Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3881

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
10/750148-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel.

De verdachte wordt veroordeeld voor betrokkenheid bij mensensmokkel waarbij hij uit winstbejag heeft gehandeld.

Het zonder toestemming van de verdachte uitlezen van diens iPhone wordt weliswaar aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv, maar hieraan hoeven in dit geval geen gevolgen te worden verbonden.

Afwijzing van het (herhaalde) verzoek een niet-verschenen getuige op te roepen. Voor het nemen van compenserende maatregelen bestaat geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750148-16

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R. van 't Land, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 september 2017, 17 april 2018,

18 april 2018 en 8 mei 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 27 september 2017 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 4 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;

  • -

    verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen telefoon en computer.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Vrijspraak

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de chauffeur van het transport van 3 maart 2016, toen hij bij de doorlaatpost in Hoek van Holland werd gecontroleerd waarbij in de laadruimte van zijn vrachtauto 17 illegale Afghaanse vreemdelingen werden aangetroffen, een vrachtbrief bij zich had waarin het adres [naam adres] te Roosendaal is vermeld. Dit betreft een voormalig vestigingsadres van het autobedrijf van de verdachte.

Het adres [naam adres] is aangetroffen in het navigatiesysteem van de chauffeur van de vrachtwagen.

Daarnaast zijn in de telefoon van de verdachte foto’s aangetroffen van twee vreemdelingen die een tulband droegen. In een gezichtsvergelijkend onderzoek zijn deze foto’s vergeleken met foto’s van twee Afghaanse Sikhs die zich in de vrachtauto bevonden tijdens het genoemde transport van 3 maart 2016. Er werden zodanige overeenkomsten van gelaatskenmerken aangetroffen dat aangenomen moet worden dat de foto’s uit de telefoon van de verdachte, foto’s betreffen van twee op 3 maart 2016 gesmokkelde Afghaanse mannen.

Deze feiten en omstandigheden wijzen volgens de officier van justitie op betrokkenheid van de verdachte bij de smokkel van 17 Afghanen op 3 maart 2016. Hier komt bij dat het OVC-gesprek tussen hem en een medeverdachte onmiskenbaar gaat over mensensmokkel. De verdachte heeft in dat gesprek gezegd dat zijn chauffeur “het heeft verneukt”. Uit niets blijkt dat de verdachte vond dat hij onschuldig of deels onschuldig vastzat.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten die als wettig en overtuigend bewijs kunnen dienen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de mensensmokkel op 3 maart 2016.

De omstandigheid dat bij die smokkel een voormalig bedrijfsadres van de verdachte is gebruikt op de vrachtbrief en – wellicht – als laadadres, is op zichzelf niet voldoende om de verdachte in verband te brengen met dit transport. Het feit dat foto’s van twee gesmokkelde Afghanen in de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen kan niet bijdragen tot het bewijs van dit feit, omdat de screenshots dateren van 14 maart 2016, derhalve van ná het genoemde transport.

De uitlatingen van de verdachte in het OVC-gesprek, opgenomen op 7 juli 2016 tussen de verdachte en een medeverdachte kunnen tenslotte niet rechtstreeks en duidelijk in verband worden gebracht met de mensensmokkel van 3 maart 2016 nu de verdachte ook terecht staat voor betrokkenheid bij het smokkelincident van 20 februari 2016 en er in het gesprek niet over meerdere incidenten wordt gesproken.

Conclusie

Het onder 4, primair en subsidiair, ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, negen Afghanen behulpzaam is geweest bij de doorreis door Nederland, bij het zich verschaffen van toegang tot Groot-Brittannië en bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en Groot-Brittannië en dat zij daarbij handelden uit winstbejag.

De verdachte is de persoon geweest die de smokkel van negen Afghaanse personen heeft voorbereid, geregeld en begeleid. Hij heeft een ander laten optreden als chauffeur maar heeft zelf met zijn handelen een minstens zo belangrijke rol gespeeld.

Redengevend daartoe is dat is gebleken dat de Nissan bakwagen die bij het smokkelincident is gebruikt, op 17 februari 2016 was gehuurd bij Autobedrijf [naam autobedrijf] in Roosendaal, het bedrijf van de verdachte. De auto bleek ook op naam te zijn gesteld van de verdachte. Zijn verdere betrokkenheid bij het smokkeltransport blijkt volgens de officier van justitie uit het feit dat op de telefoon en in de computer van de verdachte informatie is aangetroffen die betrekking heeft op de factuur van de lading kistjes die in de bakwagen waren geladen en op mensensmokkel naar Groot-Brittannië in het algemeen. Daarnaast heeft de chauffeur belastende verklaringen afgelegd over de verdachte. Zo heeft hij onder meer verklaard dat de verdachte samen met een medeverdachte in de personenauto van de verdachte is meegereden naar Hoek van Holland om het transport te begeleiden.

4.3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

De verdachte ontkent strafbare betrokkenheid bij het smokkelincident op 20 februari 2016 (feit 1). Hij heeft te goeder trouw zijn Nissan Bakwagen uitgeleend aan Roemeense mannen. Hij heeft niet geweten waarvoor die auto gebruikt zou gaan worden. Voor zover bepaalde bevindingen in het dossier duiden op een verdergaande en strafbare betrokkenheid van de verdachte, heeft de verdachte alternatieve verklaringen gegeven die hem vrij pleiten.

Weliswaar heeft de chauffeur van het transport belastend verklaard over de verdachte, maar zijn verklaringen zijn dermate wisselend en ongeloofwaardig, waarbij hij mogelijk – al dan niet uit angst – andere mensen uit de wind wil houden, dat hieraan geen waarde kan worden gehecht.

Gegevens uit de telefoon van de verdachte dienen voor het bewijs te worden uitgesloten nu het onderzoek aan de iPhone van de verdachte onrechtmatig is geschied.

De verdediging heeft bij pleidooi gepersisteerd bij het horen van de getuige [naam getuige 1] .

Indien de rechtbank blijft bij haar eerder gegeven oordeel hierover, dan zouden er op zijn minst compenserende maatregelen moeten worden getroffen om het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM te kunnen blijven garanderen.

Ook van het voorhanden hebben van een omgebouwd gasalarmpistool en munitie op 7 juni 2016 (feiten 2 en 3) dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het opzet of de intentie had het gevonden wapen en de munitie voorhanden te hebben.

4.3.3.

Beoordeling

4.3.3.1. Is er sprake van een vormverzuim?

De rechtbank beoordeelt eerst of er fouten zijn gemaakt in het vooronderzoek. Is dat het geval, dan is de vraag of de fouten een vormverzuim opleveren dat niet meer kan worden hersteld. Als de rechtbank vindt dat er sprake is geweest van zo een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dan is het vervolgens de vraag of dat tot enige consequentie moet leiden.

Uit het dossier is gebleken dat de iPhone van de verdachte is uitgelezen zonder diens toestemming. De verdachte had in het bijzijn van zijn advocaat en de verbalisant zijn telefoon ontgrendeld om een aantal telefoonnummers in zijn telefoon op te kunnen zoeken. De verbalisant had de telefoon, die al in beslag was genomen, van hem teruggepakt nog voordat de vergrendeling weer actief was. De telefoon is vervolgens overhandigd aan de digitale recherche die de telefoon heeft uitgelezen.

Dit onderzoek is verricht zonder voorafgaande toestemming van de officier van justitie of de rechter-commissaris.

Bij het onderzoek door de digitale recherche zijn alle data van de mobiele telefoon opgeslagen en uit de verschillende processen-verbaal is gebleken dat onderzoek is verricht aan Whatsapp-verkeer, foto’s en contacten. Hoewel niet door de verdediging is geconcretiseerd welke gegevens zich in de iPhone van de verdachte bevonden die maken dat met het uitlezen daarvan op voormelde wijze een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte, zal de rechtbank hier wel van uit gaan. Uitgangspunt is derhalve dat door het verrichte onderzoek sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Het ontbreken van voorafgaande toestemming van de officier van justitie of de rechter-commissaris moet daarom worden beschouwd als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Dat betekent dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het recht van de verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en dus van een schending van artikel 8 EVRM.

Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden volstaan met de constatering van het vormverzuim. De rechtbank heeft daarbij enerzijds erkend dat het belang dat het geschonden voorschrift dient – de bescherming van de persoonlijke levenssfeer – een grondrecht betreft. Maar anderzijds heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het belang van de verdachte dat het door hem gepleegde strafbare feit niet wordt ontdekt geen rechtens te respecteren belang vormt, terwijl de verdediging het nadeel dat de verdachte overigens heeft ondervonden niet heeft geconcretiseerd. Er is slechts aangevoerd dat het voor de verdachte, geconfronteerd met de in de iPhone aangetroffen en voor de onderhavige zaak relevante gegevens, moeilijk was zich te verweren tegen de negatieve beeldvorming die daaruit was ontstaan. Maar in de omstandigheid dat de verdachte is geconfronteerd met aldus verkregen belastend materiaal ziet de rechtbank op zichzelf geen aanleiding voor de toepassing van enig rechtsgevolg, zoals bewijsuitsluiting wat de verdediging voorstaat. Het is immers een recht van de verdachte om op te komen tegen (belastend) bewijsmateriaal.

Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op het moment van het onderzoek aan de iPhone van de verdachte het zogeheten ‘Smartphone-arrest’ (ECLI:NL:HR:2017:588) nog niet was gewezen. Pas met dat arrest van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat een verstrekkend onderzoek aan een gegevensdrager zoals een smartphone, onrechtmatig kan zijn indien daarbij een min of meer compleet beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker en vooraf geen toestemming van de officier van justitie of de rechter-commissaris is gegeven. De verwijtbaarheid van de handelwijze van de ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee is daardoor gering. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is er naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen sprake geweest van misleiding van de verdachte.

Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat het aannemelijk is dat de officier van justitie in de gegeven omstandigheden en gelet op de ernst van de verdenking ter zake van betrokkenheid bij een mensensmokkelorganisatie met verschillende transporten waarbij een groot aantal vreemdelingen was betrokken, toestemming zou hebben gegeven voor het uitlezen van de iPhone van de verdachte indien dat haar zou zijn verzocht. De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting ook in die zin uitgelaten.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat zich geen geval voordoet waarin de toepassing van bewijsuitsluiting in aanmerking komt. Het verweer wordt daarom verworpen. De aangetroffen schermafbeeldingen kunnen voor het bewijs worden gebruikt.

4.3.3.2. De getuige [naam getuige 1]

Ter terechtzitting van 1 december 2016 heeft de rechtbank het verzoek om [naam getuige 1] als getuige te horen toegewezen. De getuige is woonachtig in Groot-Brittannië.

Uit het proces-verbaal bevindingen van de rechter-commissaris van 8 september 2017 is gebleken dat de getuige ten overstaan van de Engelse autoriteiten heeft verklaard dat hij geen relevante informatie heeft aangaande deze strafzaak en dat hij niet bereid is een verklaring als getuige af te leggen. De Engelse autoriteiten hebben daarbij meegedeeld niets meer te kunnen doen.

Ter terechtzitting van 27 september 2017 heeft de verdediging verzocht nog een poging te ondernemen om deze getuige te horen omdat volgens een bericht van de liaison officer (LO) in Roemenië de getuige weer in Roemenië verblijft. Aldaar zijn getuigen verplicht te verschijnen.

Gelet op deze nieuwe informatie over zijn verblijfplaats heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en de zaak opnieuw voor onder meer het horen van deze getuige naar de rechter-commissaris verwezen.

Kort hierna bleek dat de LO zich had vergist. Niet de getuige [naam getuige 1] verbleef weer in Roemenië, maar zijn vader, de eveneens als getuige toegewezen [naam getuige 2] .

Deze getuige werd alsnog gehoord middels een videoverbinding en verklaarde dat zijn zoon in Londen woonachtig is. Hij zou de Roemeense rechter die bij het videoverhoor aanwezig was, de adresgegevens van zijn zoon toesturen.

Een drietal keer is navraag gedaan bij de LO of de getuige deze gegevens aan de Roemeense rechter had verstrekt. Uiteindelijk is meegedeeld dat dit niet het geval is en dat bij gebreke aan een telefoonnummer van de getuige [naam getuige 2] ook niet kon worden gerappelleerd.

Ter terechtzitting van 17 april 2018 herhaalde de verdediging het verzoek om [naam getuige 1] als getuige te horen. Het betrof een eerder in het belang van de verdediging toegewezen getuige en de Roemeense rechter had actiever achter de adresgegevens van [naam getuige 1] moeten aangaan.

De rechtbank heeft ter terechtzitting besloten van de oproeping van de niet verschenen getuige af te zien omdat zij van oordeel is dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Ter terechtzitting was immers gebleken dat de informatie die eerder tot de hernieuwde verwijzing naar de rechter-commissaris had geleid, onjuist was en dat de getuige zich nog immer in Groot-Brittannië bevond waar hij eerder had meegedeeld niet bereid te zijn een verklaring af te leggen. Niet valt in te zien welke van [naam getuige 2] te verkrijgen adresinformatie hierin verandering kan brengen.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld bij pleidooi opnieuw een verzoek te doen tot het horen van [naam getuige 1] , wordt het verzoek afgewezen. Er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd die tot een heroverweging van de ter terechtzitting genomen beslissing nopen.

Aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de getuige te ondervragen hoeven geen gevolgen te worden verbonden teneinde de verdachte een eerlijk proces te garanderen als bedoeld in artikel 6 EVRM. Voor het nemen van compenserende maatregelen bestaat geen aanleiding. [naam getuige 1] heeft niet belastend over de verdachte verklaard en er is geen aanwijzing dat hij ontlastend over de verdachte zal verklaren gelet op zijn mededelingen ten overstaan van de Engelse autoriteiten dat hij geen relevante informatie heeft.

4.3.3.3 Het smokkelincident op 20 februari 2016 (feit 1)

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 20 februari 2016, omstreeks 13:00 uur kreeg een medewerker van de Koninklijke Marechaussee, die in Hoek van Holland bezig was met de uitreiscontrole van vrachtwagens die aan boord gaan van de Stena Line ferry naar Harwich te Groot-Brittannië, de melding dat zich een persoon bij het vrachtkantoor had gemeld die de overtocht per ferry naar Harwich met contant geld betaald heeft. Het ging om een bestelauto voorzien van het Nederlandse kenteken [kentekennummer] . Tijdens de daarop volgende vrachtcontrole van een witte Nissan Atleon, voorzien van het voornoemde kenteken, werd waargenomen dat de lading bestond uit lege aardappelkisten en dat deze tot aan het plafond waren opgestapeld. Achter de lading werden negen vreemdelingen aangetroffen met de Afghaanse nationaliteit. De aardappelkisten bleken zodanig te zijn geladen dat de vreemdelingen hulp gehad moeten hebben om zich daartussen te verstoppen.

De Roemeense chauffeur is na zijn aanhouding meerdere malen gehoord en heeft daarbij wisselend en inconsistent verklaard over zijn reis van Roemenië naar Nederland en zijn reisbewegingen in de dagen voorafgaande aan zijn aanhouding. Eerst in zijn vierde en vijfde verhoor heeft hij verklaringen afgelegd die op onderdelen worden ondersteund door objectieve gegevens en bewijsmiddelen. De rechtbank acht deze verklaringen van de chauffeur om die reden op die onderdelen geloofwaardig en zal deze voor het bewijs gebruiken. Daar waar de chauffeur in dezelfde verklaringen heeft verklaard over zijn eigen aandeel acht de rechtbank dit niet geloofwaardig omdat hij op dit punt wisselend en inconsistent heeft verklaard en de objectieve ondersteuning voor zijn verklaring over zijn eigen aandeel ontbreekt.

De chauffeur heeft verklaard dat hij op 15 februari 2016 vanuit Roemenië is vertrokken met een lading eieren, in gezelschap van een Roemeen die hij voordien niet kende. Op

16 februari 2016 zijn zij in de avond aangekomen in Nederland en hebben verbleven in een hotel in Roosendaal, waar een tweede Roemeen verbleef. In de ochtend van 17 februari 2016 is de chauffeur met de Roemenen bij een garagebedrijf geweest. Daar hebben de Roemenen gesproken met de eigenaar, de verdachte. Op 18 februari 2016 is de chauffeur nogmaals bij het autobedrijf geweest.

Volgens zijn verklaring is hij op 18 februari 2016 naar Groot-Brittannië gereisd om de eieren af te leveren. Hij kan niet vertellen bij welk adres hij deze heeft afgeleverd. Bij het afleveren van de eieren werd hem verzocht om aansluitend nog een rit te doen van Nederland naar Engeland, met een andere vrachtwagen. De chauffeur heeft verklaard dat hij dit aanvankelijk heeft geweigerd omdat hij voelde dat er iets niet klopte.

Desondanks is hij op 19 februari 2016, in de avond teruggekeerd naar het hotel in Roosendaal waar hij daags daarvoor ook had verbleven.

De chauffeur heeft verklaard dat hij ’s ochtends vanaf de parkeerplaats van het hotel is opgehaald door een man met een baard in een grijze Mercedes. Deze heeft hem naar het autobedrijf gebracht. De chauffeur heeft de man met de Mercedes later aan de hand van een foto aangewezen als de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [naam medeverdachte 1] ten tijde van het ten laste gelegde de eigenaar was van een grijze Mercedes.

Bij het autobedrijf aangekomen heeft de verdachte de papieren geregeld. Tegen de chauffeur is gezegd dat de lading bestond uit kisten met appels. De vrachtwagen was al geladen toen de chauffeur aankwam bij het autobedrijf. Hij heeft niet in de laadruimte gekeken maar hij zag wel dat de vrachtwagen zwaar beladen was. De chauffeur heeft verklaard dat hij vlak voor vertrek woorden heeft gekregen met één van de Roemenen uit het hotel (die naar het autobedrijf waren gekomen) omdat hij het een vreemde gang van zaken vond.

De chauffeur heeft verklaard dat de eigenaar van het autobedrijf – die hij later aan de hand van een foto heeft aangewezen als de verdachte – samen met de man van de Mercedes voor hem uit is gereden naar Hoek van Holland in de Volkswagen Passat van de garage-eigenaar. Toen de chauffeur dreigde fout te rijden hebben zij hem met handgebaren de juiste weg naar het terrein van de Stena Line gewezen en zij hebben daarna hun auto geparkeerd langs het spoor. De verklaring van de chauffeur vindt ondersteuning in een proces-verbaal van een medewerker van de Koninklijke Marechaussee die heeft gerelateerd dat er twee mannen met een niet-Nederlands uiterlijk, op de dijk met opvallende belangstelling naar de controleplaats stonden te kijken, tijdens de controle en aanhouding.

