Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3869

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
10/691147-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van brandstichting in een kerk waarbij levensgevaar voor een ander te duchten was. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691147-17

Datum uitspraak: 14 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. H. Schepers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 20 december 2017 en 28 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu er geen bewijs is voor directe betrokkenheid van hem bij de brand in de [naam kerk] in Rotterdam.

Voor zover deze brand naar het oordeel van de rechtbank wel aan de verdachte kan worden verweten, heeft de verdediging betoogd dat niet kan worden vastgesteld hoe de brand is ontstaan. Evenmin kan worden vastgesteld of de verdachte opzet had op brandstichting. De verdediging is subsidiair van mening dat niet kan worden bewezen dat er ten gevolge van de brand levensgevaar te duchten is geweest voor de heer [naam koster vd kerk] en/of anderen.

4.1.2.

Beoordeling

Algemeen

Op 18 september 2017 rond vier uur ’s nachts schrikt de heer [naam koster] , de koster van de [naam kerk] in Rotterdam die naast deze kerk woont, wakker van een luide knal en het brandalarm van de kerk dat afgaat. De heer [naam koster vd kerk] gaat de kerk binnen, ruikt dan een sterke petroleum- of benzinelucht en ziet rook in de kerk hangen. De brandweer vermoedt brandstichting. De politie doet daarom onderzoek en stelt vast dat er in de kerk door bijna alle ruimtes touw is gespannen en dat dit touw in benzine is gedrenkt, vermoedelijk afkomstig uit zeven jerrycans die ook in de kerk worden aangetroffen.

Toegang tot de kerk

De politie heeft geen braaksporen vastgesteld. De heer [naam koster] heeft verklaard dat hij de avond ervoor alle toegangsdeuren van de kerk op slot had gedaan, maar dat hij bij het binnenlaten van de brandweer bemerkte dat de voordeur niet langer op slot zat. Dit deed het vermoeden rijzen dat de brandstichter over een sleutel van deze deur beschikte. De verdachte was werkzaam in de kerk als schoonmaker en had om die reden zo’n sleutel.

Toegang tot jerrycans met benzine

Getuige [naam getuige 1] , werkzaam bij de stichting Pameijer heeft meegeholpen met het opruimen van de kerk na de brand en heeft daarbij de aangetroffen jerrycans herkend als jerrycans die hij een paar dagen eerder had gevuld met benzine en in een container van de stichting had geplaatst. Hij herkende deze jerrycans aan de groene verf die erop zat die hij er zelf op had aangebracht. Hij heeft voorts verklaard dat de verdachte een sleutel had van de container van de stichting Pameijer en dat de verdachte de enige was die zowel beschikte over een sleutel van deze container als een sleutel van de kerk.

Aankoop touw

Vanwege onduidelijkheid over de echte naam van de verdachte hebben bestuursleden van de [naam kerk] , onder wie de getuige [naam getuige 2] (dominee van de kerk), aan het begin van het politieonderzoek een signalement van de verdachte gegeven. De getuige [naam getuige 2] heeft daarbij ook verklaard dat hij en zijn vrouw de verdachte op 17 september 2017 kort na 16.15 uur afzonderlijk op straat zijn tegengekomen. De verdachte heeft daarbij aan de vrouw van de getuige [naam getuige 2] gevraagd waar de Praxis was, waarna zij hem heeft verwezen naar de Praxis op de Stadionweg. Op camerabeelden van deze Praxis is te zien hoe een man, die voldoet aan de gegeven signalementen van de verdachte, op 17 september 2017 om 16.39 uur de Praxis binnenkomt en een bol touw en een gele plastic Praxistas koopt. Uit onderzoek is gebleken dat het soort touw dat door die persoon is gekocht, soortgelijk is aan het touw dat is aangetroffen in de kerk.

Op basis van de camerabeelden is een signalement opgemaakt van de persoon die het touw heeft gekocht. Dit signalement komt overeen met het signalement dat door de getuige [naam getuige 2] aan de politie is doorgegeven. De verdachte is een aantal dagen later op basis van dit signalement aangehouden.

Plastic tas

In de kerk lag ook een deels gesmolten gele plastic tas van de Praxis. Op de hengsels van deze tas is een DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. De kans dat dit DNA van een willekeurige derde is, wordt door het Nederlands Forensisch Instituut geschat op kleiner dan één op één miljard. De verdachte heeft geen logische en verifieerbare verklaring gegeven voor het aantreffen van het DNA op de tas. De tegen de verdachte bestaande verdenking vraagt om uitleg. Die is echter achterwege gebleven. De verklaring van de verdediging dat er wellicht personen binnen de kerkorganisatie zijn die de verdachte in een kwaad daglicht hebben willen stellen door hem de brandstichting in de schoenen te schuiven, vindt geen steun in het dossier.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de brand heeft gesticht.

Opzet

De verdachte heeft een grote bol touw gekocht en zeven jerrycans met benzine uit een loods gepakt. Hij heeft vervolgens die bol met touw afgewikkeld door bijna alle ruimtes in de kerk en de zeven jerrycans met benzine uitgegoten over dit touw en op plekken in de buurt van dit touw. Vervolgens heeft hij het touw in brand gestoken. Uit deze handelingen blijkt dat de verdachte willens en wetens een brand wilde veroorzaken die zich door de kerk zou verspreiden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat de verdachte geen opzet op de brandstichting heeft gehad.

