Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3661

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
10/996575-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fraude. Medeplegen van (poging tot) oplichting van Rabobank en BMW. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bij strafoplegging is rekening gehouden met het (dreigende) benadelingsbedrag. Gedeeltelijk toewijzing vordering benadeelde partij BMW, hoofdelijk, geen schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 10/996575-17 (Promis)

Datum uitspraak: 26 april 2018

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. van de Kerkhof en de raadsman van verdachte mr. G.S.J. van Gestel naar voren hebben gebracht.

Verdachte is niet verschenen en de raadsman was gemachtigd haar te vertegenwoordigen.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich:

1. in de periode van 30 november 2016 tot en met 13 december 2016 schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van een poging tot oplichting van Rabobank;

2. in de periode van 19 december 2016 tot en met 10 februari 2017 schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot oplichting van de Rabobank en het medeplegen van oplichting van BMW.

Ten aanzien van de oplichting van de Rabobank is de kredietaanvraag ingediend ten behoeve van [naam bedrijf 3] , welk bedrijf op naam staat van verdachte. Getuige [naam getuige 1] verklaart dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] bij het gesprek aanwezig waren. Zij heeft de signalementen van verdachten opgegeven en herkent hen ook op aan haar getoonde foto’s. De getuige heeft tijdens het gesprek een paspoort en rijbewijs van verdachte in ontvangst genomen en daar ook een scan van gemaakt. De aan de Rabobank overgelegde stukken, waaronder de aangifte inkomstenbelasting van verdachte, blijken onjuist en vals. De overhandigde samenstellingsverklaring van [naam bedrijf 3] staat op naam van [naam accountantskantoor] en de medeverdachte heeft zich in strijd met de waarheid uitgegeven als medewerker van [naam accountantskantoor] en gaf aan dat [naam bedrijf 3] een klant bij hen was. De verdachten hebben daarnaast in het gesprek met de Rabobank onwaarheden naar voren gebracht om de kredietaanvraag te onderbouwen, in het bijzonder de verklaring van verdachte met betrekking tot werkzaamheden bij V&D, hetgeen met een valse aanduiding in de aangifte inkomstenbelasting is geprobeerd te ondersteunen.
Ten aanzien van de oplichting van BMW heeft de medeverdachte zich eveneens voorgedaan als [naam 1] van [naam accountantskantoor] en samen met verdachte twee leasecontracten afgesloten op naam van [naam bedrijf 4] . Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij contact heeft gehad met een persoon die zich voordeed als [naam 1] en verdachte. [naam 1] is met verdachte en [naam 2] langsgekomen om de leasecontracten te ondertekenen. In het gesprek met [naam 1] en verdachte werd gezegd dat zij een groothandel hadden in sportkleding. Getuige [naam getuige 2] heeft de medeverdachte herkend als de persoon die zich voordeed als [naam 1] en verklaart ook dat hij de auto’s heeft opgehaald. De BMW X5 met kenteken [kentekennummer 1] is in de parkeergarage van de medeverdachte aangetroffen en in zijn woning lagen de sleutels en kentekenbewijzen van beide voertuigen. Op de laptop die in de woning van de medeverdachte is aangetroffen zijn vervolgens meerdere stukken aangetroffen die zijn te herleiden naar de overeenkomsten met BMW. Bij BMW waren contactgegevens van de verdachten bekend, waaronder het telefoonnummer van verdachte en de medeverdachte, alsmede een bankrekeningnummer waarop een korting is gestort en die op naam van de medeverdachte staat.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot oplichting van de Rabobank en het medeplegen van oplichting van BMW.

