Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3730

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
ROT 17/4308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen benoemingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/4308

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. F. Verschuren,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. E.C. Pietermaat en mr. F.J.H. van Tienen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een externe voorzitter van de [gebiedscommissie] benoemd.

Bij brief van 11 oktober 2016 (de brief van 11 oktober 2016) heeft verweerder een afschrift van het benoemingsbesluit aan eiser toegezonden.

Bij besluit van 8 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser was voorzitter van de [gebiedscommissie] en ontving daarvoor een vaste vergoeding. Verweerder heeft met het primaire besluit, met het oog op het behartigen van de belangen van het [gebied] , het kunnen uitoefenen van de raadsbevoegdheden en het goed kunnen functioneren van de gebiedscommissie, een externe voorzitter voor de [gebiedscommissie] benoemd. Deze externe voorzitter is in de plaats getreden van eiser die vanuit de gebiedscommissie als voorzitter was aangewezen. Bij brief van 11 oktober 2016 heeft verweerder het primaire besluit aan de leden van de gebiedscommissie, waaronder eiser, toegezonden. In deze brief staat onder meer dat de huidige voorzitter en vicevoorzitter met het primaire besluit verworden tot reguliere gebiedscommissieleden met bijbehorend recht op presentiegeld per aanwezige vergadering.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 20 maart 2017, de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar en beroep tegen een benoemingsbesluit kan worden ingesteld. Volgens verweerder houdt het besluit om een externe voorzitter te benoemen niet tevens een besluit in tot beëindigen van het voorzitterschap van eiser nu die beëindiging uit artikel 13a van de Verordening op de gebiedscommissies 2014 (Verordening gebiedscommissies) voortvloeit. Het bezwaar van eiser, voor zover dat zich richt tegen de wijziging van de bezoldiging, is volgens verweerder niet-ontvankelijk omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens verweerder vloeit de wijziging in de bezoldiging van eiser voort uit artikel 5, derde lid, van de Verordening geldelijke voorzieningen gebiedscommissie 2014 (Verordening geldelijke voorzieningen) in samenhang met artikel 4 van het Rechtspositiebesluit wethouders.

3.1.

Eiser betoogt dat verweerder zijn bezwaar tegen het primaire besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser voert aan dat het besluit tevens een besluit tot beëindiging van zijn voorzitterschap inhoudt en dat zijn belangen rechtstreeks bij dat besluit zijn betrokken en dat hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden beschouwd. Dit betoog slaagt niet.

3.2.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover relevant, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

Op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingediend door een ambtenaar of een daarmee gelijk te stellen persoon.

3.3.

Op grond van artikel 13a, eerste lid van de Verordening gebiedscommissies, voor zover relevant, kan het college, in afwijking van artikel 13, eerste lid, indien dat met het oog op een goede belangenbehartiging in een gebied noodzakelijk is, te allen tijde een externe voorzitter benoemen die in de plaats komt van de door de gebiedscommissie aangewezen voorzitter en vicevoorzitter.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit een benoemingsbesluit is. Op grond van het bepaalde in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb en artikel 7:1, eerste lid, van de Awb staat tegen het benoemingsbesluit voor eiser geen bezwaar en beroep open. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit niet tevens kan worden aangemerkt als een besluit tot beëindiging van het voorzitterschap van eiser. Het primaire besluit heeft immers niet als beoogd rechtsgevolg dat het voorzitterschap van eiser wordt beëindigd. Die beëindiging vloeit voort uit artikel 13a, eerste lid, van de Verordening gebiedscommissies. Ook in zoverre is geen sprake van een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat. Eiser kan gelet hierop ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

3.5.

Voor zover eiser stelt dat verweerder bij het primaire besluit een rechtsmiddelenclausule heeft opgenomen en er dus bezwaar openstond, overweegt de rechtbank als volgt. De wet bepaalt wie beroep kan instellen tegen een benoemingsbesluit en de aanwezigheid van een rechtsmiddelenclausule maakt niet dat voor eiser toch bezwaar en beroep openstaat.

3.6.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit tot beëindiging van eisers voorzitterschap en heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit terecht op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb en artikel 7:1, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.

4.1.

Eiser betoogt voorts dat verweerder zijn bezwaar met betrekking tot de wijziging van zijn bezoldiging ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens eiser heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de wijziging in de bezoldiging rechtstreeks voortvloeit uit artikel 5, derde lid, van de Verordening geldelijke voorzieningen in samenhang met artikel 4 van het Rechtspositiebesluit wethouders. Volgens eiser is de brief van 11 oktober 2016, waarmee het primaire besluit aan hem is toegezonden, gericht op rechtsgevolg. Dit betoog slaagt niet.

4.2.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening geldelijke voorzieningen ontvangt de (vice-)voorzitter van de gebiedscommissie een vaste vergoeding voor zijn werkzaamheden volgens de tabel behorend bij deze verordening.

Op grond van artikel 5, derde lid, van de Verordening geldelijke voorzieningen zijn de bepalingen omtrent de aanvang en de beëindiging, zoals vermeld in de artikelen 3 en 4 van het Rechtspositiebesluit wethouders van overeenkomstige toepassing.

4.3.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders wordt de bezoldiging door de wethouder genoten met ingang van de dag van de benoeming.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders eindigt de bezoldiging op het tijdstip van beëindiging van het wethouderschap.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 11 oktober 2016 niet gericht op rechtsgevolg. Door het versturen van de brief is er niets gewijzigd in de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder. Dat de benoeming van de externe voorzitter gevolgen heeft gehad voor de vergoeding die eiser ontving, vloeit immers voort uit artikel 5, derde lid, van de Verordening geldelijke voorzieningen in samenhang met artikel 4 van het Rechtspositiebesluit wethouders. Verweerder heeft deze brief dan ook terecht niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb aangemerkt en het bezwaar van eiser voor zover daartegen gericht terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. D.Y.A. van Meersbergen, leden, in aanwezigheid van drs. A. Durmus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2018.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.