Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3688

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
10/960064-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer 527 kilo cocaïne in Nederland. Voorhanden hebben vuurwapen en munitie. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960064-17

Datum uitspraak: 21 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp,

raadsman mr. S. Ettalhaoui, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 21 februari en 7 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.S. van Unnik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen BlackBerry telefoon en onttrekking aan het verkeer van alle overige op de beslaglijst d.d. 20 februari 2018 vermelde voorwerpen.

4 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Feiten

Op grond van het dossier en de behandeling van de zaak ter terechtzitting kunnen de navolgende feiten, voor zover hier van belang, als vaststaand worden aangemerkt.

“ [schuilnaam verdachte] ”

Op 15 februari 2017 heeft het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum informatie ontvangen van de Amerikaanse opsporingsautoriteiten dat de gebruiker van het IMEI- nummer [nummer 1] met de naam “ [schuilnaam verdachte] ” de invoer coördineert van honderden kilo’s cocaïne vanuit Colombia, via Ecuador, in Nederland.

Taps

Naar aanleiding hiervan werd een strafrechtelijk onderzoek gestart, genaamd Havel. Er is een tap geplaatst op het hiervoor genoemde IMEI-nummer. Omdat uit de tapgesprekken bleek dat [schuilnaam verdachte] veel contact had met een persoon met de ping naam “ [schuilnaam medeverdachte] , welke naam behoort bij het IMEI-nummer [nummer 2] , is ook op dit nummer een tap geplaatst. [schuilnaam verdachte] en [schuilnaam medeverdachte] hebben in de periode van 27 februari tot en met 9 mei 2017 diverse (chat)gesprekken met elkaar en met anderen gevoerd, waarin onder meer werd gesproken over de “ [naam schip] ”, dat “alles geregeld” is, “de aankomst van de bus”, en “ [containernummer] ”. Ook zijn er foto’s door [schuilnaam verdachte] en [schuilnaam medeverdachte] ontvangen en verstuurd naar anderen van een container met op de linker deur de letters “ [naam ] ” en op de rechterdeur “ [containernummer] ” en van een geopende container met daarin stapels dozen en bovenop de dozen zwarte zakken. Verder wordt in de gesprekken opdracht gegeven aan diverse personen om rond 9 mei 2017 “klaar te staan”.

[naam schip]

Op 9 mei 2017 is het schip [naam schip] de haven van Antwerpen binnengevaren. In het ruim van de [naam schip] bevond zich een container met het nummer [containernummer] . De container was op 22 april 2017 in de haven van Guayaquil (Ecuador) op de [naam schip] geladen. Op 10 mei 2017 heeft de Belgische douane naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten deze container gecontroleerd. In de container, bovenop een lading dozen met bananen, werden acht zwarte zakken aangetroffen met daarin 450 pakketten cocaïne. De cocaïne had een totaal gewicht van 527 kilo.

Observaties

Om de identiteit van [schuilnaam verdachte] en [schuilnaam medeverdachte] te achterhalen heeft de politie vanaf de start van het onderzoek meerdere malen een observatie uitgevoerd, op de momenten dat [schuilnaam verdachte] en [schuilnaam medeverdachte] via een ping-bericht ergens een afspraak hadden gemaakt. Mede op basis van de waarnemingen die daarbij zijn gedaan ontstond het vermoeden dat de verdachte [schuilnaam verdachte] was en de medeverdachte [naam medeverdachte] [schuilnaam medeverdachte] .
Op 10 mei 2017 heeft het observatieteam waargenomen dat de verdachte om 08.21 uur op Schiphol arriveerde. Om 13.30 uur werd gezien dat de verdachte en [naam medeverdachte] in Rotterdam in een Mercedes Benz stapten. Omstreeks 13.37 uur heeft de politie de Mercedes op de oprit van de A16 laten stoppen. Naast de verdachte en [naam medeverdachte] zaten in de Mercedes twee personen, genaamd [naam 1] en [naam 2] . De verdachte had een BlackBerry telefoon bij zich met het IMEI-nummer [nummer 1] . Hij heeft verklaard dat hij die telefoon sinds eind februari 2017 gebruikte met de bijbehorende ping naam [schuilnaam verdachte] . In de Mercedes werd een BlackBerry telefoon met het IMEI-nummer [nummer 2] aangetroffen. [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van die telefoon en de bijbehorende ping naam [schuilnaam medeverdachte] , die later is gewijzigd in [schuilnaam 2 medeverdachte] .

