Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3676

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
C/10/538914 / KG ZA 17-1236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen maten in een maatschap voor ergotherapie. Afwijzing van o.a. de vordering die ertoe strekt dat de derde maat, vooruitlopend op de ontbinding van de maatschap, haar praktijkuitoefening staakt en gestaakt houdt. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/538914 / KG ZA 17-1236

Vonnis in kort geding van 18 januari 2018

in de zaak van

1 [naam eiseres 1] ,

wonende te Oud-Beijerland ,

2. [naam eiseres 2],

wonende te Oud-Beijerland ,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. J.M. Timmer te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde 1] ,

wonende te Barendrecht ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.A. Ellenbroek te Rotterdam.

Eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, zullen hierna [naam 1] en [naam 2] worden genoemd. Gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, zal [naam 3] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 15 november 2017, met producties 1 tot en met 30;

 de aanvullende producties 31 tot en met 37 en de daarop betrekking hebbende brief van [naam 1] en [naam 2] van 21 november 2017;

 de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 21;

 de mondelinge behandeling op 23 november 2017, op welke zitting de zaak met instemming van partijen is verwezen naar mediation;

 de pleitnota van [naam 1] en [naam 2] , met daarbij gevoegd de producties 38 tot en met 40;

 de pleitnota van [naam 3] ;

 het faxbericht van [naam 1] en [naam 2] van 18 december 2017, waarbij zij de voorzieningenrechter hebben bericht dat mediation niet is geslaagd en hebben verzocht om vonnis te wijzen;

 het faxbericht van [naam 3] van 19 december 2017, waarbij [naam 3] (ook) heeft verzocht om vonnis te wijzen en – zoals afgesproken op de zitting – inhoudelijk heeft gereageerd op het faxbericht van [naam 1] en [naam 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] zijn alle drie ergotherapeut van beroep. Zij zijn maten in de maatschap [naam maatschap] , gevestigd in [plaats] (hierna: de maatschap).

2.2.

Partijen hebben op 1 april 2016 een maatschapsovereenkomst gesloten. Deze schriftelijke overeenkomst houdt onder andere in:

Artikel 2: Doel

De maatschap heeft ten doel het voor gezamenlijke rekening exploiteren van een

ergotherapeutisch beroep en een ergotherapiepraktijk en al hetgeen daartoe behoort en daarmee in verband staat in de ruimste zin van het woord.

In bijzonder beoogt de maatschap de voortzetting van het ergotherapeutisch beroep en de van de tot 31-03-2016 door de maten sub 1 en sub 2 (de voorzieningenrechter leest: [naam 1] en [naam 2] ) onder de naam [naam maatschap] gedreven onderneming. (…)

Artikel 3: Duur en opzegging

De maatschap is met ingang van 01-04-2016 voor onbepaalde tijd aangegaan. Ieder van de maten heeft het recht de maatschap door opzegging te beëindigen. Dit dient te geschieden bij aangetekende brief aan de andere ma(a)t(en)maten, met inachtneming van een opzegtermijn van 4 maanden en niet anders dan tegen het einde van het boekjaar. (…)

(…)

Artikel 7: Samenwerking

(…)

Lid 1a Verdeling werkzaamheden

Maat sub 1 (de voorzieningenrechter leest: [naam 1] ) voert haar werkzaamheden uit voor de volwassen ergotherapie binnen de gemeente Hoeksche Waard. Maat sub 2 (de voorzieningenrechter leest: [naam 2] ) voert haar werkzaamheden uit voor zowel de

volwassen ergotherapie als de kinderergotherapie binnen de gemeente Hoeksche Waard. Maat sub 3 (de voorzieningenrechter leest: [naam 3] ) voert haar werkzaamheden uit voor zowel de volwassen ergotherapie als de kinderergotherapie binnen de gemeente Barendrecht en omstreken. Zij zal bij te veel werkzaamheden in de gemeente Hoeksche Waard deze werkzaamheden opvangen mits dat mogelijk is gezien de werkzaamheden in de gemeente Barendrecht. Daarnaast springen de maten bij elkaar in om de kwaliteit van de praktijk te waarborgen. Dit betekent dat iedereen overal inzetbaar is.

Lid 1b Verdeling overstijgende werkzaamheden

(…)

Elke maat is verantwoordelijk voor het invullen van haar eigen declaraties in het declaratieprogramma.