Ook de zendmastgegevens met betrekking tot het telefoonnummer dat is afgegeven op naam van de verdachte en met betrekking tot het telefoonnummer van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , ondersteunen die verklaring van de chauffeur op dit punt. Hieruit volgt dat de telefoons van de verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1] , in het tijdvak tussen 10:44 uur en 14:52 uur, rond dezelfde tijdstippen aanstralen op dezelfde mastlocaties op de route tussen Roosendaal en Hoek van Holland v.v. en dat de beide telefoons rond het tijdstip van de aanhouding van de chauffeur aanstralen op een zendmast in Hoek van Holland.

Uit een analyse van de onder de chauffeur in beslaggenomen huurovereenkomst voor de vrachtwagen en de vrachtbrief volgt dat de huurovereenkomst is afgegeven door het autobedrijf [naam autobedrijf] , gevestigd aan het [vestigingsadres autobedrijf] te Roosendaal. De vrachtbrief betreft een valse factuur van Kistenfabriek [naam kistenfabriek] te Zaandam. Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat op de computer van de verdachte die bij Autobedrijf [naam autobedrijf] in beslag is genomen, in de periode van 11 februari 2016 tot en met 20 februari 2016 – naast de zoektermen ‘hoe gaan asielzoekers naar Groot-Brittannië’ en ‘ferryovertocht Hoek van Holland-Harwich’ – onder meer is gezocht op de termen ‘inkoopfactuur maken fruitkisten’ en ‘Kistenfabriek [naam kistenfabriek] ’.

Voorts is op de iPhone van de verdachte een schermafbeelding aangetroffen waarop de naam staat van een bedrijf genaamd [naam bedrijf] met het adres [adres bedrijf] , [vestigingsplaats bedrijf] .

Dit adres is exact hetzelfde adres als het adres op de valse factuur van de kistenfabriek [naam kistenfabriek]

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het door de verdachte aangevoerde scenario dat hij slechts een bakwagen heeft verhuurd en er niet van op de hoogte was dat daarmee negen Afghanen naar Groot-Brittannië zouden worden vervoerd, niet aannemelijk geworden.

De verdachte heeft, geconfronteerd met bovenstaande onderzoeksbevindingen die wijzen op een significante bijdrage aan het smokkelincident, zeer wisselend en niet geloofwaardig verklaard. Ten aanzien van zijn aanwezigheid in Hoek van Holland heeft hij tegenstrijdige verklaringen afgelegd die bovendien steeds werden aangepast aan de hand van confrontaties met de onderzoeksbevindingen. Voor het uitgaande telefonisch contact om 12:11 uur met de vriendin van de verdachte kon evenmin een plausibele verklaring worden gegeven.

Ook ten aanzien van de zoekslagen op zijn computer en de screenshots op zijn telefoon heeft de verdachte niet consistent en geloofwaardig verklaard. Zijn uiteindelijke verklaring dat de Roemenen zijn computer, printer en telefoon hebben gebruikt om informatie op te zoeken en een valse factuur op te stellen en te printen wordt alleen al vanwege het feit dat de Roemenen het Nederlands niet beheersten, niet aannemelijk geacht. Daarbij is er in de telefoon van de verdachte geen communicatie in de Roemeense taal is aangetroffen. De bewering van de verdachte dat ‘anderen’ zijn computer gebruikten wordt bovendien tegengesproken door de getuige [naam getuige 3] .

Tot slot blijkt de betrokkenheid van de verdachte bij mensensmokkel ook uit de uitlatingen van de verdachte tegen medeverdachte [naam medeverdachte 2] , tijdens het vervoer op 7 juli 2016 in het kader van de toetsing van de voorlopige hechtenis. Uit de opname van het OVC-gesprek blijkt dat de beide verdachten spraken over de zaak waarvoor zij vast zaten. De verdachte [naam medeverdachte 2] wilde weten wat de verdachte over hem had gezegd. De verdachte antwoordde dat hij niets over hem had verklaard en dat zijn chauffeur ‘het heeft verneukt’. Zij spraken af niet over elkaar te zullen verklaren. De inhoud van dit gesprek is niet te rijmen met het door de verdachte geschetste scenario dat hij nietsvermoedend van mensensmokkelactiviteiten slechts een bakwagen heeft verhuurd.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, waaronder de medeverdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] het transport van negen Afghanen heeft georganiseerd en uitgevoerd. De verdachte heeft daarvoor zijn Nissan Atleon bakwagen ter beschikking gesteld, contacten onderhouden met de chauffeur, valse papieren verstrekt ten aanzien van de deklading en hij heeft het transport vanuit Roosendaal begeleid tot Hoek van Holland. Zijn intellectuele en materiële bijdrage aan het delict is daarmee van voldoende gewicht geweest waardoor ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld.