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde invoer van cocaïne in Nederland. Aangevoerd is dat de [naam schip] onder Liberiaanse vlag voer, waardoor de cocaïne zich steeds op Liberiaans grondgebied bevond. Voorts is de [naam schip] niet de Nederlandse

wateren binnengevaren. Er is daarom geen sprake van de invoer van cocaïne in Nederland.

Voorts is aangevoerd dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op de invoer van cocaïne. De verdachte fungeerde slechts als doorgeefluik. Hij had de BlackBerry met de bijbehorende ping naam [schuilnaam verdachte] van een man, genaamd [naam 3] , gekregen. [naam 3] had de verdachte gevraagd om op de BlackBerry ontvangen berichten en foto’s aan hem door te geven. [naam 3] dicteerde de verdachte berichten die de verdachte moest doorgeven aan hem onbekende personen. [naam 3] en de verdachte waren nagenoeg altijd samen. De verdachte zou voor deze werkzaamheden een vergoeding ontvangen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist of had moeten vermoeden dat de berichten zagen op cocaïnesmokkel. Verder kan de verdachte, gezien zijn rol in het geheel en de handelingen die hij heeft verricht, niet als medepleger maar hooguit als medeplichtige worden aangemerkt.

4.1.3.

Beoordeling

Invoer in Nederland

De container waarin de cocaïne is aangetroffen, is vervoerd met een schip dat is vertrokken vanuit Ecuador en op 9 mei 2017 de haven van Antwerpen is binnengevaren. Het is een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen voor een zeeschip slechts bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen deel van de Westerschelde. Dat betekent dat de cocaïne voor de aankomst van de [naam schip] in Antwerpen binnen het grondgebied van Nederland is geweest. Er is daarom sprake van de invoer van cocaïne in Nederland. Dat de [naam schip] onder Liberiaanse vlag voer, doet hieraan niet af.

De verweren worden verworpen.

Opzet

De politie heeft in een periode van 2,5 maanden de verdachte meerdere keren geobserveerd. Uit deze observaties blijkt niet dat de verdachte steeds in het gezelschap was van een andere man. Verder bevat het dossier diverse transcripties van gesprekken die de verdachte met de BlackBerry heeft gevoerd. Hieruit valt niet af te leiden dat de verdachte tijdens die gesprekken ruggespraak hield met iemand. Ook overigens bevat het dossier geen enkele aanwijzing voor het bestaan van de door de verdachte genoemde [naam 3] . Het verweer van de verdachte dat hij de BlackBerry in opdracht van [naam 3] gebruikte om als boodschapper voor hem te fungeren, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Dat geldt temeer nu uit het dossier blijkt dat de verdachte ook persoonlijke gesprekken met de BlackBerry heeft gevoerd. Zo heeft hij op 2 mei 2017 een persoon met de ping- naam [naam 4] bericht dat hij in het ziekenhuis was, waarop [naam 4] vroeg of [naam echtgenote verdachte] - dat is de echtgenote van de verdachte - was bevallen. Het verweer wordt verworpen.

Ook het verweer dat de verdachte niet wist dat de berichten over cocaïne gingen, wordt verworpen. Uit de inhoud van de (chat)gesprekken, zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, kan worden geconcludeerd dat de verdachte van meet af aan willens en wetens bezig is geweest met de invoer van de lading cocaïne. De verdachte heeft eind februari [naam medeverdachte] bericht dat Antwerpen “geregeld was” en eind april 2017 [naam 5] gevraagd om de naam van het schip en gezegd dat “zij het zouden opzetten”. Het is niet aannemelijk dat de verdachte iets op touw ging zetten zonder te weten waarvoor hij dat zou doen. Bovendien heeft de verdachte op 9 mei 2017 meerdere chatgesprekken met [naam medeverdachte] gevoerd over de aankomst van de [naam schip] in Antwerpen en tijdens één van die gesprekken, nadat [naam medeverdachte] hem had bericht dat ze er die maand warmpjes bij zouden zitten en hij niet kon wachten tot hij de sletjes in hun handen zag, geantwoord dat hij hoopt “dat de prijs nog meer stijgt”. Dit antwoord duidt er op dat de verdachte precies wist wat voor (illegale) goederen zich in de container met het nummer [containernummer] op de [naam schip] bevonden.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet had op de invoer van cocaïne.

