Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
17-05-2018
Zaaknummer
AWB-18_2235
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent het voorgaande dat een situatie, waarin verzoekster en haar kinderen gescheiden worden, als het maar even kan, vermeden moet worden. Verweerder heeft de voorzieningenrechter er op de zitting niet van kunnen overtuigen dat, indien de woning op korte termijn wordt gesloten, een gezamenlijke opvang daadwerkelijk beschikbaar is. Om die reden komt een sluiting op zeer korte termijn in strijd met artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Op grond hiervan dienen bestuursorganen de belangen van het kind bij hun oordeelsvorming te betrekken en zich voldoende rekenschap te geven van die belangen. Daarvan is in dit geval in onvoldoende mate sprake

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 18/2235

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster]), te Rotterdam, verzoekers,

gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: P. Steinweg en mr. S.B.H Fijneman.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting Havensteder te Rotterdam,

gemachtigden: O.W. Rust en M.A. Brandenhof (woonconsulenten).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van sluiting van de woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna: de woning), voor een periode van zes maanden vanaf 25 april 2018.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde, die tevens verzoeker heeft vertegenwoordigd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Eveneens was aanwezig [persoon 1], maatschappelijk werkster.

Overwegingen

1. Op 4 juli 2017 is bij verweerder een melding binnen gekomen van mogelijk dealen op het adres [adres] te Rotterdam. Die melding leverde geen constateringen op. Omstreeks 26 augustus 2017 heeft de woonlastcoördinator samen met de wijkagent een huisbezoek afgelegd in de woning, waarvan verzoeker de huurder is. Vanwege meldingen van dealen is verzoeker, in aanwezigheid van verzoekster en hun twee kinderen ([geboortedata]) toen gewaarschuwd. Verzoekster vertelde toen dat ze soms een paar dagen in de woning verblijft, maar dat ze een eigen woning heeft waar ze haar hoofdverblijf heeft. Naar aanleiding van een melding op 20 november 2017, dat vanuit de woning cocaïne werd verkocht door een [persoon 2], is de politie een onderzoek gestart en is op 12 december 2017 de woning doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn 0,5 gram cocaïne (netto), 23 gram hasj (bruto), 2 pakken hasj van 192 gram (netto), een vuurwapen met 8 patronen, 42 valse eurobiljetten van € 50,-, een grammenweegschaal, een grote gripzak met daarin lege kleine gripzakjes en zakken met kleingeld en briefgeld aangetroffen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de woning verdovende middelen zijn aangetroffen, waarvan de hoeveelheid de gebruikershoeveelheden ruim overschrijdt. Volgens verweerder rechtvaardigt dit een tijdelijke sluiting: daarmee kan herhaling van deze verstoring van de openbare orde en verdere aantasting van het woon- en leefklimaat worden voorkomen. Met betrekking tot de duur van de sluiting heeft verweerder in aanmerking genomen dat sprake is van een handelshoeveelheid drugs als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet, dat de woning is gelegen in een wijk en in een gebied die in het wijkprofiel onder het stedelijk gemiddelde scoren op het gebied van veiligheid, dat in de woning attributen zijn aangetroffen waarvan ambtshalve bekend is dat deze worden gebruikt bij de handel in drugs en dat verzoekers al eerder naar aanleiding van signalen van drugshandel vanuit de woning zijn gewaarschuwd. Naar de mening van verweerder hebben verzoekers geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden volstaan met een waarschuwing. Als verzoekers niet in de gelegenheid zijn om zelf voor vervangende woonruimte te zorgen, kunnen zij zich wenden tot het Wijkteam van de gemeente Rotterdam en Centraal Onthaal.

3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als dat vanwege onverwijlde spoed vereist is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4. Verzoeker is naar verwachting tot 12 juni 2018 gedetineerd, zodat hij op dit moment nog geen spoedeisend belang heeft.

5. Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft afgezien van het sluiten van de woning omdat geen sprake was van overlast vanuit de woning en verzoekers elke betrokkenheid bij feiten rond de Opiumwet ontkennen. Verzoeker wordt daar ook niet voor vervolgd. Daarbij heeft verweerder geen waarde gehecht aan de belangen van verzoekster en haar twee kinderen.

6.1.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd, voor zover van belang, tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

6.2.