De betrokkenheid van verdachte bij de poging tot medeplegen van oplichting van de Rabobank wordt grotendeels gebaseerd op de verklaring van getuigen [naam getuige 1] . Het klopt dat verdachte samen met haar accountant op gesprek is geweest bij de Rabobank voor een kredietaanvraag. Verdachte is zich inhoudelijk echter niet bewust geweest van de stukken die haar accountant heeft opgesteld en overhandigd. Verdachte kon dus niet weten of vermoeden dat de stukken vals waren. De enige rol die verdachte heeft vervuld is het geven van een presentatie over haar bedrijfsactiviteiten om een geldlening voor haar bedrijf te kunnen verkrijgen. Wat zij tijdens het gesprek heeft gezegd is daarmee onschuldig en niet bedoeld om de Rabobank op te lichten. Voor oplichting is vereist dat middels de in de wet opgenomen oplichtingsmiddelen is gepoogd om Rabobank te bewegen tot afgifte van 500.000 euro. Aan voornoemde vereiste wordt niet voldaan nu er van de zijde van verdachte geen sprake is van de inzet van één van de in wet opgenomen oplichtingsmiddelen. De kredietaanvraag is ondersteund met valse stukken waar verdachte geen weet van had. Dat wordt ondersteund nu er bij verdachte – in tegenstelling tot bij de medeverdachte – geen valse stukken zijn aangetroffen die te herleiden zijn naar de kredietaanvraag bij de Rabobank. Gelet op die omstandigheden en de bijdrage van verdachte een het gesprek voor de kredietaanvraag, is er geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking met betrekking tot de poging tot oplichting van de Rabobank.
Ten aanzien van het medeplegen van oplichting van BMW wijst slecht één bewijsmiddel, de getuigenverklaring van [naam getuige 2] , in de richting van verdachte. Dat is onvoldoende. Verdachte ontkent bij het gesprek met BMW aanwezig te zijn geweest en uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte de leaseovereenkomsten of machtigingen om voor de Holding te mogen tekenen heeft ondertekend. Eveneens blijkt uit het dossier niet dat verdachte gebruik zou maken van de BMW ’s X5. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel aanwezig is geweest bij het gesprek met BMW, dan is er geen sprake van medeplegen, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Over de bankrekening op naam van verdachte waar een kortingsbedrag op is gestort, had verdachte geen beschikking. De bankpas van deze rekening is ook niet bij verdachte, maar bij de medeverdachte in zijn auto aangetroffen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Partiele vrijspraak ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de raadsman van verdachte – niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van oplichting met betrekking tot de BMW X5 met kenteken [kentekennummer 2] . Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Het dossier bevat onvoldoende bewijs waaruit een bijdrage van verdachte bij de totstandkoming en afhandeling van de leaseovereenkomst voor de zwarte BMW X5 met kenteken [kentekennummer 2] blijkt. De leaseovereenkomst voor voornoemde auto is in het bijzijn van de medeverdachte ondertekend door [naam 2] . De auto is vervolgens – met behulp van een machtiging afgegeven op naam van [naam 2] – opgehaald door de medeverdachte. De autosleutel en het kentekenbewijs van de auto zijn vervolgens in de woning van de medeverdachte aangetroffen. De wetenschap en betrokkenheid van verdachte bij de handelingen met betrekking tot de BMW X5 met kenteken [kentekennummer 2] zijn daarmee niet vast te stellen.

4.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1

Poging tot oplichting van de Rabobank (feit 1)