Medeplegen

Uit de onderschepte gesprekken blijkt voorts dat de verdachte een actieve en coördinerende rol heeft gespeeld bij de invoer van de cocaïne. Nadat de verdachte [naam 5] had bericht dat zij het zouden opzetten, heeft hij van [naam 5] cruciale informatie over het vervoer van de cocaïne ontvangen, zoals de naam van het schip en foto’s met daarop het containernummer, de inhoud van de container, de verpakking van de cocaïne en de containersluiting, en deze informatie aan andere betrokkenen doorgegeven. Ook hebben de verdachte en [naam medeverdachte] elkaar en anderen op de hoogte gehouden van de aankomst van de [naam schip] in Antwerpen en anderen gemobiliseerd om omstreeks 9 mei 2017, de aankomstdatum, klaar te staan, omdat er dan zou worden gewerkt. Blijkbaar hielden de verdachten zich bezig met het uit de container (laten) halen van de cocaïne.

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [naam medeverdachte] en anderen ten behoeve van de invoer van de cocaïne en dat hij hieraan een zodanige significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd dat hij als medepleger moet worden aangemerkt. Het verweer wordt verworpen.

4.1.4.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer van 527 kilo cocaïne in Nederland.

Ten aanzien van feit 2

4.2.

Partiële vrijspraak

Nadat de verdachte op 10 mei 2017 op Schiphol was aangekomen, is hij naar de woning aan het [adres delict] te Amsterdam gegaan. De verdachte verbleef geregeld in deze woning als hij in Nederland was. Na zijn aanhouding heeft er een doorzoeking in de woning plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking zijn in een verborgen ruimte achter de spiegel in de hal een vuurwapen en munitie en onder het bed in de kleine slaapkamer een magazijn met munitie aangetroffen.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van dit wapen, de munitie en het magazijn met munitie in de woning. Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat meerdere personen gebruik maakten van de woning. Daarom kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die deze voorwerpen voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering

4.3.1.

Feiten

Tijdens de doorzoeking in de woning aan het [adres delict] te Amsterdam is onder het matras van de grote slaapkamer een vuurwapen, Glock, model 26, met daarin een magazijn met 10 kogels, gevonden. Op de trekker van het vuurwapen is het DNA van de verdachte aangetroffen.

4.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte dit vuurwapen voorhanden had.

4.3.3.

Beoordeling

Het voorhanden hebben van een vuurwapen veronderstelt een drietal factoren. Het vuurwapen moet zich in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte bevinden, de verdachte moet zich bewust zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen en er moet een zeker machtsrelatie bestaan tussen de verdachte en het vuurwapen.

De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens een eerder bezoek aan de woning op zoek was naar een oplader voor zijn telefoon en toen onder het matras van het bed in de grote slaapkamer iets hards voelde. Dat bleek een vuurwapen te zijn. Hierbij stelt de verdachte stelt dat zijn DNA ‘per ongeluk’ tijdens deze zoektocht op de trekker van het vuurwapen terecht is gekomen. Gelet op de plek waar het DNA van de verdachte is aangetroffen, acht de rechtbank dit niet aannemelijk.

De rechtbank stelt op basis van het aantreffen van dit spoor op het vuurwapen vast dat de verdachte wist dat er een vuurwapen in de woning aanwezig was. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ook beschikkingsmacht had over het vuurwapen, aangezien hij in de woning verbleef, het vuurwapen voor hem voor het grijpen lag, hij het wapen kon pakken en hij het wapen ook heeft aangeraakt.

Het verweer wordt verworpen.

4.3.4.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte een vuurwapen met daarin een magazijn met munitie voorhanden heeft gehad.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, in de periode van 20 februari 2017 tot 10 mei 2017, op de Westerschelde en de Noordzee, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

527 kilogram cocaïne (bruto gewicht), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, op 10 mei 2017 te Amsterdam een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten;

- een vuurwapen van het merk Glock, model 26 van het kaliber 9x19mm met een

daarbij passend patroonmagazijn,

en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 10 kogelpatronen van het kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van 527 kilo

cocaïne in Nederland. De cocaïne werd vanuit Ecuador verscheept via de Westerschelde

met als eindbestemming de haven van Antwerpen. De verdachte heeft hierin een coördinerende rol gehad.

Hij heeft contact onderhouden met diverse betrokkenen, informatie ontvangen over het

schip, de container en de verpakking waarin de cocaïne werd gesmokkeld en deze

informatie aan anderen doorgegeven. Ook heeft hij diverse personen gemobiliseerd om klaar

te staan zodra de container werd gelost. Dit alles kennelijk met het doel om de cocaïne uit de

container te krijgen.

Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevorderen de toename van vermogen- en geweldsdelicten. Het is bekend dat gebruikers van harddrugs veelal strafbare feiten plegen om aan geld te komen voor de aanschaf van drugs. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort misdrijven veel geld oplevert voor alle personen die betrokken zijn bij de organisatie van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker. De verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn streven naar geldelijk gewin en heeft niet nagedacht over de verstrekkende gevolgen voor de samenleving.