Op grond van verweerders Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2011 (de Beleidsregel) wordt na het voor de eerste maal aantreffen van drugs in een woning in beginsel besloten tot sluiting voor de duur van zes maanden, maar zal nadrukkelijk worden bezien of gelet op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval met een waarschuwing kan worden volstaan. Afhankelijk van de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden kan de sluiting worden bevolen voor een periode van maximaal twaalf maanden, of worden beperkt tot een periode van drie maanden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit beleid niet onredelijk geacht (uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941) en de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen.

Uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer de genoemde uitspraak van 5 november 2014) volgt dat de burgemeester, gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsruimte beschikt.

7.1.

Niet in geschil is dat de hoeveelheid verdovende middelen die in de woning zijn aangetroffen de gebruikershoeveelheid overschrijdt, zodat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een handelshoeveelheid die bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden (uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412), wat in beginsel een sluiting van zes maanden rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:294) waarin, net als in dit geval, sprake was van een handelshoeveelheid softdrugs en diverse goederen bestemd voor het verwerken en verpakken van softdrugs.

7.2.

Dat volgens verzoekers de woning niet bekend staat als drugspand en dat verzoeker de woonomgeving nooit negatief beïnvloed en/of aangetast heeft, doet – wat er van die stelling ook zij – aan verweerders bevoegdheid als zodanig niet af (uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388). Daar komt nog bij dat uit het bestreden besluit blijkt dat [persoon 3] van de Politie Eenheid Rotterdam heeft gerapporteerd dat de veiligheid in de omgeving van de woning in gevaar is en dat uit een op de dag van de inval afgelegde verklaring in het politieonderzoek is gebleken dat er altijd drugs vanuit de woning te koop zijn.

7.3.

Voorts acht de voorzieningenrechter het van belang dat de woning is gelegen in een woonwijk die is aangemerkt als een veiligheidsrisicogebied.

7.4.

Dat verzoekers elke betrokkenheid bij feiten rond de Opiumwet ontkennen en niet van de aangetroffen goederen op de hoogte waren, zoals door hen gesteld, maakt niet dat verweerder een andere belangenafweging had moeten maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:90), speelt de persoonlijke verwijtbaarheid geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. In het licht van die uitspraak zijn verzoekers verantwoordelijk voor de gang van zaken in de woning en dienden zij afdoende maatregelen te treffen teneinde feiten als hier in geding te voorkomen. Gelet op wat is aangetroffen in de woning is het bovendien onaannemelijk dat geen van verzoekers op de hoogte was van de aanwezige drugs. Daarnaast is de stelling van verzoekers dat de aangetroffen hoeveelheid drugs te verklaren zou zijn uit het feit dat verzoeker vanwege zijn [ziekte] is gaan experimenteren met drugs voor eigen gebruik, niet geloofwaardig, gelet op de naast de drugs in de woning aangetroffen goederen (de grammenweegschaal, de grote gripzak met daarin lege kleine gripzakjes en de zakken met kleingeld en briefgeld).

7.5.

De omstandigheid dat tussen de constateringen en het bestreden besluit een ruime periode ligt, leidt niet tot de conclusie dat nu minder gewicht moet worden gehecht aan het belang van herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Uit de rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BY4412) volgt dat het enkele tijdsverloop geen omstandigheid is op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien. Voor een ingrijpende maatregel als hier aan de orde is een zorgvuldige voorbereiding noodzakelijk. In dit geval heeft die voorbereiding bestaan uit een bestuurlijke rapportage van 6 januari 2018, een ambtelijk advies van 14 februari 2018, een voornemen van 6 maart 2018 en een zienswijzengesprek van 22 maart 2018. Deze stappen, die zijn genomen in de aanloop van het bestreden besluit, vormen samen een zorgvuldige voorbereiding. Het tijdsverloop daarvan is niet onredelijk lang.

8.1.

De voorzieningenrechter kan er echter niet aan voorbijgaan dat op dit moment verzoekster, met haar twee kinderen, de woning bewoont. Het feit dat zij en haar kinderen niet op dat adres staan ingeschreven en het feit dat verzoekster niet als (mede)huurder van de woning is aangemerkt, doen er niet aan af dat zij op dit moment in de woning wonen. Verzoekster beschikt ook niet over een eigen woning; haar BRP-adres is een postadres.

Dit betekent dat verzoekster en haar kinderen, indien er geen alternatieve woonruimte voor hen beschikbaar is, bij sluiting van de woning op straat komen te staan.

8.2.

