Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:370

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
C/10/540739 / KG ZA 17-1336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Vordering tot verwijdering van smadelijke berichten op Facebook en recensie op Google wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/540739 / KG ZA 17-1336

Vonnis in kort geding van 19 januari 2018

in de zaak van

[eiseres] , H.O.D.N. MAKELAARDIJ RIJNMOND,

zaakdoende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.K. Tosun te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 december 2017, met 13 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 9 januari 2017 hebben partijen een bemiddelingsovereenkomst gesloten, waarin [gedaagde] opdracht geeft aan [eiseres] om te bemiddelen bij de verkoop van zijn woning. In die overeenkomst is bepaald dat de intrekkingskosten, in geval van intrekking van de verleende opdracht door [gedaagde] , € 350,00 exclusief btw bedraagt.

2.2.

Omdat [gedaagde] niet (langer) zijn woning wilde verkopen, heeft [eiseres] de vermelding van de woning van [gedaagde] op haar eigen verkoopsite en die van Funda verwijderd en heeft zij bij e-mail van 26 april 2017 de intrekkingskosten van € 350,00 exclusief btw bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft de factuur onbetaald gelaten. Na enkele (vruchteloze) aanmaningen, heeft [eiseres] op 12 oktober 2017 het incassotraject overgedragen aan DAS.

2.3.

Op 31 oktober 2017 heeft [eiseres] op Facebook een bericht, zowel in het Nederlands als in het Turks, geplaatst, samen met een foto van [eiseres] en haar echtgenoot.

Het Nederlandse bericht luidt als volgt:

“MAKELAARDIJ RIJNMOND. Oplichters.

Ze voegen iedereen, zowel bekend als onbekend, toe op Facebook. Doe absoluut geen zaken met hun. Ze misleiden mensen door te doen alsof zij zelf de huizen verkocht hebben die elders verkocht zijn. Ik heb getracht zaken te doen en ondanks dat ze geld van mij hebben aangenomen, hebben ze mij gemeld bij een incassobureau. Kort gezegd, ik heb het meegemaakt, laat het jullie niet overkomen.”

2.4.

Daarnaast heeft [gedaagde] diezelfde foto van [eiseres] en haar echtgenoot op Facebook geplaatst met daarbij een bericht in het Nederlands en Turks. De Nederlandse tekst luidt:

“Oplichters!!!!! [eiseres] & [persoon 1] ! Oplichters!!! Moge het geld dat jullie geïnd hebben haram (onrein) zijn voor jullie….we zijn nog niet klaar met jullie!!!!”

2.5.

[gedaagde] heeft op Google de volgende recensie geplaatst over de onderneming van [eiseres] :

“Mensen trap er niet in. Ze zijn een stelletje belazers nummer 1 in mijn ogen. Alle afspraken die je maakt willen ze niet weten of doen alsof er daarover geen afspraak is gemaakt. Ze weten naar mijn mening echt niet waar ze mee bezig zijn. Alles moet je zelf regelen en zij maar documenten opsturen en geld innen, Liefst contant. Als het tegen zit, of niet mee eens bent, dan komt de mede directeur [persoon 1] haar werk overnemen, want dan heeft zij het zogenaamd druk. Andermans verkoop blijven zij publiceren dat verkoop via hun is gegaan. Kortom, naar mijn mening achtelijke, domme oplichters!!”

2.6.

Bij brief van 17 november 2017 is [gedaagde] door de advocaat van [eiseres] gesommeerd om onder meer de publicatie, openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de negatieve berichten over [eiseres] onmiddellijk te staken en gestaakt te houden en ervoor zorg te dragen dat de berichten op geen enkele wijze meer zijn op te halen via zoekmachines op het internet.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot het verwijderen en het verwijderd houden van de berichten die als productie 8, 9 en 10 bij de dagvaarding zijn overgelegd, althans de naam, waaronder begrepen de ondernemingsnaam, van [eiseres] en alle uitingen met de strekking dat [eiseres] heeft gelogen, misleid en de waarschuwing om geen zaken met [eiseres] te doen of uitingen van gelijke strekking, althans die passages uit de berichten te verwijderen en verwijderd te houden die de voorzieningenrechter als onrechtmatig beoordeelt, binnen 24 uur na betekening van het vonnis in dit kort geding, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verwijdering uitblijft tot een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom per dag en maximum;

II. [gedaagde] te veroordelen om de foto van [eiseres] die door [gedaagde] op het internet is geplaatst te verwijderen en verwijderd te houden, binnen 24 uur na betekening van het vonnis in dit kort geding, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verwijdering uitblijft tot een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom en maximum;

III. [gedaagde] te veroordelen om verdere openbaarmaking van de berichten die als producties 8, 9 en 10 zijn overgelegd bij de dagvaarding en uitlatingen over [eiseres] met de strekking dat [eiseres] heeft gelogen, misleid en de waarschuwing om geen zaken met [eiseres] te doen of uitingen van gelijke strekking als in de berichten te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom per dag en maximum;