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat op 12 december 2016 de vestiging van Rabobank aan de [adres] in Den Haag is bezocht door verdachte en haar accountant ten behoeve van een kredietaanvraag van 500.000 euro namens [naam bedrijf 3]2 Tijdens het bezoek zijn door de accountant bescheiden aan de Rabobank overhandigd, te weten een door verdachte ondertekende aanvraag investeringskrediet van 9 december 2016, een aangifte inkomstenbelasting 2015 van verdachte en een door [naam 1] ondertekende samenstellingsverklaring van 8 december 2016 van [naam accountantskantoor] aangaande de jaarstukken van [naam bedrijf 3] over 2015 tot en met 1 december 2016.3 [naam getuige 1] heeft de accountant herkend als de medeverdachte [naam medeverdachte] .4 Op 20 februari 2017 heeft er een doorzoeking van de woning van medeverdachte [naam medeverdachte] plaatsgevonden waarbij kopieën van voornoemde (niet ondertekende) kredietaanvraag, de aangifte inkomstenbelasting en de samenstellingsverklaring zijn aangetroffen.5 [naam getuige 1] heeft daarnaast verklaard dat verdachte tijdens het gesprek over de kredietaanvraag gesproken heeft over het bedrijf [naam bedrijf 5] dat zij had opgericht. Zij gaf aan dat het een grote onderneming was en dat het aantal werknemers dat in de KvK stond niet klopte. Ze vertelde dat zij werknemers meegenomen had van de V&D. Zij vertelde dat zij een arbeidsverleden heeft bij V&D en daar heeft gewerkt in de inkoop.6 Op de aan de Rabobank overhandigde aangifte inkomstenbelasting staat ook inkomen uit loondienst bij Vendex Holding vermeld.7 Bij de Belastingdienst is er geen dienstbetrekking van verdachte bij Vendex holding bekend.8 De volgende dag komt [naam getuige 1] er achter dat [naam bedrijf 5] een andere CEO had en door iemand anders was opgericht en dat verdachte de aandelen pas in 2016 had verworven. Dit klopte niet met haar aangifte inkomstenbelasting waarin staat dat zij al eerder inkomen uit de B.V. had gehad. Ook zag hij op LinkedIn dat verdachte werkzaam was bij een sportbedrijf in Leiden, dit kwam niet overeen met de door verdachte verstrekte informatie. 9 Na onderzoek komt [naam getuige 1] er achter dat het nummer van [naam accountantskantoor] op de door de accountant overgelegde samenstellingsverklaring niet juist is, en nadat het echte nummer van het accountantskantoor is achterhaald blijkt dat [naam bedrijf 3] daar geen klant is.10 Getuige [naam getuige 3] verklaart dat de Belastingdienst contact heeft opgenomen met [naam accountantskantoor] en te horen kreeg dat er geen [naam 1] bij hen werkzaam is en ook niet staat ingeschreven in het register voor accountants.11

Medeplegen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van medeplegen.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van medeplegen, stelt de rechtbank voorop dat voor medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. De Hoge Raad heeft in haar overzichtsarrest van 16 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3637) geoordeeld dat de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, een rol spelen bij de invulling van de vraag of er sprake is van medeplegen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met de medeverdachte op 12 december 2016 naar de Rabobank is gegaan om een kredietverstrekking van 500.000 euro aan te vragen. De kredietovereenkomst is door verdachte ondertekend. De medeverdachte heeft zich daarbij in strijd met de waarheid voorgedaan als accountant van [naam accountantskantoor] , waar [naam bedrijf 3] klant zou zijn. Verdachte heeft ter onderbouwing van het verkrijgen van het krediet verteld waarom [naam bedrijf 3] het geldbedrag wilde lenen en wat de bedrijfsactiviteiten en haar eigen arbeidsachtergrond waren. Daarbij heeft verdachte onder andere aangevoerd dat zij werkzaam is geweest bij de V&D. Dat was ook op de door de medeverdachte aan de Rabobank overhandigde aangifte inkomstenbelasting vermeld. Naderhand is gebleken dat er geen inkomen uit arbeid bij V&D bekend waren bij de Belastingdienst. Ook informatie over haar eigen bedrijf [naam bedrijf 5] bleek niet te kloppen. Verdachte heeft daarmee met haar verbale uitleg, ondersteund door schriftelijk stukken, bij de uitvoering van het delict een wezenlijke materiële bijdrage geleverd om te zorgen dat de Rabobank zou worden bewogen tot afgifte van het geldbedrag. Daarmee is er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. De rechtbank verwerpt het verweer.

Oplichtingsmiddelen

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er (van de zijde van de verdachte) geen sprake is van oplichtingsmiddelen.

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier vast dat de door verdachte ondertekende kredietaanvraag bij de Rabobank is ondersteund door meerdere op voorhand opgemaakte valse stukken, onder andere een onjuiste aangifte inkomstenbelasting 2015 op naam van verdachte en een samenstellingsverklaring van [naam bedrijf 3] opgemaakt door [naam accountantskantoor] . De medeverdachte heeft zich tijdens het gesprek voorgedaan als een medewerker van [naam accountantskantoor] en verdachte heeft in strijd met de waarheid uitgelegd wat de bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf 3] en haar arbeidsverleden waren. Alle handelingen zijn verricht om de kredietvraag te onderbouwen en te doen slagen.

Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels bij de Rabobank een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, waardoor is gepoogd de Rabobank te bewegen tot de afgifte van een groot geldbedrag. De rechtbank acht daarmee een in de wet opgenomen oplichtingsmiddel aanwezig en verwerpt het verweer van de raadsman.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot oplichting van de Rabobank.

Oplichting van BMW (feit 2)

Getuige [naam getuige 2] van [naam bedrijf 2] . heeft verklaard dat hij op 19 december 2016 door een persoon met de naam [naam 1] is gebeld, die hem heeft verzocht een aanvraag te doen bij [naam bedrijf 1] voor het leasen van een BMW X5. Vervolgens is ter bevestiging een e-mailbericht naar [naam getuige 2] verzonden vanaf het e-mailadres [naam e-mailadres] met onder andere als inhoud een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel van [naam bedrijf 4] ., een kopie van het paspoort van [naam 2] en het telefoonnummer [gsm-nummer 1] .12 Enkele dagen later kwamen [naam 1] en verdachte langs, waarna verdachte het leasecontract met nummer 738600, behorend bij kenteken [kentekennummer 1] , heeft ondertekend.13 In het gesprek met [naam getuige 2] heeft verdachte te kennen gegeven tekeningsbevoegd te zijn voor [naam bedrijf 4] en heeft zij verteld dat [naam bedrijf 4] . een bedrijf in sportkleding was.14 De BMX X5 met kenteken [kentekennummer 1] is 16 januari 2017 opgehaald door [naam 1] met behulp van een machtiging op naam van [naam 2] .15 In haar verhoor verklaart [naam 2] de machtiging voor het in ontvangst nemen van de auto niet te hebben ondertekend.16 Bij de financieringsaanvragen is verwezen naar valse stukken.17 [naam getuige 2] heeft tijdens zijn verhoor de medeverdachte [naam medeverdachte] herkend als de persoon die zich voordeed als [naam 1] .18 De sleutel en het kentekenbewijs van het voertuig zijn in de woning van de medeverdachte gevonden en de auto stond in de parkeergarage van de woning geparkeerd.19 In het kader van de leaseovereenkomst is door verdachte een voorloopauto gebruikt en de BMW dealer heeft in verband met schade ook contact opgenomen met verdachte op het telefoonnummer [gsm-nummer 2] , waarvan verdachte in haar verhoor bekend dat dat telefoonnummer bij haar in gebruik is.20 Op een door [naam bedrijf 4] . aan [naam bedrijf 2] . verstrekte factuur is een korting verleend die door BMW is overgemaakt naar een bankrekening van Triodos op naam van verdachte.21

Medeplegen

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van medeplegen.

De rechtbank verwijst naar haar eerdere overweging met betrekking tot het medeplegen, waarin de door de Hoge Raad vereiste voorwaarden reeds zijn opgesomd. Vastgesteld kan worden dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de leaseovereenkomst onder nummer 738600. Dit baseert de rechtbank op de getuigenverklaring van [naam getuige 2] . Verdachte is daarbij met de medeverdachte bij de BMW garage langsgegaan en heeft de leaseovereenkomst met 738600 ondertekend en tijdens het gesprek in strijd met de waarheid verklaard over bedrijfsactiviteiten die niet door de [naam bedrijf 4] . werden gevoerd. De medeverdachte heeft valse stukken ingebracht en zich voorafgaand en tijdens het gesprek voorgedaan als [naam 1] , waarvan verdachte wist dat dat in strijd met de waarheid was. Daarnaast heeft verdachte onrechtmatig te kennen gegeven tekeningsbevoegd te zijn voor [naam bedrijf 4] . Uit het dossier blijkt ook dat de korting voor de auto op haar bankrekening is overgemaakt en zij gebruik heeft gemaakt van de voorloopauto en daarmee voordeel heeft genoten van de leaseovereenkomst met BMW. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte bewezen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van BMW, voor zover betrekking op de BMW X5 met kenteken [kentekennummer 1] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 30 november 2016 tot en met 13 december 2016 te Rotterdam en Den Haag,

ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een samenweefsel van verdichtsels,

medewerkers van de Rabobank, gelegen aan de [adres] in Den Haag, te bewegen tot de afgifte van 500.000 euro,

hebbende zij, verdachte en haar mededader, met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid onder meer:

- zich tegenover medewerkers van die Rabobank voorgedaan als de accountant van [naam bedrijf 3] , terwijl haar medeverdachte daartoe niet bevoegd was, en

- middels een kredietaanvraag d.d. 9 december 2016 (AMB-017) aan medewerkers van die Rabobank namens [naam bedrijf 3] verzocht om een geldlening van 500.000 euro, en

- ter onderbouwing van die aanvraag aan medewerkers van die Rabobank valse jaarrekeningen van de handelsonderneming [naam bedrijf 3] (DOC-024a), heeft doen toekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

in de periode van 19 december 2016 tot en met 10 februari 2017 te Gouda,

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam enen door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . heeft bewogen tot afgifte van een personenauto, te weten een BMW X5 met kenteken [kentekennummer 1] ,

immers hebben zij, verdachte en haar mededader valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – :

- bij medewerkers van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . zich voorgedaan als rechtsgeldige vertegenwoordigers van [naam bedrijf 4] ., en

- zich daarbij voorgedaan als [naam 1] en

- met [naam bedrijf 1] een operationele leaseovereenkomst afgesloten ten behoeve van genoemde auto, en

- daarbij als contactgegevens opgegeven [naam 1] en telefoonnummer [gsm-nummer 1] en emailadres [naam e-mailadres] en

- daarbij een uittreksel van [naam bedrijf 4] . uit het handelsregister van de KvK en een kopie paspoort van [naam 2] via voormeld e-mailadres toegezonden, en

- een door [naam verdachte] beweerdelijk namens [naam bedrijf 4] . ondertekend contract met [naam bedrijf 1] overgelegd, en

- een machtiging overgelegd met een door haar, verdachte, of haar mededader geplaatste handtekening " [naam 2] " voor het in ontvangst nemen van voornoemde auto door de heer [naam 1] ,

waardoor [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . werden

bewogen tot voornoemde afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring komt verzoekt de verdediging een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot medeplegen van oplichting van de Rabobank voor een bedrag van 500.000 euro en het medeplegen van oplichting van BMW met betrekking tot een BMW personenauto type X5. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij louter vanuit winstbejag heeft gehandeld zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen van haar handelswijze. Met haar handelen heeft zij immers bijgedragen aan het ontstaan van (financiële) schade en is het vertrouwen dat de Rabobank en BMW in klanten behoren te kunnen hebben, ondermijnd. Om die reden acht de rechtbank geen andere straf passend dan een gevangenisstraf.

De rechtbank zal bij de strafoplegging acht slaan op het oriëntatiepunt Fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het bepalen van het uitgangspunt voor een strafoplegging is volgens dit oriëntatiepunt het benadelingsbedrag leidend. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een poging de Rabobank voor een half miljoen euro op te lichten, en een geslaagde oplichting van [naam bedrijf 1] , die daardoor uiteindelijk een nadeel van circa € 33.500,- heeft geleden. Er is zodoende sprake van een daadwerkelijk benadelingsbedrag van circa € 33.500,- en een dreigend - maar niet verwezenlijkt - benadelingsbedrag van een half miljoen euro. Om het oriëntatiepunt toe te passen, moet de rechtbank het bedrag van dreigende benadeling “vertalen” in een benadelingsbedrag. De rechtbank zal, nu sprake is van een poging, uitgaan van twee derde van het dreigende benadelingsbedrag, te weten circa € 335.000,-. Daarmee komt het benadelingsbedrag waar de rechtbank mee zal rekenen op (circa € 33.500,.- plus circa € 335.000,-) € 370.000,-.

Volgens het LOVS-oriëntatiepunt Fraude hoort daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van 14 tot 15 maanden.

Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee de geraffineerde wijze waarop verdachte en de medeverdachte te werk zijn gegaan. Daarmee is op doortrapte wijze getracht om vertrouwen te wekken op grond waarvan (is geprobeerd) de slachtoffers tot afgifte van een fors geldbedrag/goederen te bewegen.

Als strafverminderende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat het op grond van het dossier naar voren komt dat de medeverdachte de initiator en uitvoerder is geweest van een groot deel van het overgrote deel van de handelingen die nodig waren om tot een geslaagde oplichting te kunnen komen. Alhoewel verdachte weerstand had moeten bieden aan het meewerken aan deze strafbare feiten, houdt de rechtbank rekening met deze omstandigheid. Eveneens speelt een rol dat niet is gebleken dat verdachte in zeer grote mate voordeel heeft verkregen uit de strafbare gedragingen.

De rechtbank merkt op dat uit het strafblad van verdachte van 14 maart 2018 blijkt dat zij in het verleden niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. In laatstgenoemde omstandigheid wordt aanleiding gezien om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Gelet op het voorgaande en nu de officier van justitie twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk heeft geëist, zal de rechtbank verdachte, nu de eis qua duur niet veel afwijkt van het uitgangspunt, conform de eis veroordelen. Dat betekent dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam benadeelde] vordert € 59.864,09 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voornoemde materiele schade bestaat uit de volgende schadeposten:
- € 24.774,81 ten aanzien van de BMW X5 met kenteken [kentekennummer 2] ;

- € 29.567,49 ten aanzien van de BMW X5 met kenteken [kentekennummer 1] ;

- € 2.521,79 ten aanzien van de voorloopauto;

- € 3.000,00 ten aanzien van arbeidsloon.

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gehele vordering, te weten het bedrag € 59.864,09 inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vervangen door 284 dagen hechtenis.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering is ingediend ten aanzien van strafbare feiten die zijn verricht vanuit [naam bedrijf 4] , een rechtspersoon waar verdachte geen betrokkenheid bij heeft. Er is daarom geen sprake van schade die door verdachte vergoed dient te worden en de verdediging heeft tot vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank tot een ander oordeel komt is er sprake van een onevenredige belasting van het strafproces, wanneer de hoogte van schadeposten daadwerkelijk moet worden vastgesteld.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [naam benadeelde] tot de volgende beslissingen.

De benadeelde partij zal in de vordering, voor zover betrekking op de schadepost voor de BMW X5 met kenteken [kentekennummer 2] (€ 24.774,81) en de helft van de arbeidskosten (€ 1.500,-), niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte voor dat onderdeel partieel is vrijgesproken.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het overige deel van het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is – los van de enkele opmerking dat het een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert – op inhoudelijke gronden niet betwist. Het resterende deel van de gevorderde schadevergoeding, inhoudende € 33.589,32, komt de rechtbank echter niet onrechtmatig of ongegrond voor, is goed onderbouwd en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2017.

Hoofdelijkheid

De rechtbank acht zowel verdachte als de medeverdachte aansprakelijk voor de toegewezen en door de benadeelde partij geleden schade. De toewijzing van schadevergoeding zal daarom hoofdelijk worden opgelegd, zodat verdachte wordt bevrijd van deze verplichting als de medeverdachte betaald.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 33.589,28 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Het toegewezen bedrag zal hoofdelijk worden opgelegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De schadevergoedingsmaatregel is een zelfstandige strafrechtelijk maatregel die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde te versterken in zijn positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zoveel mogelijk uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van het openbaar ministerie (de Staat). Nu de benadeelde in de onderhavige zaak evenwel een kapitaalkrachtig bedrijf betreft, verhoudt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zich niet met het voormeld doel van die maatregel. Om die reden zal de schadevergoedingsmaatregel niet aan de verdachte worden opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14, 14c, 45, 47, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van poging tot oplichting;

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [naam benadeelde] gedeeltelijk toe tot € 33.589,28 (achtentwintigduizend zevenhonderdzesennegentig euro en zestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam benadeelde] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. N.A.J. Purcell en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2018.

