Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
C/10/547044 / KG ZA 18-274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, exhibitie 843a Rv. Vordering afgewezen, omdat enerzijds onvoldoende aannemelijk is dat exhibitie ziet op bestaande bescheiden, en overigens bij gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/547044 / KG ZA 18-274

Vonnis in kort geding van 30 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN ROOSENDAAL TECHNISCH UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

eiseres,

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A. [bedrijf],

gevestigd te Gorinchem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AJW GROUP B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AJW TECHNISCH UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PAYTRA B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagden,

advocaat voor gedaagden sub 1 en 2: mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,

advocaat voor gedaagden sub 3 tot en met 5: mr. T.V. Haster te Dordrecht.

Eiseres wordt hierna VRTU genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 worden hierna respectievelijk [gedaagde] en [bedrijf] genoemd en gezamenlijk [gedaagden] Gedaagden sub 3 tot en met 5 worden hierna AJW Group, AJW-TU en Paytra genoemd, en gezamenlijk AJW c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 maart 2018, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de producties 1 tot en met 8 van [gedaagden]

  • -

    de producties 1 en 2 van AJW c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 16 april 2018;

  • -

    de pleitnota van VRTU;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] ;

  • -

    de pleitnota van AJW c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

VRTU exploiteert een uitzendbureau voor technisch personeel. Op grond van een tussen VRTU en [gedaagde] gesloten arbeidsovereenkomst is [gedaagde] van

27 september 2010 tot 30 september 2013 bij VRTU in dienst geweest als lascoördinator. In die functie onderhield [gedaagde] contact met medewerkers (uitzendkrachten) die door VRTU naar haar klanten werden uitgezonden.

2.2.

Nadat [gedaagde] zijn dienstverband met VRTU had beëindigd, is hij voor zichzelf begonnen. Hij heeft hiertoe op 3 september 2013 [bedrijf] opgericht. Op diezelfde datum heeft [bedrijf] samen met twee andere oprichters AJW Group opgericht, die op haar beurt AJW-TU heeft opgericht. AJW-TU exploiteert een uitzendbureau voor technisch personeel. Paytra is een payrollbedrijf waarvan AJW-TU diensten afneemt.

2.3.

In december 2015 heeft VRTU bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen gedaagden. In deze procedure met zaak-/rolnummer C/10/491486 / HA ZA 15-1269 (hierna: de bodemprocedure) vorderde VRTU onder meer een verklaring voor recht dat [gedaagde] tekortgeschoten is in zijn (geheimhoudings)verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en dat [gedaagden] en AJW c.s. onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de daardoor door VRTU geleden schade. Aan deze vordering heeft VRTU – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een database met daarin namen, adressen en mobiele nummers van technisch geschoolde medewerkers heeft gekopieerd en deze na het einde van zijn dienstverband ter beschikking van zijn medegedaagden heeft gesteld.

2.4.

In de bodemprocedure heeft VRTU een onderzoeksrapport van onderzoeksbureau Digital Investigations (hierna: DI) overgelegd, waarin DI aan de hand van een door VRTU aangeleverd bronbestand onderzoek heeft gedaan naar bij gedaagden aangetroffen databestanden.

2.5.

Bij eindvonnis van 17 januari 2018 heeft deze rechtbank [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door VRTU als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagden] geleden en nog te lijden schade, te vereffenen volgens de wet. In 2.8, 2.9, 2.14, 2.16, 2.18 en 2.19 van dit vonnis heeft de rechtbank voor zover hier van belang het volgende overwogen:

2.8. Uit het onderzoeksrapport volgt dat op de computer van de partner van [gedaagden] , op twee verschillende plaatsen, een database met werknemers (back up home) is aangetroffen met 2071 rijen, waarvan 1958 rijen identiek zijn aan het door VRTU aangeleverde bestand. Uit dit rapport volgt voorts dat als onderdeel van de UBplus database van Paytra, gefilterd op vestiging AJ, een database met werknemers (werknemers ajw 25-11-15) is aangetroffen met 2253 rijen, waarvan er 2065 overeenkomen met het document back up home.

2.9.

