Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3574

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
549061 / HA RK 18-393
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Voor het afwijzen van een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis wordt veelal gebruik gemaakt van een standaardmotivering. Hoewel een uitvoerigere motivering van de afwijzende beslissing aangaande de ernstige bezwaren op 19 april 2018 wellicht denkbaar was, gelet op de stand van de procedure en het (herhaalde) verzoek van verzoeker daartoe, levert het achterwege blijven daarvan geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Voor zover het verzoek tot wraking (mede) is gegrond op het gebrek aan motivering van de beslissing tot afwijzing van het namens de verdachte gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, mist het verzoek feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer: 549061

Rekestnummer: HA RK 18-393

Parketnummer 10-960332-16

Beslissing van 1 mei 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. B. Th. Nooitgedagt.

strekkende tot wraking van:

mrs. J. van der Groen, dr. J.L.M. Boek en A. van Luijck, rechters in de rechtbank Rotterdam, team 1 (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 19 april 2018 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak. De strafzaak draagt als parketnummer 10-960332-16.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de advocaat van verzoeker wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek;

- de het processen-verbaal van de terechtzittingen in de strafzaak van 4 mei 2017, 27 juli 2017, 24 oktober 2017, 19 januari 2018 en 22 februari 2018.

Verzoeker en zijn advocaat, de officier van justitie, alsmede de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De voorzitter, mr. J. van der Groen, heeft namens de rechters van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 24 april 2018.

Ter zitting van 25 april 2018, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen verzoeker, de advocaat van verzoeker mr. Nooitgedagt, mr. J. van der Groen met griffier mr. J.A.N. Maat, en officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel. Mrs. J.L.M. Boek en A. van Luijck zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De advocaat van verzoeker heeft aan de hand van een pleitnota, die na de behandeling aan de griffier is toegezonden, zijn standpunt nader toegelicht. De officier van justitie en mr. Van der Groen hebben tevens hun standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk - weergegeven:

Ter terechtzitting van 19 april 2018 hebben de rechters het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte die zich al vijftien maanden in voorarrest bevindt, afgewezen. Het verzoek richt zich niet tegen die procesbeslissing als zodanig, maar tegen de omstandigheid dat die beslissing niet is gemotiveerd. De ampele mededeling dat de ernstige bezwaren in voldoende mate uit het dossier blijken, is

ontoereikend, zelfs zeer onbegrijpelijk en in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals

neergelegd in de artikelen 5 en 6 van het EVRM. Er is in deze zaak namelijk geen begin van bewijs waaruit blijkt dat de verdachte in Syrië heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Zeker nu de verdediging onder verwijzing naar de terechtzitting van 22 februari 2018 om een expliciete motivering had verzocht, had van de rechtbank mogen worden verwacht dat zij bij afwijzing van de verzoeken een concrete motivering van de ernstige bezwaren zou hebben gegeven. De rechtbank heeft echter, zoals ook op de eerdere zitting van 22 februari 2018 was gebeurd, volstaan met een algemene motivering waarin niet werd verwezen naar de concrete omstandigheden in het dossier.

Met name omdat de rechtbank, althans de voorzitter, het dossier reeds met het oog op de eerder geplande inhoudelijke behandeling op 22 februari 2018 ten gronde had bestudeerd is de ongemotiveerde beslissing ronduit onbegrijpelijk en dit brengt de begrijpelijke en gefundeerde vrees mee dat de rechtbank vooringenomen is.

De verdediging wijst in dit verband ook op een uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:10404). Ook in die zaak was de grond voor wraking gelegen in de summiere motivering van de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Weliswaar oordeelde de rechtbank in die zaak dat zich geen grond voor wraking had voorgedaan maar hierbij werd overwogen dat die beslissing in samenhang met eerdere uitvoeriger gemotiveerde beslissingen moet worden bezien.

In deze zaak is de vorige beslissing echter ook niet gemotiveerd.

Tot de vrees dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven draagt voorts bij dat de rechtbank met de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, kennelijk het standpunt inneemt dat de nationale wetgeving prevaleert boven de jurisprudentie van het Europese Hof. De rechtbank overwoog immers dat sprake moet zijn van concrete persoonlijke belangen die een schorsingsverzoek toewijsbaar kunnen maken. Daarmee miskent de rechtbank impliciet het algemene adagium van het hof dat de verdachte zijn berechting in beginsel in vrijheid moet kunnen afwachten en dat voorlopige hechtenis een uitzondering is die niet alleen kan worden gebaseerd op de ernst van het feit en het bestaan van de ernstige verdenking.

Verzocht wordt het verzoek gegrond te verklaren, in het belang van het aanzien van de strafrechtspleging en het vertrouwen van de verdachte in een eerlijk proces.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust. De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

De beslissing tot afwijzing van het verzoek opheffing voorlopige hechtenis was niet ongemotiveerd, maar algemeen gemotiveerd. Dat leidt niet tot de schijn van vooringenomenheid. Bij de beslissing van de rechtbank op 19 april 2018 zijn alle argumenten van de verdediging meegewogen in het kader van de toets van de ernstige bezwaren. Door voor wat betreft de ernstige bezwaren te verwijzen naar het dossier, is gemotiveerd dat de daarin neergelegde bezwaren, thans nog steeds voldoende zijn voor voortduren van de voorlopige hechtenis. Deze motivering is niet onbegrijpelijk.