Levensgevaar

De woning van de heer [naam koster] is direct tegen de kerk aangebouwd en is slechts door een deur gescheiden van de centrale ingang van die kerk. De verdachte was hier ook van op de hoogte. De brand is weliswaar gesticht in ruimtes aan de andere kant van de kerk, maar gelet op de omvang van de bedoelde brand, hetgeen kan worden afgeleid uit de meters touw die door nagenoeg de hele kerk waren afgerold en het gebruik van zeven jerrycans gevuld met benzine, had deze brand zich zodanig kunnen ontwikkelen dat die ook de woonruimte van de heer [naam koster] zou hebben bereikt. Dat het niet zover is gekomen, is uitsluitend te danken aan de gebrekkige uitvoering van de brandstichting en de goede werking van het brandalarm. Bovendien veroorzaakte niet alleen het vuur levensgevaar, maar ook de daaruit voortkomende rookontwikkeling. Het is immers algemeen bekend dat mensen op die manier kunnen stikken, zeker als ze daar in hun slaap door verrast worden. Ook de heer [naam koster] sliep ten tijde van het ontstaan van de brand en de rook die door de brand was ontstaan, had al bijna zijn woning bereikt. Hij zag immers direct rook op het moment dat hij de deur opende, die zijn woning met de kerk verbindt. Ook hier geldt dat uitsluitend de gebrekkige uitvoering van de brand erger heeft voorkomen. Alleen doordat benzinedampen vluchtig waren geworden en met een knal ontbrandden werd de heer [naam koster] gewekt voordat de rook zijn woning was binnengedrongen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels kan worden vastgesteld dat door de brand levensgevaar voor de heer [naam koster] is ontstaan. Er is geen bijzondere deskundigheid vereist om vast te kunnen stellen of van een brand levensgevaar te duchten is. Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman wordt reeds om die reden afgewezen.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, op 18 september 2017 te Rotterdam,

opzettelijk brand heeft gesticht in de [naam kerk] (gelegen aan de [adres delict]

), aan welke kerk tevens een woning, bewoond door [naam koster vd kerk] aanwezig is,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in

aanraking gebracht met een touw en benzine, in elk geval (open) vuur in

aanraking gebracht met (een) brandbare (stof)fen,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en die kerk en de inboedel van die

kerk gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kerk en die woning aan die kerk en de inboedels daarvan, en levensgevaar voor een zich in die woning bevindende persoon ( [naam slachtoffer] ) te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gevaar voor goederen te duchten is

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De intentie van de verdachte is helder, de kerk moest in vlammen opgaan. De verdachte heeft met dit doel midden in de nacht touw doordrenkt met benzine door de kerk afgerold en vervolgens aangestoken in de wetenschap dat direct naast de kerk en slechts gescheiden door een deur de koster woonde.

De verdachte heeft daarmee niet alleen goederen in gevaar gebracht, maar ook het leven van de heer [naam slachtoffer] . Uit de slachtofferverklaring die de heer [naam slachtoffer] op de terechtzitting heeft voorgelezen, is gebleken welke impact dit op hem heeft gehad. Hij is er angstiger door geworden en voelt zich nog altijd onveilig in zijn eigen woning

De verdachte heeft zich bij de politie en op de zitting uitsluitend uitgelaten over het vermeende onrecht dat hem is aangedaan door het bestuur van de kerk. Hij heeft geen blijk gegeven van enig inzicht in zijn eigen handelen en de impact die zijn handelen op onder meer de heer [naam slachtoffer] heeft gehad. Van berouw van de kant van de verdachte is de rechtbank ook tijdens de behandeling ter terechtzitting niet gebleken. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater L. Timmerman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 september 2017.

Reclassering Nederland heeft een vroeghulprapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 september 2017.

De rechtbank heeft acht geslagen op beide rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

De heer [naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een vergoeding van

€ 2.000,00 aan immateriële schade gevorderd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd, te verhogen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat de gestelde psychische schade niet nader wordt geconcretiseerd en niet is vastgesteld door een arts of gedragskundige.

8.3.

Beoordeling

Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam zijn door de benadeelde partij niet gesteld. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, is het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). De rechtbank ziet geen aanleiding om op dat uitgangspunt in het onderhavige geval een uitzondering te maken.

In het algemeen zal van geestelijk letsel slechts sprake zijn in het geval van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 27-09-2016, ECLI:NL:HR:2016:2201). Om te kunnen vaststellen of daarvan sprake is, is een rapportage van een deskundige onontbeerlijk. Dergelijke gegevens zijn niet bij de vordering overgelegd.

Ofschoon de rechtbank er van overtuigd is dat de brand bij de heer [naam benadeelde] gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt, waarvan hij de gevolgen mogelijk nog steeds ervaart, zal de rechtbank de heer [naam benadeelde] gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De vordering kan desgewenst aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

wijst af het verzoek van de raadsman tot het verrichten van aanvullend onderzoek door een deskundige met betrekking tot de vraag of van de brand levensgevaar voor personen te duchten is geweest.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en E.B.J. van Elden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 18 september 2017 te Rotterdam,

opzettelijk brand heeft gesticht in de [naam kerk] (gelegen aan de [adres delict]

), in/aan welke kerk tevens een woning, bewoond door [naam slachtoffer] aanwezig is,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in

aanraking gebracht met een touw en/of benzine, in elk geval (open) vuur in

aanraking gebracht met (een) brandbare (stof)fen,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die kerk en/of de inboedel van die

kerk geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kerk en/of die woning in die kerk en/of

de inboedel(s) daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor (een) zich in die woning bevindende perso(o)n(en) (onder wie

[naam slachtoffer] ), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.