Op grond van deze conclusies in het onderzoeksrapport acht de rechtbank de stelling van VRTU dat [gedaagde] een door VRTU opgebouwde database heeft gekopieerd en meegenomen en in handen van derden (in elk geval Paytra) heeft laten komen voldoende onderbouwd.

(...)

2.14.

Doordat [gedaagde] zonder toestemming een door VRTU opgebouwde database met medewerkers en kandidaten heeft gekopieerd en meegenomen, kennelijk om deze te gebruiken om medewerkers en kandidaten te benaderen, en deze databases in handen van derden (in elk geval Paytra) heeft laten komen, heeft hij onrechtmatig jegens VRTU gehandeld. Immers heeft hij een inbreuk gemaakt op een recht van VRTU, althans heeft hij in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die onrechtmatige daad kan hem ook worden toegerekend. Deze is immers te wijten aan zijn schuld.

(...)

2.16.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden, waarbij geldt dat alle vennootschappen nauw met elkaar zijn verweven en [gedaagde] ten tijde van zijn onrechtmatige gedraging een belangrijke rol had binnen deze structuur van vennootschappen die gezamenlijk als uitzendbureau opereren ten behoeve waarvan [gedaagde] de database heeft gekopieerd en meegenomen, de onrechtmatige gedraging van [gedaagde] als gedraging van de vennootschappen worden aangemerkt. Dat de vennootschappen ook daadwerkelijk de beschikking hebben gehad over de database leidt de rechtbank af uit het onderzoekrapport en de gestelde en niet betwiste benaderingen van uitzendkrachten uit de database door “AJW Uitzendbureau”.

(...)

2.18.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] door het meenemen en kopiëren van een door VRTU opgebouwd bestand en het aan derden ter beschikking stellen daarvan onrechtmatig jegens VRTU heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die VRTU dientengevolge lijdt. (...)

2.19.

[gedaagden] (voorzieningenrechter: gedaagden) zijn verplicht de schade die VRTU lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagden] te vergoeden. VRTU heeft vergoeding van schade op te maken bij staat gevorderd. Voor toewijzing van deze vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

VRTU heeft daartoe onder meer gesteld dat zij schade heeft geleden doordat bedrijfsgeheime informatie in handen van derden is gekomen. Verder bestaat haar schade uit omzetderving omdat haar personeelsbestand van actieve medewerkers onder de 150 is gezakt en [gedaagden] medewerkers hebben gecontracteerd die voorheen bij VRTU werkzaam waren. De rechtbank acht dit voldoende voor het aannemen van de mogelijkheid van schade en zal de vordering daarom toewijzen. In de schadestaatprocedure kan aan de orde komen in hoeverre de database van VRTU uniek is en in hoeverre het onrechtmatig handelen van [gedaagden] dienaangaande tot schade voor VRTU heeft geleid.

2.6.

Tegen dit vonnis hebben [gedaagden] en AJW c.s. hoger beroep ingesteld.

De schadestaatprocedure is nog niet aanhangig gemaakt.

2.7.

Met het doel op de door haar geleden schade te begroten heeft VRTU adviesbureau Hermes Advisory (hierna: Hermes) ingeschakeld. Bij brieven van 13 februari 2018 heeft Hermes gedaagden verzocht om met betrekking tot de ondernemingen van [gedaagde] de volgende informatie te verschaffen:

  1. jaarrekeningen over de jaren 2013 tot en met 2017;

  2. VPB-aanslagen over de jaren 2013 tot en met 2016;

  3. OB-aangiftes over 2017;

  4. een overzicht van personen uit het VRTU-bestand die in de jaren 2013 tot en met 2017 voor de ondernemingen van [gedaagde] hebben gewerkt;

  5. een overzicht van opdrachtgevers uit het VRTU-bestand waarvoor de ondernemingen van [gedaagde] in voormelde jaren hebben gewerkt (mensen hebben uitgezonden);

  6. een overzicht per jaar over 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 tot heden met daarin per opdrachtgever de personen uit het VRTU-bestand en het aantal uren dat deze personen voor de betreffende opdrachtgever(s) hebben gewerkt.

2.8.

[gedaagden] en AJW c.s. hebben geweigerd om de verzochte informatie te verschaffen.

3 Het geschil

3.1.