Van winstbejag is sprake indien het handelen van de dader is ingegeven door een gerichtheid op verrijking, waarbij het niet noodzakelijk hoeft te gaan om een op geld waardeerbaar voordeel en evenmin bepalend is of het beoogde voordeel daadwerkelijk is behaald. Voldoende is dat de dader op de verrijking uit is geweest. De term winstbejag strekt ertoe om handelen met zuiver ideële motieven uit de werkingssfeer van artikel 197a, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht te houden. Een van de vreemdelingen uit de vrachtwagen heeft verklaard dat hij 20.000 dollar heeft betaald voor zijn gezin om naar Engeland te kunnen. Nu van ideële motieven aan de zijde van de verdachte in ieder geval niet is gebleken acht de rechtbank bewezen dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.3.3.4 Het aangetroffen wapen en de munitie (feiten 2 en 3)

Bij een doorzoeking op 7 juli 2016 in het garagebedrijf van de verdachte werd in een opbergvak van het rechter voorportier van een aldaar aanwezige Audi A4 een vuurwapen aangetroffen met een los magazijn, zes hulzen en twee patronen. Deze auto stond sinds 24 maart 2016 op naam van de verdachte en betrof een zogeheten schadeauto.

Uit technisch onderzoek is gebleken dat het van origine alarmpistool geschikt was gemaakt om er projectielen mee door een loop af te schieten.

Volgens vaste rechtspraak is bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte op goede gronden kan worden verweten goederen als wapens en/of munitie voorhanden te hebben gehad, niet van belang of de verdachte eigenaar is daarvan. Wel is van belang dat de dader erover heeft kunnen beschikken en dat hij zich van de aanwezigheid daarvan in meerdere of mindere mate bewust is geweest.

De verdachte heeft over het aantreffen van het wapen en de munitie geen consistente, plausibele en verifieerbare verklaring gegeven. Zo heeft hij wisselend verklaard over het moment waarop hij het wapen zegt in zijn auto te hebben aangetroffen. Aanvankelijk heeft hij verklaard wanneer hij met de vondst ervan wordt geconfronteerd, dat hij ‘er helemaal niets over kan vertellen; hij heeft de auto zo gekocht’. Later verklaarde hij dat hij het wapen gezien heeft op het moment dat hij de auto verplaatste op maandag (de rechtbank begrijpt 6 juni 2016). Bij het duwen van de auto, die zelf niet meer kon rijden, had hij het voorportier geopend. Deze verklaring werd later weer bijgesteld: de verdachte had het wapen pas gevonden op de ochtend van zijn aanhouding op dinsdag (7 juni 2016) en had nog geen tijd gehad de politie te verwittigen. Ook over de vraag of hij het wapen had aangeraakt heeft hij verschillend verklaard. Aanvankelijk wist hij dit niet zeker en wilde hij hier geen vragen over beantwoorden, later zei hij dat hij het wapen had gepakt, in de loop had gekeken en precies weer zo had teruggelegd. Het voelde zwaar aan en daaruit had hij opgemaakt dat het een echt wapen was. Hij verklaarde echter ook dat hij niet zo’n haast had de politie te waarschuwen omdat hij dacht dat het een nepwapen was. Over de munitie verklaarde hij ter terechtzitting – anders dan tijdens verhoren bij de Koninklijke Marechaussee – dat hij geen munitie had gezien.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de uiteindelijke verklaring van de verdachte dat hij volkomen onverwacht, kort voor zijn aanhouding, werd geconfronteerd met – naar hij dacht – een nepwapen, onaannemelijk. De auto was al meer dan twee maanden eigendom van de verdachte en het wapen – zo blijkt uit de foto’s in het dossier – lag duidelijk zichtbaar in het opbergvak van het rechter voorportier. De rechtbank neemt daarom aan dat het niet anders kan dan dat de verdachte – zo het wapen en de munitie al niet van hem waren - zich al enige tijd van de aanwezigheid ervan bewust moet zijn geweest. De verdachte heeft daarmee het wapen en de munitie voorhanden gehad in de zin van het bepaalde in artikel 26 van de Wet Wapens en munitie. Het verweer wordt verworpen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 17 tot en met 20 februari 2016 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, 9 (negen), personen met de Afghaanse nationaliteit,

personen met de Afghaanse nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door, en

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf

in Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie of

die bovengenoemde personen daartoe gelegenheid en middelen

heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang

of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders,

- een vrachtwagen verhuurd, aan zijn

mededader, te weten de chauffeur, en

- bovengenoemde personen in een vrachtwagen vervoerd,

door Nederland, en

- het vervoer van die personen in die vrachtwagen gevolgd en/of in de gaten

gehouden, en

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië

en (aldus) het verblijf in en het transport en de doorreis door Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie van die bovengenoemde personen georganiseerd en

gecoördineerd en gefaciliteerd;