Artikel 8: Boekjaar, balans en winst- en verliesrekening

Lid 1: Het boekjaar van de maatschap loopt van één januari tot en met eenendertig

december.

(…)

2.3.

Bij brief van 26 oktober 2017 heeft de advocaat van [naam 1] en [naam 2] [naam 3] onder andere het volgende bericht:

Er zijn, zoals reeds meerdere keren met u besproken en schriftelijk vastgelegd, door mijn cliënten klachten omtrent uw handelen/nalaten binnen de maatschap jegens u geuit. Tevens zijn talloze externe klachten omtrent u geuit. De externe klachten zijn geuit door onder meer de (ouders van) patiënten en belangrijke verwijzers, waaronder de verwijzende arts van het Maasstad Ziekenhuis, hetgeen u reeds bekend is.

Cliënten hebben zich naar aanleiding van voorgaande genoodzaakt gezien de externe klachten grondig te onderzoeken. Cliënten kwamen toen tot schokkende bevindingen. Het gaat steevast om ernstige tekortkomingen ten aanzien van kwetsbare patiënten, welke tekortkomingen (deels) reeds door uzelf zijn erkend in uw onderlinge correspondentie met cliënten.

Cliënten hebben reeds in een eerder stadium aanhoudend getracht meer duidelijkheid van u te krijgen omtrent uw handelen en nalaten binnen de maatschap. U heeft op diverse momenten aangegeven wegens onder meer ziekte uw praktijk gedeeltelijk niet meer te kunnen uitoefenen, maar u liet daarbij veel onduidelijkheid bij cliënten bestaan over uw (gezondheids)problemen. Cliënten hebben u telkens uitvoerig gewezen op uw verantwoordelijkheden voor onder meer correcte overdracht en hier afspraken met u over gemaakt. Maar u kwam vervolgens, en komt nog immer, deze afspraken niet na. Hier moesten cliënten gaandeweg, niet via u, maar aan de hand van talloze klachten omtrent tekortkomingen uwerzijds achter komen. Gelet op voorgaande hebben cliënten,

beiden, inmiddels uitvoerig jegens u toegelicht geen vertrouwen meer in u te hebben.

Als gevolg van dit, inmiddels hoog opgelopen, conflict en het ontbreken van elk

onderling vertrouwen is verdere samenwerking inmiddels – hoe dan ook – onmogelijk.

(…)

Artikel 7A:1684 van het Burgerlijk Wetboek kent aan cliënten de wettelijke bevoegdheid toe om ontbinding van de maatschap ten opzichte van u in rechte te vorderen en hieraan een eis tot schadevergoeding te verbinden. Deze bevoegdheid is van dwingend recht.

(…)

Vanwege tekortkomingen uwerzijds is het volgens cliënten niet langer mogelijk om het maatschapscontract voort te zetten.

(…)

Op dit moment is het nog alleszins mogelijk dat u schadebeperkend handelt. In dit kader is het volgende van belang. Namens cliënten verzoek ik u, en voor zover nodig sommeer ik u, om BINNEN 2 DAGEN NA DAGTEKENING DEZES uw (thans nog resterende) werkzaamheden als maat in de ruimste zin des woords (dus géén behandelingen verrichten, géén cliëntencontact en géén externe contacten, etcetera) te staken en gestaakt te houden. Indien u geen gevolg geeft aan deze sommatie dan zien mijn cliënten zich genoodzaakt zulks in rechte af te dwingen op straffe van een dwangsom.

(…)

Naar het standpunt van cliënten zal in rechte met succes ontbinding van de maatschap ten opzichte van u kunnen worden gevorderd, met daarbij een schadevergoeding die voor uw rekening komt. Cliënten stellen u niettemin in de gelegenheid om in onderling overleg tot een ontbindingsovereenkomst met gesloten beurzen te komen. Cliënten zijn in dat geval bereid om af te zien van hun vordering tot schadevergoeding, daar een lange kostbare procedure voor partijen kan worden voorkomen.

2.4.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2017 heeft [naam 2] een revalidatiearts van het Maasstadziekenhuis onder meer het volgende bericht:

Onze collega die voornamelijk in Barendrecht werkt heeft sinds maart te kampen met priveomstandigheden en daaropvolgend tot op heden een burnout. Vanaf juni is dit naar voren gekomen en sinds die tijd zijn we bezig geweest met het nabellen en inplannen van de mensen. We hebben tevens een nieuwe collega aangenomen die ook veel heeft opgepakt.

In deze crisis situatie hebben we de situaties waarvan we wisten meteen opgelost maar helaas zijn er dus toch meer zaken niet goed gelopen hoor ik nu.

We zouden graag willen vernemen om welke mensen het gaat zodat we kunnen nazoeken wat er fout is gegaan. Kan je ons de namen wellicht aanleveren?

Met de nieuwe collega erbij zijn we weer op kracht en hopen we dat nieuwe nare situaties niet meer zullen ontstaan.

2.5.

Bij e-mailbericht van 13 oktober 2017 heeft [naam 1] een leverancier onder meer het volgende bericht:

We hebben van de zijlijn jouw emailverkeer met [naam 3] gelezen. Bedankt voor jullie uitleg over hoe de situatie is gegaan. Wij betreuren dat deze mail met deze inhoud naar [naam 4] is gestuurd. Wij ondersteunen deze klacht niet.

We hebben het vertrouwen in deze collega opgezegd.

2.6.

Bij e-mailbericht van 1 november 2017 heeft een fysiotherapeut van Fysiotherapie Oud-Beijerland [naam 2] onder meer het volgende bericht:

Naar aanleiding van ons gesprek in de wandelgangen over het arbeidsconflict binnen jullie maatschap mail ik je nu.

2.7.

Bij e-mailbericht van 2 november 2017 heeft een medewerker van de school waar

[naam 3] kinderen behandelt [naam 2] onder meer het volgende bericht:

Op donderdag 21 september jl. heb jij mij geïnformeerd over je zorgen over [naam 3] gezondheid: [naam 3] werkt momenteel op therapeutische basis omdat ze burn-out is. (…) Op een betrokken, integere manier heb je bovenstaande zorgen met mij gedeeld.

2.8.

In de notulen van een overleg (datum overleg niet bekend) van Paramedisch Centrum Gezond in Zuidwijk staat onder andere:

6. Rondvraag

(…)

Ergo: [naam 3] heeft een burnout, ziek sinds mei 2017. [naam 3] gaat uit de maatschap. [naam 5] gaat [naam 3] vervangen en er komt mogelijk nog een vervangster. Laten we naar elkaar kort benoemen áls er iets speelt privé of zakelijk, dan hoeven we geen excuus te maken over hoe dingen lopen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [naam gedaagde 1] te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis de praktijkuitoefening te staken en gestaakt te houden;

  2. [naam gedaagde 1] te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis het praktijkpand, onder afgifte van alle sleutels, te verlaten en verlaten te houden;

  3. [naam gedaagde 1] te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis aan hen af te geven haar digitale declaraties, inloggegevens Vecozo, haar visitekaartjes en alle dossiers van de behandelde en huidige patiënten,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [naam gedaagde 1] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[naam gedaagde 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] in hun vorderingen, dan wel afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling, hierna ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[naam eiseres 3] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] te verbieden zich (in)direct negatief te (doen) uitlaten over haar en hen te verbieden zich zonder haar toestemming uit te laten over privéaangelegenheden van haar;

  2. [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar weer toegang te geven tot het declaratieprogramma van de maatschap door de laptop van [naam gedaagde 2] ten minste één keer per week voor een dagdeel beschikbaar te stellen in het praktijkpand, onder afgifte van de benodigde inloggegevens, en de toegang tot het declaratieprogramma niet meer te belemmeren,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] in de proceskosten.

4.2.

[naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiseres 3] in haar vorderingen, dan wel afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [naam eiseres 3] in de proceskosten.

5 De beoordeling in conventie

Ten aanzien van het spoedeisend belang

5.1.

Het spoedeisend belang bij het gevorderde volgt uit de navolgende stellingen van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] .

Ten aanzien van het onder 1 gevorderde

5.2.

[naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] leggen aan de vordering strekkende tot staking door [naam gedaagde 1] van de praktijkuitoefening het volgende ten grondslag.