VRTU vordert – samengevat – [gedaagden] en AJW c.s. te veroordelen aan VRTU inzage te verschaffen c.q. afschrift/uittreksel te verschaffen van de in de dagvaarding (zie 2.7) vermelde gegevens, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagden] en AJW c.s. in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering legt VRTU het volgende ten grondslag.

Het is evident dat VRTU schade heeft geleden ten gevolge van het in het vonnis vastgestelde onrechtmatig handelen van VRTU en AJW c.s. VRTU heeft de medewerkers uit haar bestand niet kunnen uitzenden, omdat deze al door gedaagden waren uitgezonden.

Het betreft onder meer de personen vermeld in productie 7 van VRTU, van wie VRTU weet dat zij benaderd zijn door en/of gewerkt hebben voor AJW-TU. Voorts waren de medewerkers [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , en [persoon 4] voorheen werkzaam voor VRTU, terwijl zij na het vertrek van [gedaagde] voor gedaagden hebben gewerkt. De schade van VRTU bestaat uit misgelopen inkomsten door de inzet door gedaagden van medewerkers uit het VRTU-bestand. Om deze schade – die VRTU schat op € 1.000.000,- à € 2.000.000,- – nader te begroten, en ter voorbereiding op de schadestaatprocedure, heeft VRTU belang bij de informatie zoals verzocht door Hermes. Het gaat hierbij om gegevens over

  • -

    uitzendkrachten die in de database van VRTU zijn opgenomen en die na het vertrek van [gedaagde] bij VRTU zijn uitgezonden;

  • -

    de omzet en winst behaald met inzet van deze krachten;

  • -

    jaarrekeningen en fiscale bescheiden om na te gaan of de verstrekte informatie volledig is.

Om haar liquiditeitsposite te verbeteren en te kunnen investeren, wenst VRTU de schadestaatprocedure zo snel mogelijk te starten. Aangezien gedaagden niet vrijwillig zijn overgegaan tot afgifte van deze informatie, heeft VRTU een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen op grond van artikel 843a Rv.

3.3.

[gedaagden] en AJW c.s. voeren gemotiveerd verweer.

3.3.1.

[gedaagden] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

VRTU heeft geen rechtmatig belang bij de gevorderde bedrijfsgevoelige informatie, aangezien het causaal verband tussen de onrechtmatig verkregen lijst en eventuele schade ontbreekt. Anders dan VRTU kennelijk meent, kan de omzet van [gedaagden] en AJW c.s. gegenereerd met de inzet van personen die voorkomen in het VRTU-bestand niet gelijkgesteld worden met de door VRTU gestelde schade. In de (technische) uitzendbranche is het gebruikelijk dat personen bij meerdere bureaus staan ingeschreven en dat zij werken voor verschillende opdrachtgevers. VRTU heeft geen medewerkers in dienst (fases B en C/3 en 4) en drie van de vier personen waarnaar VRTU in haar dagvaarding verwijst hebben verklaard dat zij voor meerdere opdrachtgevers werken en/of dat zij zelf ontslag hebben genomen bij VRTU.

Daar komt bij dat [gedaagde] , die voor zijn indiensttreding bij VRTU 22 jaar als lasser (en ook als voorman/uitvoerder) had gewerkt, een zeer uitgebreid netwerk heeft, waaruit hij kan en mag putten. Een alternatieve reden voor de gestelde omzetdaling van VRTU zijn de economische omstandigheden en het feit dat de eigenaar van VRTU nog een uitzendbureau heeft opgericht, dat concurreert met VRTU.

3.3.2.

AJW c.s. voert nagenoeg dezelfde verweren als [gedaagden] Daarnaast heeft zij nog het volgende aangevoerd.