IV. [gedaagde] te verbieden om enige tekst met daarin de namen van [eiseres] , waaronder begrepen de ondernemingsnaam van [eiseres] , dan wel enige lettercombinatie die naar deze namen verwijst, wederom op directe of indirecte wijze op het internet te doen plaatsen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom en maximum;

V. [gedaagde] te veroordelen om verdere openbaarmaking van foto’s van [eiseres] te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom en maximum;

VI. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis in dit kort geding de exploitant van de zoekmachine Google per aangetekende brief en per e-mailbericht opdracht te geven tot verwijdering van de recensie die als productie 10 is overgelegd bij de dagvaarding, en direct afschrift van deze brief en dit e-mailbericht aan de advocaat van [eiseres] te sturen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom per dag en maximum;

VII. [gedaagde] een gebod op te leggen dat inhoudt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis in dit kort geding alle reeds geuite beschuldigingen jegens [eiseres] te rectificeren met het plaatsen van het volgende openbare bericht op zijn Facebookpagina:

“RECTIFICATIE

Beste lezer,

Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam ben ik veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie. Ik heb [eiseres] , Makelaardij Rijnmond, ten onrechte een oplichter genoemd. Mijn beschuldigingen jegens [eiseres] en Makelaardij Rijnmond zijn feitelijk onjuist, onwaar en beledigend.

[gedaagde] ”

althans een openbaar bericht dat in goede justitie door de voorzieningenrechter wordt bepaald, waarbij [gedaagde] wordt verplicht om direct een afschrift van dit bericht naar de advocaat van [eiseres] te sturen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan dit gebod/deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom per dag en maximum;

VIII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.054,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

IX. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf twee weken nadat het veroordelende vonnis is gewezen tot de dag der algehele voldoening;

X. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nakosten, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen twee weken na de dag waarop hij bij vonnis in de proceskosten wordt veroordeeld integraal aan dit vonnis voldoet.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft meerdere berichten over [eiseres] met haar foto op internet geplaatst, waarin hij [eiseres] en haar partner (zowel zakelijk als privé) beticht van oplichting, leugens en misleiding, en voorts derden waarschuwt om geen zaken met [eiseres] te doen. Dat is een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] en daarmee handelt [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW. Daarnaast vormt de publicatie van de foto van [eiseres] en haar partner een inbreuk op het portretrecht van [eiseres] .

3.3.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij alle berichten op Facebook over [eiseres] op 8 januari 2018 (een dag vóór de zitting) heeft verwijderd en dat hij bezig is om de recensie op Google te (laten) verwijderen. De onderhavige procedure is dan ook onnodig en een spoedeisend belang ontbreekt.

Voorts betwist [gedaagde] dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. De dienstverlening van [eiseres] was slecht en zij heeft ten onrechte intrekkingskosten bij [gedaagde] in rekening gebracht. De slechte publiciteit is het logische gevolg van het handelen van [eiseres] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgaande van de stelling van [eiseres] dat zij, als gevolg van de in haar ogen stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer door [gedaagde] , doorlopende schade lijdt en de gevraagde voorzieningen ertoe strekken een einde te maken aan die onrechtmatige handelingen, is het spoedeisend belang bij de direct uit die stelling voortvloeiende of daarmee samenhangende vorderingen voldoende gegeven (vgl. Hoge Raad 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8483). Het verweer van [gedaagde] dat de berichten op Facebook inmiddels zijn verwijderd en dat hij nog in afwachting is van een wachtwoord van Google, waarna hij zal overgaan tot het verwijderen van de recensie, doet niet af aan die spoedeisendheid. [eiseres] heeft niet kunnen verifiëren of de betreffende berichten daadwerkelijk zijn verwijderd, zodat daar vooralsnog niet van uit kan worden gegaan en bovendien staat vast dat de recensie nog steeds op Google is te vinden.

4.2.

In geschil is de vraag of [gedaagde] door het plaatsen van de berichten op Facebook en de recensie op Google onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Daarbij geldt dat er sprake is van een botsing tussen twee fundamentele rechten, te weten het recht van [eiseres] op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer (artikel 8 lid 1 EVRM) enerzijds en het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM) anderzijds.

Het antwoord op de vraag welke van deze rechten, die in beginsel gelijkwaardig zijn, in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569).

4.3.