Bijlage I

Tenlastelegging [naam verdachte]

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 november 2016 tot en met 13 december 2016 te Rotterdam en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

een of medewerker(s) van de Rabobank, gelegen aan de [adres] in Den Haag, te bewegen tot de afgifte van 500.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, in elk geval van enig goed,

hebbende zij, verdachte en/of haar mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (onder meer):

- zich tegenover (een of meer medewerker(s) van) die Rabobank voorgedaan als/uitgegeven voor de accountant van [naam bedrijf 3] , terwijl haar medeverdachte daartoe niet bevoegd was, en/of als de heer [naam 3] , in dienst van [naam bedrijf 3] en/of

- ( middels een kredietaanvraag d.d. 9 december 2016 (AMB-017)) aan (een of meer medewerker(s) van) die Rabobank namens [naam bedrijf 3] verzocht om een geldlening (van 500.000 euro), althans om ter beschikking stellen van (een) geldbedrag(en) aan [naam bedrijf 3] , en/of

- ( daarbij/ter onderbouwing van dat verzoek/die aanvraag) aan (een of meer medewerker(s) van) die Rabobank een of meer (valse) jaarrekening(en) van de handelsonderneming [naam bedrijf 3] (DOC-024a), althans documenten bevattende onjuiste informatie, doen toekomen aan een of meer voornoemde medewerker(s),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in of omstreeks de periode van 19 december 2016 tot en met 10 februari 2017 te Gouda, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/ of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] . heeft bewogen tot afgifte van (telkens) een of meer personenauto's (te weten een BMW X5 met kenteken [kentekennummer 2] en/ of een BMW X5 met kenteken [kentekennummer 1] ),

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid –zakelijk weergegeven - :

- jegens/bij ((een)medewerker(s) van) [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] . zich voorgedaan als rechtsgeldige vertegenwoordiger(s) van [naam bedrijf 4] ., en/of

- zich daarbij voorgedaan als [naam 1] en/of

- ( met [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] .) een operationele leaseovereenkomst afgesloten (ten behoeve van genoemde auto's), en/of

- daarbij als (vaste) contactgegevens opgegeven [naam 1] en/of telefoonnummer [gsm-nummer 1] en/of emailadres [naam e-mailadres] en/of

- daarbij een uittreksel van [naam bedrijf 4] . uit het handelsregister van de KvK en/of een kopie paspoort van [naam 2] via voormeld e-mailadres toegezonden/overgelegd, en/of

- een of meer (door [naam verdachte] ) (beweerdelijk namens [naam bedrijf 4] .) ondertekende contract(en) met [naam bedrijf 1] overgelegd,

en/of

- een machtiging overgelegd met (een door haar, verdachte, en/of haar mededader(s) geplaatste) handtekening " [naam 2] " voor het in ontvangst nemen van voornoemde auto('s) door de heer [naam 1] ,

waardoor [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] . werd(en)

bewogen tot voornoemde afgifte(n).

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de het dossier.

2 G-004-01, p. 156.

3 AMB-017, p. 308; DOC-024a, p. 520 e.v.

4 G-004-01, p. 158; DOC-001, p. 371.

5 AMB-017, p. 306, DOC-024, p. 499 e.v.

6 G-004-01, p. 157.

7 DOC-024a, p. 544 e.v.

8 OPV, p. 42-43.

9 G-004-01, p. 158

10 G-044-01, p.158.

11 G-001-01, p. 145

12 G-003-01, p. 154

13 G-003-01, p. 154; AMB-022, p. 319; DOC-042, p. 655 e.v.

14 G-003-01, p. 154

15 G-003-01, p. 154; DOC-022, p, 497; DOC-023, p. 498

16 V-004-01, p. 135

17 AMB-016, p. 304; AMB-020, p. 315; AMB-023, p. 321

18 G-003-01, p. 155; DOC-001, p. 371

19 AMB-016, p. 302 e.v.

20 G-003-01, p.154; V-002-01, p.104

21 DOC-021, p. 496; DOC-056, p. 725