Door de tekortkomingen van [naam gedaagde 1] is het niet langer mogelijk om de maatschap voort te zetten. [naam gedaagde 1] brengt aan kwetsbare patiënten schade toe. Door de ernst van de klachten en doordat [naam gedaagde 1] constant onjuiste informatie verstrekt, is het vertrouwen in [naam gedaagde 1] verdwenen en is er een totaal onwerkbare situatie is ontstaan. Op grond van artikel 7A:1684 BW kan in een bodemprocedure ontbinding van de maatschap worden gevorderd. Van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] kan echter niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Van een voortzetting tot samenwerking in een maatschap terwijl die samenwerking onmogelijk is, valt slechts onheil te verwachten. De basis voor iedere verdere (collegiale) samenwerking is volledig weggevallen. Door het handelen/nalaten van [naam gedaagde 1] loopt de praktijk bovendien nog steeds schade op.

5.3.

[naam gedaagde 1] betwist dat sprake is (geweest) van tekortkomingen aan haar zijde. Enkele cliënten hebben in een korte periode iets langer moeten wachten op een reactie of afspraak door uitval in verband met een door haar opgelopen longontsteking en overbelastingsklachten, maar dat is inherent aan uitval van een maat. Ook de andere maten en de waarneemster hadden het toen druk en hebben in sommige gevallen langer gewacht met het oppakken van de casus, aldus [naam gedaagde 1] . Zij betwist dat zij patiënten en de praktijk schade heeft toegebracht en dat zij deze nog steeds schade toebrengt. Zij stelt dat de patiënten die op dit moment door haar worden behandeld zeer tevreden zijn. [naam gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat de vordering strekkende tot het treffen van een onmiddellijke voorziening moet worden afgewezen, omdat daartoe geen noodzaak bestaat. Partijen behandelen hun eigen patiënten en werken geheel zelfstandig, aldus [naam gedaagde 1] .

5.4.

Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen verklaringen van onder anderen de ouders van patiënten en uitdraaien van e-mailberichten en WhatsApp-berichten in het geding gebracht.

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de maatschapsovereenkomst alleen voorziet in de mogelijkheid tot opzegging, en niet in de mogelijkheid tot buitengerechtelijke ontbinding. Partijen zullen dus, als zij de maatschap willen ontbinden, in een bodemprocedure ontbinding van de maatschap moeten vorderen. De vraag die allereerst moet worden beantwoord, is of met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de bodemrechter, op de voet van artikel 7A:1684 BW, de maatschap wegens gewichtige redenen zal ontbinden. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het gegeven dat de verhoudingen tussen partijen ernstig verstoord zijn. [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven geen vertrouwen meer in [naam gedaagde 1] te hebben. [naam gedaagde 1] heeft op haar beurt te kennen gegeven dat haar vertrouwen in [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] is beschaamd, dat het ook wat haar betreft de vraag is of de maatschap moet blijven voortbestaan en dat zij overweegt een eigen praktijk te gaan voeren. Mediation heeft blijkbaar niet geleid tot beslechting van de tussen partijen bestaande geschillen.

5.6.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen, daarin bestaande dat [naam gedaagde 1] (vooruitlopend op de verwachte uitkomst van de bodemprocedure) haar werkzaamheden moet staken. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 254 Rv in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.

5.7.

[naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] hebben met betrekking tot hun belang bij de gevorderde voorziening aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat zij niet langer met [naam gedaagde 1] kunnen en willen samenwerken, dat van voortzetting van het handelen/nalaten van [naam gedaagde 1] binnen de maatschap slechts onheil valt te verwachten en dat patiënten en de praktijk door het handelen/nalaten van [naam gedaagde 1] schade oplopen.

5.8.

[naam gedaagde 1] heeft met betrekking tot haar belang bij het kunnen voortzetten van haar werkzaamheden aangevoerd dat zij, met het oog op de toekomst, haar goede naam moet beschermen en dat zij geen inkomsten genereert als zij haar werkzaamheden moet staken.

5.9.

[naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] stellen dat er vele klachten zijn binnengekomen over het handelen/nalaten van [naam gedaagde 1] en hebben die stelling uitvoerig onderbouwd. Wat er ook zij van de gegrondheid van de gestelde klachten, het betreffen geen klachten van patiënten die op dit moment door [naam gedaagde 1] worden behandeld. Dat van voortzetting door [naam gedaagde 1] van haar werkzaamheden slechts onheil valt te verwachten en dat [naam gedaagde 1] patiënten en de praktijk (nog steeds) schade toebrengt, kan mede in het licht van de betwisting hiervan door [naam gedaagde 1] , die stelt dat de patiënten die op dit moment door haar worden behandeld zeer tevreden zijn, in deze procedure in onvoldoende mate worden vastgesteld.