De vordering van VRTU mist spoedeisend belang, aangezien uit niets blijkt dat zij in een financiële noodsituatie verkeert. Zij heeft evenmin aangetoond dat zij schade heeft geleden. VRTU heeft voorts geen rechtmatig belang, aangezien de rechter in de schadestaatprocedure zal bepalen welke bescheiden voor VRTU, mede gelet op haar bewijspositie, relevant zijn. De gevraagde informatie is bovendien zeer concurrentiegevoelig, zodat ook daarom geen reden bestaat om vooruitlopend op de schadestaatprocedure en zonder de daar geldende waarborgen, afgifte van die informatie te gelasten. De vordering in dit kort geding is een fishing expedition.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In het vonnis van 17 januari 2018 heeft de rechtbank gedaagden veroordeeld tot vergoeding van de schade die VRTU heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden, te weten het kopiëren van een door VRTU opgebouwd bestand en het aan derden ter beschikking stellen daarvan. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. In dit vonnis heeft de rechtbank (in 2.19) naar aanleiding van de stelling van VRTU met betrekking tot omzetdaling ten gevolge van het teruglopen van haar (actieve) personeelsbestand en haar stelling dat gedaagden medewerkers hebben gecontracteerd die voorheen voor VRTU werkzaam waren de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen in hoeverre de database van VRTU uniek is en in hoeverre het onrechtmatig handelen van gedaagden dienaangaande tot schade voor VRTU heeft geleid.

4.2.

Partijen hebben geen minnelijke regeling weten te treffen en in de (nog niet aanhangige) schadestaatprocedure dienen voorafgaand aan de begroting van de schade nog de nodige hobbels te worden genomen, onder meer ter zake van de uniciteit van het VRTU-bestand en het causaal verband. In dit kort geding moet worden beoordeeld of VRTU vooruitlopend op die schadestaatprocedure recht heeft op afgifte van de door haar verlangde bescheiden, zoals opgesomd in 2.7.

4.3.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan een partij die daarbij rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel verkrijgen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Op basis van deze bepaling gelden voor de toewijsbaarheid van een vordering tot afgifte de volgende drie cumulatieve vereisten:

  1. er moet sprake zijn van een rechtmatig belang;

  2. het moet gaan om bepaalde bescheiden, en

  3. er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking.

Wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan, moet de vordering tot afgifte op grond van lid 4 van voormelde bepaling desalniettemin worden afgewezen indien (1) daarvoor gewichtige redenen zijn of (2) redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.4.

Zoals is overwogen in het bodemvonnis is aannemelijk te achten dat VRTU door het inzetten van medewerkers uit het VRTU-bestand schade kan hebben geleden. VRTU heeft de daadwerkelijk door haar geleden schade tot op heden evenwel niet concreet gemaakt en ook niet onderbouwd waarom die schade volgens haar € 1.000.000,- à € 2.000.000,- zou bedragen. Zonder nadere toelichting – die VRTU niet heeft gegeven – valt niet in te zien dat haar schade gelijk te stellen is met de gehele daling van haar omzet en/of met de gehele door gedaagden met de inzet van medewerkers uit het VRTU-bestand gerealiseerde winst. Niet is immers uit te sluiten dat deze medewerkers ook zonder gebruikmaking van de onrechtmatig verkregen lijst zich (op enig moment) bij AJW-TU zouden hebben ingeschreven. VRTU heeft in dit verband ook niet weersproken dat een deel van deze medewerkers zich voorafgaand aan het dienstverband van [gedaagde] al in zijn netwerk bevond. Voorshands valt voorts ook niet in te zien waarom inzet van zo’n medewerker door AJW-TU bij een opdrachtgever die ook klant is van VRTU, zonder meer schade voor VRTU oplevert. Partijen opereren immers in dezelfde uitzendmarkt, waarin het – naar gedaagden onweersproken hebben gesteld – gebruikelijk is dat zowel uitzendkrachten als opdrachtgevers zich bedienen van meerdere uitzendbureaus. Evenmin valt in te zien waarom de betreffende medewerkers na hun werkzaamheden voor gedaagden niet ook opnieuw door VRTU konden worden ingezet. De intrede van een concurrerend uitzendbureau zal ook logischerwijs tot vermindering van de omzet van VRTU hebben geleid, zij het dat die daling zonder onrechtmatig gebruik van de lijst mogelijk minder scherp zou zijn geweest. De schade van VRTU die voor vergoeding in aanmerking komt, bestaat naar voorlopig oordeel uit gemiste inkomsten voor de inzet van medewerkers die met gebruikmaking van het VRTU-bestand in plaats van door VRTU, door gedaagden zijn ingezet. Zonder de koppeling te maken met gemiste opdrachten, is het teruglopen van haar actieve personeelsbestand niet zonder meer te beschouwen als schade aan de zijde van VRTU, die op grond van het vonnis van 17 januari 2018 voor vergoeding in aanmerking komt.

4.5.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat VRTU thans in ieder geval geen rechtmatig belang heeft bij afgifte van de bescheiden onder 1 (jaarrekeningen), 2 (VPB-aanslagen), 3 (OB-aanslagen), zoals vermeld in 2.7, aangezien deze bescheiden vooralsnog niet kunnen dienen als middel om te schade van VRTU te onderbouwen of te verifiëren. De afgifte van deze bescheiden moet derhalve alleen al daarom worden afgewezen.

4.6.

Voor de informatie met betrekking tot de namen van medewerkers (in 2.7 vermeld onder 4), de namen van de opdrachtgevers (vermeld onder 5) en de inzet per opdrachtgever per jaar (vermeld onder 6) geldt in de eerste plaats dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze informatie in bestaande bescheiden is vervat. VRTU verlangt immers een overzicht dat moet worden opgesteld aan de hand van het in het bodemvonnis bedoelde VRTU-bestand, ten aanzien waarvan gedaagden overigens hebben verklaard dat zij daarover niet beschikken. Dit deel van de vordering ziet derhalve niet op exhibitie van (reeds bestaande) bescheiden maar op een bevel tot informatieverstrekking, waarbij gedaagden in een overzicht door VRTU verlangde informatie dienen te verschaffen. Een dergelijke vordering kan niet op artikel 843a Rv worden gegrond en anders dan VRTU kennelijk meent, kent het Nederlandse recht ook geen algemene exhibitieplicht.

4.7.

Voor zover ervan uitgegaan moet worden dat (4) en (6) wel bestaande bescheiden betreffen, overweegt de voorzieningenrechter dat VRTU dat deze bescheiden onvoldoende bepaald zijn en dat zij bij de verstrekking daarvan thans onvoldoende belang heeft. Ter voorkoming van fishing expeditions ligt het allereerst op de weg van VRTU, de partij die exhibitie verlangt, om een begin van schade aannemelijk te maken. Dat heeft zij tot op heden onvoldoende gedaan. Weliswaar heeft zij een beperkt aantal medewerkers opgegeven die voorheen voor haar werkten en later voor gedaagden, maar daarmee is nog niet gezegd dat VRTU door de inzet van die medewerkers schade heeft geleden (en dat die schade is terug te voeren op het onrechtmatig kopiëren en verspreiden van de VRTU-lijst). Dit klemt temeer, aangezien [gedaagden] van drie van de vier bij naam genoemde medewerkers verklaringen heeft overgelegd waaruit volgt dat zij meerdere opdrachtgevers hebben en/of dat zij zelf ontslag hebben genomen bij VRTU. Voorts volgt uit de door [gedaagden] als productie 6 overgelegde overzichten dat drie van de vier van deze medewerkers niet eerder dan in 2015 door haar zijn uitgezonden. Volgens dat overzicht heeft de vierde medewerker, [persoon 3] , in januari 2014 drie dagen voor AJW-TU gewerkt. VRTU heeft de juistheid van een en ander niet betwist. Met betrekking tot de namen van opdrachtgevers (5) geldt dat VRTU zoals in 4.4 reeds is overwogen daarbij geen belang heeft, aangezien zij niet aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze de namen van de opdrachtgevers van gedaagden relevant zijn voor de begroting van haar schade.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de vordering van VRTU niet toewijsbaar. Dit neemt niet weg dat partijen tot een minnelijke regeling kunnen komen op grond waarvan gedaagden op verzoek van VRTU, al dan niet door het inzetten van derden, informatie kunnen verschaffen over concrete medewerkers. Ter zitting heeft in ieder geval [gedaagden] zich bereid verklaard hierover overleg te voeren.

4.9.

De vordering van VRTU wordt dus afgewezen. Zij zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagden] en AJW c.s. voor elk van hen begroot op € 1.442,-, waarvan € 626,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt VRTU in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] en AJW c.s. voor elk begroot op € 1.442,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2018.

3077/676