Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3704

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
ROT 17/3861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijhouding van de persoonslijst op grond van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) ambtshalve opgeschort. Kostenvergoeding in bezwaar. Verweerder heeft geen gedegen adresonderzoek verricht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 17/3861

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. E.N. Vrijman,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijhouding van de persoonslijst van eiser op grond van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) ambtshalve met ingang van 8 september 2016 opgeschort.

Bij besluit van 3 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. Eiser is niet verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Eiser stond ingeschreven op het adres […] te Rotterdam. Naar aanleiding van een melding van de politie is verweerder een adresonderzoek naar eiser gestart. Bij brief van 8 september 2016 heeft verweerder vervolgens aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem ambtshalve uit te schrijven uit de basisregistratie personen (brp). In deze brief is eiser verzocht binnen vier weken een adreswijziging of zijn vertrek door te geven of, indien eiser nog op het opgegeven adres woont, dit kenbaar te maken.

1.2.

Bij brief van 20 oktober 2016 heeft het cluster Werk en Inkomen (W&I) eiser opgeroepen voor een gesprek op 24 oktober 2016 in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn uitkering. Dit onderzoek is gestart na een melding dat eiser niet meer op het opgegeven adres zou wonen. Eiser is op dit gesprek verschenen en heeft gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij op dat moment nog steeds op [adres] te Rotterdam woonde.

1.3.

Omdat eiser niet binnen de gestelde termijn op de brief van 8 september 2016 heeft gereageerd, heeft verweerder nader onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van eiser. Daartoe heeft verweerder op 15 december 2016 een e-mail gestuurd aan het cluster W&I met de vraag of eiser onlangs nog contact met die afdeling heeft gehad en zo ja, of zij weten waar hij nu verblijft. Tevens is gevraagd naar het telefoonnummer en het e-mailadres van eiser. Een medewerker van het cluster W&I heeft in antwoord hierop per e-mail van 15 december 2016 laten weten dat eiser een bijstandsuitkering heeft en dat niet bekend is dat hij elders verblijft. Ook is een telefoonnummer van eiser doorgegeven. Verweerder heeft vervolgens tweemaal geprobeerd eiser telefonisch te bereiken, zonder resultaat. Daarnaast heeft verweerder Suwinet geraadpleegd en bekeken of eiser aangifte van verhuizing heeft gedaan. Verweerder heeft op basis van de resultaten van het adresonderzoek, en onder verwijzing naar procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures (HUP), het primaire besluit genomen.

1.4.

Naar aanleiding van de in bezwaar door eiser ingediende stukken heeft verweerder bij besluit van 1 maart 2017 de beslissing tot uitschrijving met de status Vertrokken Onbekend Waarheen in de periode van 8 september 2016 tot en met 17 januari 2017 ingetrokken. Tevens is de uitschrijving in de brp met terugwerkende kracht hersteld.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van 8 september 2016 waardoor zijn feitelijke woon- of verblijfplaats niet kon worden vastgesteld. Verweerder heeft eisers verzoek om vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar afgewezen omdat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.1.

Eiser betoogt dat verweerder in de bezwaarfase ten onrechte geen kostenvergoeding aan hem heeft toegekend. Volgens eiser is het primaire besluit onrechtmatig omdat verweerder geen gedegen adresonderzoek heeft verricht alvorens ambtshalve over te gaan tot opschorting van de bijhouding in de brp. Dat hij niet heeft gereageerd op de brief van 8 september 2016 is volgens eiser onvoldoende om daartoe over te gaan. Bovendien, zo stelt eiser, heeft hij wel op 24 oktober 2016 aan het cluster W&I stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij nog op het opgegeven adres woonde, zodat verweerder op de hoogte kon zijn van deze gegevens.

3.2.

Op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.3.

Op grond van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp draagt, indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.

3.4.

In de HUP wordt voor wat betreft de uitvoering van het adresonderzoek verwezen naar de Circulaire en het protocol adresonderzoek. Hiermee wordt bedoeld, zo begrijpt de rechtbank, het Protocol adresonderzoek door het college van burgemeester en wethouders 2013 (het Protocol). Volgens het Protocol is de eerste actie in een adresonderzoek het benaderen van de betrokken persoon en deze wijzen op de plicht om aangifte te doen van adres en verblijf of adreswijziging. Indien de betrokkene niet reageert, is dat aanleiding voor een gemeente om het adresonderzoek uit te breiden. Daarvoor bestaan twee mogelijkheden: a. het inwinnen van informatie bij (ten minste twee) andere bronnen en b. feitelijk onderzoek ter plaatse. Volgens het Protocol ligt het in elk geval voor de hand dat feitelijke controle plaatsvindt als het administratieve onderzoek geen of onvoldoende resultaat oplevert.

3.5.

De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen nog gaat over de vergoeding van de door eiser in bezwaar gemaakte proceskosten. In dat kader dient de rechtbank te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het primaire besluit rechtmatig is omdat hij gedegen adresonderzoek heeft verricht.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen gedegen adresonderzoek verricht alvorens eisers gegevens in de brp op te schorten. Uit het adresonderzoek heeft verweerder onvoldoende gegevens verkregen over de verblijfplaats van eiser om het primaire besluit te kunnen nemen. Op basis van de informatie die verweerder van het cluster W&I heeft ontvangen kon verweerder niet de conclusie trekken dat eiser niet meer op het opgegeven adres woonde. Bovendien gaf deze informatie geen antwoord op de vraag van verweerder of er onlangs nog contact met eiser was geweest. Het had op de weg van verweerder gelegen om op dit punt door te vragen of een andere (tweede) externe bron te raadplegen, zoals het Protocol voorschrijft. Op grond van het Protocol had verweerder, zeker nu het administratieve onderzoek onvoldoende resultaat had opgeleverd, ook een feitelijk onderzoek ter plaatse kunnen verrichten. Verweerder heeft een dergelijk onderzoek niet verricht. Nu verweerder geen gedegen adresonderzoek heeft verricht, is niet voldaan aan de vereisten van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp. Het primaire besluit is dan ook onrechtmatig genomen. De rechtbank acht daarbij voorts van belang dat verweerder naar aanleiding van de heroverweging in bezwaar, bij besluit van 1 maart 2017, de rechtsgevolgen van het primaire besluit ongedaan heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee, op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, het primaire besluit heeft herroepen.

3.7.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit, voor zover daarbij het verzoek van eiser om vergoeding van proceskosten in bezwaar is afgewezen, zal vernietigen wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

4. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75, eerste lid in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb verweerder te veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar en beroep door eiser gemaakte kosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de door eiser gemaakte kosten in bezwaar is afgewezen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in bezwaar tot een bedrag van € 1.002,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover vernietigd;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.Y.A. van Meersbergen, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van drs. A. Durmus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.

De griffier is buiten staat de uitspraak voorzitter

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.