De voorzieningenrechter heeft in dit verband acht geslagen op de brief van [persoon 4], jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, van 24 april 2018. Uit die brief komt naar voren dat de kinderen in december 2017 bij de instap in de woning aanwezig waren, dat bij het Jeugdbeschermingsplein een dwangtraject en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gestart en dat die trajecten positief zijn afgerond. Het gaat goed met de kinderen. Na een traumatische periode in hun leven heeft verzoekster erg haar best gedaan om de kinderen een normaal leven te geven. Verzoekster maakt een stabiele indruk, de kinderen zijn verzorgd, verzoekster heeft een duidelijke dagstructuur en is rustig en geduldig in de opvoeding. Verzoekster staat open voor hulpverlening en kijkt altijd naar het belang van de kinderen. Dit heeft vruchten afgeworpen voor de ontwikkeling van de kinderen. Een huisuitzetting zal naar verwachting betekenen dat de kinderen gescheiden worden van hun moeder en dit zou wederom een zeer traumatische ervaring voor de kinderen zijn en zeer slecht zijn voor hun emotionele en psychische ontwikkeling, net nu er meer rust in het gezien is.

8.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent het voorgaande dat een situatie, waarin verzoekster en haar kinderen gescheiden worden, als het maar even kan, vermeden moet worden. Verweerder heeft de voorzieningenrechter er op de zitting niet van kunnen overtuigen dat, indien de woning op korte termijn wordt gesloten, een gezamenlijke opvang daadwerkelijk beschikbaar is. Om die reden komt een sluiting op zeer korte termijn in strijd met artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Op grond hiervan dienen bestuursorganen de belangen van het kind bij hun oordeelsvorming te betrekken en zich voldoende rekenschap te geven van die belangen. Daarvan is in dit geval in onvoldoende mate sprake. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen dat verzoekster nog enige tijd moet worden geboden om met haar hulpverleners naar een passende, alternatieve woonoplossing voor haar en haar kinderen te zoeken, waarbij van verweerder mag worden verwacht dat hij zich er naar vermogen voor zal inspannen dat moeder en kinderen niet zullen worden gescheiden.

8.4.

De tijd die verzoekster zal worden geboden is echter wel beperkt, omdat verzoeker naar verwachting op 12 juni 2018 vrijkomt uit detentie. Op dat moment ontstaat een nieuwe situatie, namelijk dat verzoeker kan terugkeren naar de woning. Die terugkeer is ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter ongewenst. Allereerst moet worden aangenomen dat verzoeker degene is geweest die zich op enigerlei wijze met de handel in drugs heeft beziggehouden, zodat zijn terugkomst naar de woning mogelijke (hernieuwde) aanloop tot gevolg kan hebben. Dit kan onder meer afgeleid worden uit de verklaring op 22 maart 2018 van [persoon 3] van de Politie eenheid Rotterdam, inhoudend dat de afwezigheid van verzoeker kennelijk leidt tot rust in de wijk. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker op 26 augustus 2017 is gewaarschuwd over mogelijke drugshandel vanuit zijn woning en dat die waarschuwing kennelijk geen effect heeft gehad, gelet op wat op 12 december 2017 in de woning is aangetroffen. Dit alles betekent dat er geen vertrouwen kan bestaan dat er vanaf 12 juni 2018 in de woning voor verzoekster en haar kinderen een stabiele situatie zal zijn. Dit maakt dat op het moment van vrijlating van verzoeker toepassing van het IVRK er niet meer toe kan leiden dat sluiting van de woning achterwege dient te blijven.

8.5.

De voorzieningenrechter zal daarom de voorlopige voorziening treffen dat de woning gesloten wordt zodra verzoekster met haar kinderen een toereikende gezamenlijke opvang hebben betrokken, met dien verstande dat de woning hoe dan ook op maandag 11 juni 2018 gesloten mag worden. De voorzieningenrechter voegt hieraan toe dat, mocht verzoeker – tegen de verwachting in – al eerder dan 12 juni 2018 vrijkomen uit detentie en mochten er aanwijzingen zijn dat hij in of nabij de woning verkeert, verweerder (gedocumenteerd) om opheffing van de voorlopige voorziening kan verzoeken, welk verzoek in dat geval in beginsel op zo kort mogelijke termijn – zonder zitting – zal worden toegewezen.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de dag nadat verzoekster met haar kinderen een toereikende gezamenlijke opvang hebben betrokken, maar uiterlijk tot 11 juni 2018;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.