De verdachte heeft voorts een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit hiervan brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport dat Reclassering Nederland over de verdachte heeft opgemaakt gedateerd 6 november 2017 en op het rapport dat Ton Koot Forensisch Maatschappelijk Werk gedateerd 27 oktober 2017 dat de verdediging heeft overgelegd.

7.4.

Strafmaatverweren

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu, hoewel de verdediging daarom heeft verzocht, de dagvaarding niet is vertaald in een voor hem begrijpelijke taal, het Spaans. De verdachte is hierdoor in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Voorts heeft het openbaar ministerie de verdachte niet in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de inhoud van twee DVD’s met tapgesprekken, waardoor de verdachte zich niet optimaal kon voorbereiden op zijn proces.

De verdediging heeft verzocht met beide punten rekening te houden en op grond daarvan een eventueel op te leggen straf te matigen.

Beoordeling

In het dossier bevindt zich een Spaanse vertaling van de dagvaarding, maar uit het dossier blijkt niet dat deze vertaling aan de verdachte is verstrekt, noch dat hem van de korte inhoud daarvan in een voor hem begrijpelijke taal mededeling is gedaan op de wijze als voorgeschreven door artikel 260, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Echter, op de eerste pro forma zitting in deze zaak d.d. 23 augustus 2017, waar de verdachte aanwezig was, heeft de officier van justitie de tenlastelegging voorgedragen en is deze voordracht door een tolk vertaald naar het Spaans. De verdachte wist op genoemde datum dus al waartegen hij zich had te verdedigen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Voorts blijkt uit het dossier dat de officier van justitie twee DVD’s met tapgesprekken heeft verstrekt aan de verdediging. Het verweer dat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om van de inhoud van de DVD’s kennis te nemen gaat dus niet op.

Beide verweren worden verworpen.

7.5.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Omdat de verdachte niet één van de grote mannen achter de cocaïnesmokkel was - hij had geen leidinggevende rol -, hij een zogenoemde first offender is en partieel wordt vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Gezien de straf die wordt opgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen, zoals is verzocht door de verdediging. Dit verzoek wordt dus afgewezen.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen BlackBerry telefoon (nummer 1 op de beslaglijst) behoort aan de verdachte toe. Het onder 1 bewezen verklaarde feit is met behulp van dit voorwerp begaan. Daarom zal de BlackBerry telefoon verbeurd worden verklaard.

8.2.

Onttrekking aan het verkeer

De op de beslaglijst onder de nummers 3 tot en met 9 genoemde voorwerpen betreffen twee vuurwapens, vier keer munitie en een magazijnhouder. Al deze voorwerpen zijn aangetroffen in de woning waarin de verdachte verbleef. Het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan met het vuurwapen, vermeld onder nummer 8 op de beslaglijst.

Omdat het ongecontroleerde bezit van al deze voorwerpen in strijd is met de wet zullen zij worden onttrokken aan het verkeer.

8.3.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Ten aanzien van de inbeslaggenomen handschoen (nummer 2 op de beslaglijst) zal de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende. Er is geen grond om deze aan het verkeer te onttrekken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,
2 en 10 van de Opiumwet en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

-de mobiele telefoon BlackBerry curve;

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

-munitie patroon doosje (5384806);
-munitie patroon (5384805);
-vuurwapen pistool (5384804);
-munitie patroon (5384803);
- vuurwapen pistool (5384802);
-magazijnhouder (5384801);

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

-de handschoen;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

en mrs. A. Verweij en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 maart 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij,

in of omstreeks de periode van 20 februari 2017 tot en met 10 mei 2017,

op de Westerschelde en/of de Noordzee, althans de Nederlandse wateren en/of te

Rotterdam, en/of te Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft./hebben gebracht,

(ongeveer) 527 kilogram cocaïne (bruto gewicht), althans een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij,

op of omstreeks 10 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) vuurwapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de

Wet wapens en munitie, te weten;

- een vuurwapen van het merk Glock, model 26 van het kaliber 9x19mm met een

daarbij passend patroonmagazijn,

- een vuurwapen van het merk Glock, model 19c van het kaliber 9x19mm met twee,

althans een daarbij passend(e) patroonmagazijn(en),

en/of

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en

Munitie, te weten 48 kogelpatronen van het kaliber 9x19mm, althans een

hoeveelheid munitie,

voorhanden heeft gehad.