schade te kwalificeren zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het bewezenverklaarde feit ziet enkel op de diefstal van de Gucci-pet en de telefoon. De verdachte wordt niet veroordeeld voor de bij de benadeelde partij weggenomen Gucci-tas en het Casio horloge. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de Gucci-tas en het Casio horloge in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu ten aanzien van die gevorderde schade niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

Voorts constateert de rechtbank dat de vordering ten aanzien van de overig gevorderde schade, ter zake de Gucci-pet, de telefoon en de vervangende abonnementskosten, in het geheel niet met aanschaf- of vervangingsnota’s is onderbouwd. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de benadeelde partij de gevorderde schade daadwerkelijk heeft geleden.

In dit stadium van het geding de zaak aanhouden, teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen nadere onderbouwing aan te reiken van de vordering, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, te meer daar de rechtbank alsdan in deze samenstelling geen uitspraak meer kan doen in deze zaak, gelet op de ook aanhangige zaak tegen een medeverdachte. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot 30 (dertig) uur, subsidiair 15 (vijftien) dagen vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 26 (zesentwintig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 13 (dertien) dagen;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] 2001 te [geboorteplaats medeverdachte 1] ), [naam medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 2] 2000 te [geboorteplaats medeverdachte 2] ) en de aangever [naam slachtoffer] (geboren op [geboortdatum slachtoffer] 2001 te [geboorteplaats slachtoffer] ), zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.N. Melkert, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M. van Kuilenburg en S. Woudman-Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 mei 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 11 juni 2017 te Schiedam

op/aan de openbare weg, het [plaats delict 1] en/of het [plaats delict 2] , in elk geval

op/aan een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pet

(merk Gucci) en/of een mobiele telefoon (merk/type Samsung/Galaxy S7 edge)

en/of een tas (merk Gucci) en/of een horloge (merk Casio), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- tonen/voorhouden en/of richten van een pistool, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, aan/op die [naam slachtoffer] , en/of

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer] toevoegen van de woorden "Wil je dat ik shoot?",

alhans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- ( met kracht) schoppen/trappen op/tegen het been van die [naam slachtoffer] , en/of

- die [naam slachtoffer] op/tegen de grond duwen, en/of

- ( vervolgens) plaatsen/houden van een pistool, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] , en/of

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer] toevoegen van de woorden "Geef je tasje of wil je

dat ik schiet?" en/of "Ik wil die horloge" en/of "Je blijft hier tien minuten

zitten en als je aangifte gaat doen schiet ik je door je hoofd, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking";

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht