Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:349

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
ROT-17_2154
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om kennisneming van politiegegevens van eiser op grond van de Wet politiegegevens, in het kader van een misdrijf. Verzoek is grotendeels afgewezen omdat het strafrechtelijk onderzoek niet is afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat eiser inzage dient te verkrijgen in meer (delen van) stukken dan verweerder heeft gegeven. Tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/2154

tussenuitspraak van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 19 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] te Rotterdam, eiser,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.H.J.J. Schunselaar.

Als derde belanghebbende is aangemerkt: de Officier van Justitie, van het parket te Oost-Nederland.

Procesverloop

Eiser heeft verweerder op 1 december 2015 verzocht om kennisneming van de hem betreffende politiegegevens op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg).

Bij brief van 16 maart 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op eisers verzoek.

Bij besluit van 20 juni 2016 heeft verweerder een besluit genomen, waarbij het verzoek gedeeltelijk is afgewezen.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 17 november 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:8749) is het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen acht weken opnieuw moest beslissen op het verzoek van eiser.

Op 3 april 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals opgedragen door de rechtbank bij de uitspraak van 17 november 2016.

Bij besluit van 12 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder een besluit genomen.

Het verzoek van eiser is gedeeltelijk afgewezen.

Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.

Verweerder heeft zich ten aanzien van bepaalde stukken beroepen op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft een rechter-commissaris benoemd. Die heeft op 24 juli 2017 geoordeeld dat de beperking van de kennisneming van de stukken vooralsnog gerechtvaardigd is, omdat de kennisneming van de stukken het onderwerp van het geding is.

Eiser heeft daarop de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de stukken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiser is verschenen, vergezeld door [betrokkene] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. I. van der Lande.

De derde belanghebbende is niet verschenen.

Overwegingen

Achtergrond

1. Op 10 september 2009 zijn de ouders van eiser door een geweldsmisdrijf om het leven gebracht. Hierop heeft politieonderzoek plaatsgevonden en is ook onderzoek gedaan naar de persoon van eiser. Eiser heeft verweerder verzocht om kennisneming van al deze gegevens, alsmede informatie over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie gegevens over hem zijn verstrekt.

Juridisch kader

2.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt.

2.2.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg deelt de verantwoordelijke een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt.

2.3.

Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg wordt een verzoek, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van de politietaak.

Beroep tegen het OM

3. Eiser heeft bij brief van 28 april 2017 aangegeven dat zijn beroep ook is gericht tegen de wijze waarop hij is bejegend door het Openbaar Ministerie (OM) en heeft op 22 mei 2017 een tweede beroepschrift ingezonden. Zoals ter zitting aan de orde is gesteld, kan dat tweede beroep niet worden gevoegd of betrokken in deze procedure. In deze zaak is de korpschef verweerder, niet het OM. Bovendien is voor het instellen van beroep vereist dat er een besluit of handeling is van het OM waartegen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat verweerder zijn besluitvorming heeft afgestemd met het OM maakt dit niet anders. Eiser zal eerst een verzoek moeten richten tot het OM waarop het OM kan beslissen. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen het OM daarom in de einduitspraak niet-ontvankelijk verklaren.

Niet tijdig beslissen

4. Eiser heeft gevraagd voor recht te verklaren dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is en te bepalen dat verweerder een dwangsom moet betalen. Verweerder heeft erkend dat niet tijdig is beslist en heeft beloofd de verbeurde dwangsom te betalen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij de betalingsopdracht heeft gegeven. Eiser heeft verklaard dat hij het geld heeft ontvangen zodat op dit punt geen procesbelang meer bestaat. In de einduitspraak zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kennisneming van de politiegegevens

5. Verweerder heeft in het bestreden besluit in algemene bewoordingen aangegeven waarom de inzage in de op eiser betrekking hebbende gegevens deels wordt geweigerd. Volgens verweerder is van belang dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgesloten. Dat onderzoek wordt door de politie gedaan onder verantwoordelijkheid van het OM. Volgens de Aanwijzing wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie van september 2013 heeft de officier van justitie zeggenschap over het daadwerkelijk gebruik van politiegegevens die zijn verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. In de afstemming met het OM is naar voren gekomen dat het recht van eiser op kennisneming van de op hem betrekking hebbende politiegegevens het opsporingsbelang raakt, namelijk het strafrechtelijk onderzoek naar de dader(s) van de gewelddadige dood van zijn ouders. De documenten met politiegegevens geven niet alleen inzicht in de wijze waarop het nog niet opgeloste strafrechtelijk onderzoek wordt verricht maar geven tevens inzicht in de algemene werkwijzen en opsporingstechnieken van de politie. Verder wordt informatie van derden en informatie die te herleiden is naar derden volgens verweerder niet gedeeld.

Verweerder heeft de documenten waarin politiegegevens betreffende eiser voorkomen in drie categorieën gesplitst:

i. i) Stukken vermeld op de lijst in het bestreden besluit die eiser mag inzien.

ii) Stukken waaruit deels is geciteerd in het besluit.

iii) Overige stukken, in 198 nummers overgelegd in 10 ordners.

Hierna zal de rechtbank per categorie beoordelen of verweerder de kennisneming van (delen van) deze documenten terecht en op voldoende gemotiveerde wijze heeft geweigerd.

i. i) Stukken vermeld op de lijst in het bestreden besluit die eiser mag inzien.

6. Het gaat om een lijst waarop 23 stukken zijn genoemd. Volgens het bestreden besluit had eiser al vóór het besluit van 20 juni 2016 toestemming van deze stukken kennis te nemen en mag eiser die stukken alsnog, na afspraak, komen inzien. Die stukken zijn in een gesloten enveloppe aan de rechtbank toegezonden met het verzoek om geheimhouding op grond van het 8:29 van de Awb. In de begeleidende brief van 18 april 2017 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat vier van deze stukken niet meer te raadplegen zijn omdat ze buiten de bewaartermijn vallen en zijn verwijderd.

Eiser vraagt in beroep om verzending of overhandiging van de stukken.

Partijen zijn het oneens of eiser eerder al in de gelegenheid is gesteld de stukken in te zien. De rechtbank heeft dit zo ook overwogen in de uitspraak van 17 november 2016.

Die discussie is grotendeels achterhaald omdat de stukken door verweerder ook zijn overgelegd in de gedingstukken, waarvoor verweerder geen beroep heeft gedaan op geheimhouding.

De overgelegde stukken en de stukken in de gesloten enveloppe zijn wel deels verschillend. Voor de duidelijkheid heeft de rechtbank de stukken genummerd.

De rechtbank komt tot de volgende vergelijking:

1. t/m8 zijn identiek

9 is deels geanonimiseerd in de gedingstukken. In de enveloppe zit een onbewerkte versie.

10 is in beide sets geanonimiseerd op het tweede blad. Volgens de brief van verweerder van 18 april 2017 is dit stuk niet aanwezig.

11 is in de gedingstukken geanonimiseerd, niet in de enveloppe.

12 is in de gedingstukken geanonimiseerd, niet in de enveloppe.

13 ontbreekt in de enveloppe. In de gedingstukken is dit stuk deels geanonimiseerd, maar duidelijk is wie er wordt bedoeld.

14 is identiek.

15 is deels geanonimiseerd in de gedingstukken.

16 ontbreekt conform de brief van verweerder van 18 april 2017.

17 is in beide sets deels geanonimiseerd, duidelijk is om wie het gaat.

18 ontbreekt conform de brief van verweerder van 18 april 2017.

19 ontbreekt conform de brief van verweerder van 18 april 2017.

20t/m23deze stukken zitten alleen in de gedingstukken, niet in de enveloppe.

De rechtbank stelt vast dat de gegevensverstrekking van verweerder verre van zorgvuldig is.

Sommige stukken zijn wel in de gedingstukken overgelegd maar niet in de enveloppe (13 en 20 t/m 23). Eén document dat volgens verweerder ontbreekt is wel overgelegd (10). De anonimisering is hier en daar onvolledig.

Wat hiervan ook zij, doordat de stukken uit de enveloppe grotendeels in de niet geheime gedingstukken zijn overgelegd en aan eiser zijn doorgezonden, heeft eiser nagenoeg gekregen waarom hij heeft verzocht. Over de stukken die ontbreken omdat de bewaartermijn is overschreden kan de rechtbank geen oordeel geven. Wel is de rechtbank van oordeel dat de anonimisering van de stukken die zijn vrijgegeven niet te ruim is geweest. In zoverre wordt de motivering van verweerder, dat er gegevens in de stukken staan die te herleiden zijn tot derden en dat het strafrechtelijk onderzoek kan worden gefrustreerd, door de rechtbank onderschreven.

ii) Stukken waaruit deels is geciteerd in het besluit.

7. Verweerder heeft in het bestreden besluit citaten opgenomen uit de 198 documenten in de ordners. Verweerder heeft die citaten aangeduid met ‘word’. Het betreft de documenten in de ordners genummerd als: 2-3-58-68-70-73-77-79-80-81-88-89-90-91-92-95-104-105-106-107-113-114. Omdat deze documenten op de lijst met 198 documenten staan, zal de rechtbank deze categorie en de stukken in dat kader hieronder beoordelen.

iii) Overige stukken, in 198 nummers overgelegd in 10 ordners.

8. Verweerder heeft met een verzoek om geheimhouding 10 ordners aan de rechtbank overgelegd met daarin 198 documenten. Daarbij is een lijst gevoegd waarop per nummer staat vermeld hoe het verzoek is beoordeeld. Verweerder onderscheidt een aantal categorieën. De omschrijvingen luiden: (a) ‘ter kennisneming’, (b) ‘eigen verklaring’, (c) ‘geen politiegegeven’, (d) ‘naamsvermelding op simkaart’, (e) ‘word’ en (f) ‘opsporingsbelang. Een deel van deze laatste categorie is, zoals hierboven is genoemd, geanonimiseerd in het besluit van 12 april 2017 opgenomen.

De rechtbank dient te beoordelen of de gegeven motivering een voldoende reden biedt om de stukken niet aan eiser te verstrekken of ter inzage te geven.

De rechtbank zal de diverse categorieën eerst in zijn algemeenheid beoordelen en daarna per document aangeven of de gegeven motivering deugdelijk is en zo niet, of sprake is van opsporingsbelang.

(a/b/c) De categorieën ‘ter kennisneming’ (nummers 5 t/m 8-10-13-14-15-57-67-188),

‘eigen verklaring’ (nummers 108 t/m 111) en ‘geen politiegegeven’ (nummers 180-181).

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiser deze stukken mag inzien en dat lijkt de rechtbank gelet op de aard en inhoud van de stukken terecht. Dat betekent dat verweerder deze documenten ten onrechte in de ordners met geheime stukken heeft opgenomen. Verweerder had deze stukken zonder meer ter inzage kunnen geven aan eiser.

( d) De categorie ‘naamsvermelding op simcard’ (nummers 29 t/m 31).

De rechtbank acht de hiervoor gegeven motivering in het besluit voldoende. Het gaat om niet meer dan de vermelding van de naam en het telefoonnummer van eiser op een aantal simkaarten van derden.

( e) De categorie ‘word’.

De rechtbank heeft de in het bestreden besluit opgenomen citaten vergeleken met de onbewerkte stukken in de ordners en acht beperkte kennisgeving in het bestreden besluit ten aanzien van deze documenten op zichzelf gerechtvaardigd.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de selectie van verweerder van citaten te beperkt is geweest. Als voorbeeld wordt verwezen naar stuk 58 (de contactbladen van de familierechercheurs): uit het eerste contactblad is geciteerd, uit de contactbladen daarachter niet. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de informatie niet gelijkwaardig is. De rechtbank heeft de contactbladen vergeleken en is met verweerder eens dat de verklaringen in de volgende contactbladen meer de diepte ingaan. Evenwel bevatten ook de andere contactbladen informatieve mededelingen, die vergelijkbaar zijn met de citaten uit het eerste blad en die ook in het besluit hadden kunnen worden opgenomen.