2.

hij op 7 juni 2016 te Roosendaal een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1

categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de

zin van artikel 1, onder 3° van die wet, namelijk een (Tanfoglio GT28 gas alarm) pistool (omgebouwd tot een daadwerkelijk vuurwapen) voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 7 juni 2016 te Roosendaal munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten

- 2 ( twee) kogelpatronen, kaliber 6.35 x 15,5mm

- 6 ( zes) hulzen, kaliber 6.35 x 15,5mm

voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

de voortgezette handeling van

mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd

en

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, en die ander daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met anderen 9 personen met de Afghaanse nationaliteit door Nederland gesmokkeld met bestemming Groot-Brittannië. De rol van de verdachte in deze smokkel is van organisatorische, coördinerende en faciliterende aard geweest. Zo heeft hij de voor de smokkel gebruikte vrachtauto via zijn garagebedrijf geleverd, zijn in zijn bedrijfspand door hem met zijn computer de nodige papieren opgesteld voor het transport naar Engeland en zijn daar ook de nodige besprekingen geweest met betrekking tot smokkel. Ook heeft hij de vrachtauto waarin de vreemdelingen verborgen zaten, begeleid naar Hoek van Holland en heeft hij op afstand gekeken of het de chauffeur van de vrachtauto lukte om langs de douane te komen.

Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit. De verdachte is als organisator en coördinator te beschouwen als een onmisbare schakel in het mensensmokkelproces. Door zijn handelen heeft de verdachte bijdragen aan het in stand houden van het illegale circuit. De verdachte heeft dit uit winstbejag gedaan om zelf financieel voordeel te behalen. Hij heeft hierbij niet stilgestaan bij het ontwrichtende karakter van mensensmokkel en de risico’s die de vreemdelingen liepen tijdens het vervoer. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Daarnaast heeft de verdachte een tot een daadwerkelijk vuurwapen omgebouwd gasalarmpistool met een aantal kogelpatronen en hulzen voorhanden gehad in een auto die stond in zijn garagebedrijf. Hiermee heeft de verdachte een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van andere personen in het leven geroepen, omdat het voorhanden hebben van een vuurwapen het gebruik van dat vuurwapen mogelijk maakt en, naar de ervaring leert, ook vaak meebrengt. Dit is de reden waarom tegen illegaal vuurwapenbezit streng dient te worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op het aantal vreemdelingen dat is gesmokkeld, de strafverzwarende elementen van medeplegen en winstbejag en op de straffen die in mensensmokkelzaken plegen te worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) die gelden voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

De verdediging heeft verzocht een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de duur van het voorarrest, achterwege te laten, aangezien de verdachte een gezin en een goed lopend bedrijf heeft en zijn leven goed op orde heeft. De rechtbank ziet hiervoor echter geen aanleiding, gelet op de aard en ernst van de feiten. De persoonlijke omstandigheden zijn niet van dien aard dat van een gevangenisstraf van na te melden duur zou moeten worden afgeweken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen computer en iPhone 6 verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

De in beslag genomen computer en iPhone 6 zullen worden verbeurd verklaard.

De bewezen verklaarde mensensmokkel is met behulp van deze voorwerpen begaan.

Tekst

9 Vordering opheffing schorsing voorlopige hechtenis

9.1.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft gevorderd bij vonnis de opheffing schorsing van het bevel voorlopige hechtenis te bevelen, indien de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf oplegt van een langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging verzet zich tegen de vordering. Zij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven, indien de verdachte wordt vrijgesproken of een andersoortige straf wordt opgelegd. Daarnaast zijn de gronden voor de voorlopige hechtenis komen te vervallen, zodat de voorlopige hechtenis ook daarom dient te worden opgeheven. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de schorsing een goed alternatief is gebleken. De verdachte heeft zich gehouden aan de voorwaarden voor deze schorsing. Er zijn geen feiten en omstandigheden op grond waarvan niet kan worden volstaan met de schorsing gedurende de procedure in hoger beroep.

9.3.

Beoordeling

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

In onderhavige zaak is de verdachte op 10 juni 2016 in bewaring gesteld, op 23 juni 2016 is een bevel gevangenhouding afgegeven dat op 21 juli 2016 is verlengd. Bij dit laatste bevel is de recidivegrond als grond voor de gevangenhouding toegevoegd. Vervolgens is de voorlopige hechtenis met ingang van 28 september 2016 door de rechtbank geschorst. Gelet op de bewezenverklaring in dit vonnis is sprake van ernstige bezwaren. Voorts is de rechtbank gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. De rechtbank verenigt zich derhalve met het onderliggende bevel gevangenhouding en zal het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

Vordering opheffing schorsing van het bevel voorlopige hechtenis

De enkele veroordeling van de verdachte volstaat niet voor het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis (ECLI:NL:GHAMS:2015:2848). De vraag die voorligt is of sprake is van enig redelijk doel bij het opheffen van deze schorsing.