5.10.

Het belang van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] bij staking van de praktijkuitoefening door [naam gedaagde 1] , welk belang, gelet op het voorgaande, in belangrijke mate bestaat uit het niet langer met [naam gedaagde 1] hoeven samenwerken, weegt niet op tegen het gerechtvaardigde en voor zich sprekende belang van [naam gedaagde 1] bij voortzetting van haar praktijkuitoefening. Het feit dat partijen, zoals [naam gedaagde 1] stelt en door [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] niet is weersproken, hun eigen patiënten behandelen, geheel zelfstandig werken en – zoals op de zitting is gebleken – niet op dezelfde locatie werken, terwijl bovendien frequent functioneel contact niet noodzakelijk lijkt en er sprake is van een overgangsperiode nu het op termijn uit elkaar gaan van partijen in de rede ligt, is voor dat oordeel doorslaggevend.

5.11.

Het voorgaande betekent dat de vordering moet worden afgewezen.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 gevorderde

5.12.

Het voorgaande brengt mee dat het onder 2 en 3 gevorderde ook moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

5.13.

[naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde 1] worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.103,00

6 De beoordeling in reconventie

Ten aanzien van het onder 1 gevorderde

6.1.

Het spoedeisend belang bij het gevorderde volgt uit de stellingen van [naam eiseres 3] , die stelt dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] haar niet hebben verzekerd dat zij zich niet meer tegenover derden negatief zullen uitlaten over haar en geen mededelingen meer zullen doen aan derden over privéaangelegenheden van haar.

6.2.

[naam eiseres 3] legt aan haar vordering, die ertoe strekt dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] wordt verboden om zich (in)direct negatief uit te laten over [naam eiseres 3] en zich zonder toestemming van [naam eiseres 3] uit te laten over privéaangelegenheden van [naam eiseres 3] , ten grondslag dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] zich te pas en te onpas negatief uitlaten over haar, als gevolg waarvan haar naam ernstig wordt beschadigd. Zij wordt in extern e-mailverkeer steeds aangewezen als de persoon die tekort geschoten is. Ook hebben [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] zonder toestemming van haar aan derden mededelingen gedaan over privéaangelegenheden van haar, aldus [naam eiseres 3] .

6.3.

[naam eiseres 3] heeft nagelaten de rechtsgronden van haar vordering te benoemen.

De voorzieningenrechter zal de rechtsgronden daarom, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 Rv, ambtshalve aanvullen. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [naam eiseres 3] aldus dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] onrechtmatig jegens haar handelen doordat zij een ongerechtvaardigde inbreuk maken op het in artikel 8 lid 1 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, daaronder begrepen bescherming van eer en goede naam.

6.4.

Dat, zoals [naam eiseres 3] onder verwijzing naar de door haar in het geding gebrachte notulen stelt, tijdens een overleg van Paramedisch Centrum Gezond in Zuidwijk is medegedeeld dat [naam eiseres 3] een burn-out heeft en uit de maatschap gaat wordt door [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] betwist. Zij stellen dat de notulist een fout heeft gemaakt en dat de notulen inmiddels zijn gecorrigeerd. Dat de notulist een fout heeft gemaakt, acht de voorzieningenrechter bij gebreke van een onderbouwing daarvan (in de vorm van overlegging van de gecorrigeerde notulen bijvoorbeeld) evenwel niet aannemelijk.

6.5.

[naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] betwisten niet dat zij aan een revalidatiearts van het Maasststadziekenhuis, een leverancier en Fysiotherapie Oud-Beijerland mededelingen hebben gedaan over [naam eiseres 3] . Ten aanzien van de e-mail aan de revalidatiearts, stellen [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] onweersproken dat zij de conceptversie voorafgaand aan verzending van de e-mail per WhatsApp aan [naam eiseres 3] hebben voorgelegd.

6.6.

[naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] erkennen dat zij aan de school waarvan leerlingen onder behandeling zijn van [naam eiseres 3] hebben medegedeeld dat [naam eiseres 3] een burn-out heeft. [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] stellen dit te hebben gedaan omdat [naam eiseres 3] , in weerwil van de door hen met haar gemaakte afspraak, de school niet zelf had ingelicht over haar toestand.

6.7.

Ten aanzien van de uitlatingen naar patiënten toe stellen [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] dat zij op onafhankelijke wijze een onderzoek hebben ingesteld naar aanleiding van klachten die waren binnengekomen.

6.8.

De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] aldus dat zij gebruik hebben gemaakt van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Sprake is dus van een botsing tussen twee fundamentele rechten. Het antwoord op de vraag welke van deze rechten, die gelijkwaardig zijn, in dit geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569).

6.9.

Vaststaat dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] aan derden mededelingen hebben gedaan over de burn-out van [naam eiseres 3] , de gevolgen die dit volgens hen heeft (gehad) voor de praktijk, en over het tussen hen ontstane conflict. [naam eiseres 3] erkent dat zij te kampen heeft (gehad) met een burn-out, en dat er patiënten zijn die als gevolg daarvan iets langer hebben moeten wachten op behandeling. [naam eiseres 3] betwist niet dat binnen de maatschap sprake is van een conflict, noch dat [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] het vertrouwen in haar hebben opgezegd. [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] stellen onder verwijzing naar een door hen in het geding gebrachte e-mail van een medewerker van de school dat zij de school op een betrokken, integere manier hebben ingelicht over de toestand van [naam eiseres 3] . [naam eiseres 3] heeft dat niet weersproken. Gesteld noch gebleken is dat de mededingen zijn gedaan met de bedoeling de reputatie van [naam eiseres 3] te schaden, noch dat de uitlatingen in grievende termen zijn vervat.

6.10.

Onder die omstandigheden weegt, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, het recht van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] op vrijheid van meningsuiting, en daarmee hun belang bij het kunnen informeren van derden over de uitval van [naam eiseres 3] en de ontstane problemen, zwaarder dan het recht van [naam eiseres 3] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en is geen sprake van onrechtmatig handelen aan de kant van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] . Dat betekent dat de vordering moet worden afgewezen.

Ten aanzien van het onder 2 gevorderde

6.11.

[naam eiseres 3] legt aan haar vordering strekkende tot veroordeling van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] om haar weer toegang te geven tot het declaratieprogramma van de maatschap door de laptop van [naam gedaagde 2] ten minste één keer per week voor een dagdeel beschikbaar te stellen in het praktijkpand, onder afgifte van de benodigde inloggegevens, en de toegang tot het declaratieprogramma niet meer te belemmeren, het volgende ten grondslag. De afspraak tussen de maten is dat [naam gedaagde 2] de laptop op verzoek beschikbaar stelt aan de andere maten om te kunnen declareren. Zonder deugdelijke reden wenst [naam gedaagde 2] niet langer de laptop aan [naam eiseres 3] beschikbaar te stellen. Hierdoor kan zij haar declaraties niet indienen en heeft zij geen inkomsten.

6.12.

[naam gedaagde 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij haar laptop niet meer ter beschikking wil stellen aan [naam eiseres 3] omdat zij geen vertrouwen meer in haar heeft. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat [naam eiseres 3] en [naam gedaagde 2] elke vrijdag, in het praktijkpand, samen haar declaraties zullen verwerken in het (op de laptop van [naam gedaagde 2] staande) declaratieprogramma. In het licht van die afspraak, heeft [naam eiseres 3] onvoldoende (spoedeisend) belang bij het gevorderde. Dat [naam gedaagde 2] , zoals [naam eiseres 3] stelt, de gemaakte afspraken na de zitting eenzijdig heeft gewijzigd waardoor [naam eiseres 3] niet zelf haar declaraties mag invoeren en [naam gedaagde 3] ook aanwezig is bij het declareren, maakt dat oordeel niet anders. Ook onder die omstandigheden kan [naam eiseres 3] haar declaraties indienen, en erop toezien dat dit correct gebeurt. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

6.13.

[naam eiseres 3] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde 1] tot op heden begroot op € 1.103,00,

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4.

wijst de vorderingen af,

7.5.

veroordeelt [naam eiseres 3] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] tot op heden begroot op € 408,00,

7.6.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2018.2885/676