In de berichten op Facebook wordt [eiseres] beschuldigd van misleiding en oplichting en worden mensen gewaarschuwd om geen zaken met haar te doen. [eiseres] heeft deze beschuldigingen echter uitdrukkelijk betwist en [gedaagde] heeft zijn stelling op dit punt in het geheel niet onderbouwd. Dat [eiseres] jegens derden doet voorkomen dat zij huizen heeft verkocht die niet daadwerkelijk door haar zijn verkocht, is dan ook niet aannemelijk geworden. De overige gestelde omstandigheden, voor zover dat al vast zou komen te staan, leiden niet zonder meer tot de conclusie dat er sprake is van oplichting of misleiding door [eiseres] . Gebleken is dat [gedaagde] met de berichten zijn ongenoegen heeft willen uitdrukken over de volgens hem gebrekkige dienstverlening en onterechte facturatie door [eiseres] . Indien daar al van uit zou worden gegaan, rechtvaardigt dat niet de dreigende ondertoon van het tweede bericht (“we zijn niet klaar met jullie!!!!”), doch bij gebrek aan enige onderbouwing kan vooralsnog niet worden aangenomen dat [eiseres] is tekortgeschoten in haar dienstverlening of ten onrechte tot facturatie en incasso is overgegaan.

4.4.

Hoewel in een recensie, waarin het voor derden duidelijk is dat het gaat om een mening van één persoon, scherpere bewoordingen mogen worden gebruikt dan in andere publicaties en de grens van het toelaatbare minder snel wordt overschreden, zijn de bewoordingen in de onderhavige recensie, daar waar niet aannemelijk is geworden dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding of oplichting, nodeloos grievend. Met name wordt gewezen op de woorden “stelletje belazers nummer 1” en “achtelijke, domme oplichters”.

4.5.

Gelet op voormelde omstandigheden dient het belang van [eiseres] , dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan een aantasting van haar eer en goede naam (ook die van haar onderneming) door ongewenste en onjuiste publicaties, zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde] bij handhaving van zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Voorshands wordt geoordeeld dat [gedaagde] met het plaatsen van de smadelijke berichten en recensie onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Ook het plaatsen van de foto van [eiseres] en haar echtgenoot bij de berichten op Facebook is onrechtmatig en bovendien een inbreuk op het portretrecht van [eiseres] in de zin van artikel 20 lid 2 Auteurswet.

4.6.

Nu ter zitting niet kon worden geverifieerd of [gedaagde] daadwerkelijk de berichten en de foto op Facebook heeft verwijderd, zoals door hem verklaard, zullen vorderingen sub I., II., III. en V. worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van de betreffende berichten en de foto. Ook dient hij zich te onthouden van verdere openbaarmaking van de berichten, recensie en foto alsook van uitlatingen over [eiseres] die van gelijke strekking zijn.

De gevraagde dwangsom wordt beperkt tot € 100,00 per dag, met een maximum van

€ 10.000,00.

4.7.

Op [gedaagde] kan geen algemeen verbod worden opgelegd om enige tekst met daarin de namen van [eiseres] of haar onderneming op internet te plaatsen. Het gebruik van die namen is op zichzelf immers niet onrechtmatig. Dat is afhankelijk van de inhoud van de tekst en de context waarin deze is geplaatst. Op voorhand kan daarover niet worden geoordeeld, zodat vordering sub IV. wordt afgewezen.

4.8.

[gedaagde] zal conform vordering sub VI. worden veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de exploitant van Google per aangetekende brief en per e-mailbericht opdracht te geven tot verwijdering van de recensie, met verzending van een afschrift van die brief en e-mail aan de advocaat van [eiseres] . De gevraagde dwangsom wordt beperkt tot € 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00.

4.9.

Voor het plaatsen van de gevorderde rectificatie onder VII. is vooralsnog onvoldoende aanleiding, nu met de voorliggende stukken niet kan worden vastgesteld hoe de precieze gang van zaken is geweest tussen partijen.

4.10.

De sub VIII. gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering op dit punt enkel één aanmaningsbrief van 17 november 2017 overgelegd. Daarmee heeft zij onvoldoende aangetoond dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn aan te merken als verrichtingen anders dan die ‘ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak’ en dat die meer omvatten dan het verzenden van een (eventueel herhaalde) standaard aanmaning of het inwinnen van inlichtingen. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een procedure is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden, naast de nakosten, begroot op:

- dagvaarding € 78,96

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.185,96

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot het verwijderen en het verwijderd houden van de berichten en de foto die als productie 8 en 9 bij de dagvaarding zijn overgelegd, binnen

24 uur na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om verdere openbaarmaking van de berichten, recensie en foto, die als productie 8, 9 en 10 bij de dagvaarding zijn overgelegd, en uitlatingen over [eiseres] die van gelijke strekking zijn, te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, tot een maximum van

€ 10.000,00 is bereikt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de exploitant van de zoekmachine Google per aangetekende brief en per e-mailbericht opdracht te geven tot verwijdering van de recensie, die als productie 10 is overgelegd bij de dagvaarding, en direct afschrift van deze brief en het e-mailbericht aan de advocaat van [eiseres] te sturen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.185,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.

2091 / 676