Gesteld noch gebleken is dat de verdachte in de periode dat zijn voorlopige hechtenis geschorst was zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Hieruit leidt de rechtbank af dat het recidivegevaar kennelijk in de afgelopen periode voldoende kon worden ingeperkt door de aan hem gestelde schorsingsvoorwaarden. Niet valt in te zien dat dit na het veroordelend vonnis anders zal zijn. Ook overigens is niet gebleken van (andere) omstandigheden op grond waarvan de schorsing van de verdachte niet langer wenselijk zou moeten worden geacht.

De vordering tot opheffing van de schorsing wordt derhalve afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 56, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4, primair en subsidiair, ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

1.00

stk GSM zaktelefoon kl: grijs, Apple I-phone 6

1.00

stk computer kl: zwart, Acer Desktop.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

mr. K. Bakker en mr. S.N. Abdoelkadir, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 20 februari 2016 te Hoek

van Holland, gemeente Rotterdam en/of te Roosendaal althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, 9 (negen),

althans één of meer perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, althans van

buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf

in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te

New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land,

over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New

York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of

die bovengenoemde personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen

heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang

of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- een vrachtwagen verhuurd, althans ter beschikking gesteld aan zijn

mededader, te weten de chauffeur, en/of

- bovengenoemde personen in een vrachtwagen vervoerd, althans laten vervoeren

door Nederland, en/of

- het vervoer van die personen in die vrachtwagen gevolgd en/of in de gaten

gehouden, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië

(aldus) het verblijf in en /of het transport en de doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie van die bovengenoemde pers(o)n(en) georganiseerd en/of

gecoördineerd en/of gefaciliteerd;

2.

hij op of omstreeks 7 juni 2016 te Roosendaal een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1

categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de

zin van artikel 1, onder 3° van die wet, namelijk een (Tanfoglio GT28 gas alarm) pistool (omgebouwd tot een daadwerkelijk vuurwapen)

voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 7 juni 2016 te Roosendaal munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten

- 2 ( twee) kogelpatronen, kaliber 6.35 x 15,5mm

- 6 ( zes) hulzen, kaliber 6.35 x 15,5mm

voorhanden heeft gehad;

4.

primair

hij op of omstreeks 3 maart 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam

en/of te Roosendaal althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, 17 (zeventien), althans één of meer (meerderjarige en/of minderjarige)

perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, althans van buitenlandse

afkomst, - behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door, en/of - uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf

in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te

New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land,

over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New

York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of

die bovengenoemde personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen

heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang

of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- een vrachtwagen verhuurd, althans ter beschikking gesteld aan zijn

mededader, te weten de chauffeur, en/of

- bovengenoemde personen in een vrachtwagen vervoerd, althans laten vervoeren

door Nederland, en/of

- het vervoer van die personen in die vrachtwagen gevolgd en/of in de gaten

gehouden, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië

(aldus) het verblijf in en/of de doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie van die bovengenoemde pers(o)n(en) georganiseerd en/of

gecoördineerd en/of gefaciliteerd;

subsidiair

[naam medeverdachte 4] en/of één of meerdere andere tot nu toe onbekend gebleven personen

op of omstreeks 3 maart 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,

17 ( zeventien), althans één of meer (meerderjarige en/of minderjarige) perso(o)n(en) met de Afghaanse nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in

de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,

of die bovengenoemde personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen

heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang

of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben die [naam medeverdachte 4] en/of die onbekend gebleven personen,

- bovengenoemde personen in een vrachtwagen vervoerd door Nederland, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië,

(aldus) het verblijf in en/of het transport en de doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie van die bovengenoemde pers(o)n(en) georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd

bij en of tot het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte in of omstreeks de periode van

3 maart 2016 tot en met 14 maart 2016, te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of te Roosendaal, althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een vrachtwagen te verhuren, althans ter beschikking te stellen aan die

[naam medeverdachte 4] en/of die onbekend gebleven personen en/of

- een vrachtbrief (voor de deklading) te verschaffen, en/of

- het vervoer van die personen in die vrachtwagen te volgen en/of in de gaten

te houden en/of

-met één of meerdere (mede)verdachte(n) contact te onderhouden over de al dan

niet succesvolle aankomst van de verschillende vreemdelingen in Engeland.