Ten aanzien van het verzoek tot schorsing is gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden niet prevaleren boven het strafvorderlijk belang. Daarbij is erop gewezen dat geen bijzondere persoonlijke omstandigheden waren gesteld en heeft de rechtbank tevens gewezen op de weigerachtige houding van de verdachte ten aanzien van de reclassering en psychologisch en psychiatrisch onderzoek. De gemaakte afweging is niet als onredelijk en onbegrijpelijk aan te merken en ook hiermee heeft de rechtbank zich niet vooringenomen getoond.

In een uitspraak van de wrakingskamer (ECLI:NL:RBROT:2010:BO9898), heeft de wrakingskamer overwogen dat veelal gebruik wordt gemaakt van een standaard motivering, en ook al is door de verdediging met klem verzocht een beslissing omtrent de voorlopige hechtenis te motiveren, dit niet mee brengt dat de afwijzing van de opheffing dan wel schorsing met gebruikmaking van een standaardmotivering, een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek een verkapt appel is tegen een onwelgevallige beslissing. Ook merkt hij op dat wanneer de zitting van 22 februari 2018 zou worden meegenomen, er een reële verwachting was dat – nu het een gelijkblijvend dossier betreft – geen andere beslissing zou worden genomen omtrent de voorlopige hechtenis. Het kan daarom niet zo zijn dat die beslissing met eenzelfde motivering opeens onbegrijpelijk is, nu op 22 februari 2018 geen wrakingsverzoek is gedaan. Overigens is bij de afwijzing van het schorsingsverzoek gewezen op het feit dat er geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht zijn en de verdachte niet heeft meegewerkt aan onderzoeken.

3 De ontvankelijkheid van de verzoeken

De wrakingskamer acht de verzoeken tegen de rechters ontvankelijk, nu de rechters bij de verdere behandeling van de strafzaak tegen verzoeker in mei betrokken zijn en de aan de verzoeken ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan tijdens de zitting van 19 april 2018, waarop de wraking van verzoekers is verzocht.

4 De beoordeling

4.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

4.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn. Zulks is ook niet gesteld.

4.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

4.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor het afwijzen van een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis, veelal gebruik wordt gemaakt van een standaardmotivering. In dit geval is het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis op 19 april 2018 in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte afgewezen met de motivering dat de ernstige bezwaren en gronden (met name de 12-jaars grond) waarop de voorlopige hechtenis is gebaseerd nog in voldoende mate blijken uit het dossier waarbij voor wat betreft die 12-jaars grond is verwezen naar bepaalde jurisprudentie van het EHRM.

Hoewel een uitvoerigere motivering van de afwijzende beslissing aangaande de ernstige bezwaren op 19 april 2018 wellicht denkbaar was, gelet op de stand van de procedure en het (herhaalde) verzoek van verzoeker daartoe, levert het achterwege blijven daarvan geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Dit wordt niet anders doordat op 22 februari 2018 ook is volstaan met een algemene motivering. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 februari 2018 blijkt namelijk dat juist toen een uitvoerig debat is gevoerd op de zitting over de bevindingen uit het dossier die al dan niet wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten. Blijkens de beslissing van de rechtbank – hoewel algemeen gemotiveerd – is de rechtbank mee gegaan met de visie van de officier van justitie en tot de conclusie gekomen dat die bevindingen in het dossier voldoende ernstige bezwaren opleverden en de voortduring van de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd was.

Voor zover het verzoek tot wraking (mede) is gegrond op het gebrek aan motivering van de beslissing tot afwijzing van het namens de verdachte gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, mist het verzoek feitelijke grondslag. Bij de afwijzing van het verzoek tot schorsing is immers niet volstaan met een algemene motivering. De verdediging heeft betoogd dat de rechtbank een onjuist beslissingskader heeft gehanteerd dat in strijd is met het Europese recht. Processuele beslissingen van de rechter als deze – in de ogen van verzoeker onjuist – kunnen in beginsel niet leiden tot het oordeel dat de rechter partijdig is of de schijn van partijdigheid heeft opgeroepen; de beoordeling van de juistheid van die beslissingen behoort primair tot de bevoegdheid van de appèlrechter. Dit kan slechts anders zijn indien die beslissingen – gelet op alle omstandigheden van het geval – dermate onbegrijpelijk zijn, dat zij een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

4.5

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mrs. J. van der Groen, J.L.M. Boek en A. van Luijck.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. van der Kaaij, voorzitter, mr. J.A.M.J. Janssen -Timmermans en mr. W.J. Roos-van Toor, rechters, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker [naam verzoeker] en zijn raadsman mr. B. Th Nooitgedagt;

- rechters mrs. J. van der Groen, J.L.M. Boek en A. van Luijck;

- griffier mr. J.A.N. Maat;

- officier van justitie mr. A.M.F. Van Veghel.