Verweerder had uit de stukken in deze categorie dus meer dan de in het bestreden besluit opgenomen citaten ter beschikking moeten stellen.

( f) De categorie ‘opsporingsbelang’.

Dit betreft veruit het grootste aantal documenten dat door verweerder als geheim is aangemerkt. Het toetsingskader daarbij blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:461). Daarin is overwogen dat in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wpg (Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 3) over de aanleiding tot herziening van die wet is vermeld dat het voor een goede uitvoering van haar taak van belang is dat de politie door haar vergaarde persoonsgegevens met elkaar in verband kan brengen. In de regel vergaart en verwerkt de politie persoonsgegevens zonder (impliciete) toestemming van de betrokkene en soms ook zonder dat de betrokkene daarvan zelf kennis heeft. Ten behoeve van de waarheidsvinding - een wezenlijk onderdeel van het politiewerk - is het van belang dat de wet de mogelijkheid hiertoe biedt. Over artikel 27 staat in de wetsgeschiedenis dat met die bepaling inhoudelijk is aangesloten bij artikel 39I van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het criterium "de goede uitvoering van de politietaak" omvat het voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, maar heeft daarnaast ook betrekking op de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde en de hulpverlening.

De rechtbank is van oordeel dat de motivering ‘opsporingsbelang’ in dit geval te ruim is genomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de financiële gegevens die betrekking hebben op eiser. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat alleen al de omstandigheid dat deze informatie is opgevraagd als opsporingsbelang is aangemerkt en dat verder het opsporingsbelang kan zijn gelegen in de vraagstelling. In de stukken zitten evenwel stukken zonder vraagstelling, zoals bankafschriften van eisers rekening, en soms met een heel beperkte vraagstelling. Niet valt in te zien waarom eiser daarvan geen kennis mag nemen. De omstandigheid dat dergelijke informatie is opgevraagd, kan nauwelijks een opsporingsbelang vormen. Het mag als algemeen bekend worden geacht dat in het kader van politieonderzoek de financiële positie van de betrokken personen wordt nagegaan. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzocht of sommige stukken kunnen worden gesplitst of gedeeltelijk worden vrijgegeven.

De rechtbank ziet aanleiding om per document een beoordeling te geven. Daarbij tekent de rechtbank aan dat, zoals hiervoor is overwogen, de documenten met de omschrijving “ter kennisneming”, “eigen verklaring” en “geen politiegegeven” zich zonder meer lenen voor vrijgave aan eiser.

1. algehele geheimhouding is niet gerechtvaardigd. De passages die betrekking hebben op eiser dienen ter kennis te worden gegeven.

2-3 beperkte kennisgeving van de passages (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd.

4 algehele geheimhouding is niet gerechtvaardigd. De passages die betrekking hebben op eiser dienen ter kennis te worden gegeven.

5 t/m 8 ter kennisneming, geen opsporingsbelang.

9 algehele geheimhouding is niet gerechtvaardigd. De passages die betrekking hebben op eiser dienen ter kennis te worden gegeven.

10 ter kennisneming, geen opsporingsbelang.

11-12 algehele geheimhouding is niet gerechtvaardigd. De passages die betrekking hebben op eiser dienen ter kennis te worden gegeven.

13t/m15 ter kennisneming, geen opsporingsbelang.

16t/m22 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

23-24 documenten zijn geheel ter kennisneming van eiser, geen opsporingsbelang.

25 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding, alleen kopie paspoort eiser overleggen

26 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

27-28 zijn identiek aan 23-24.

29t/m31 naamvermelding op simcard, hoeft niet te worden verstrekt.

32t/m41 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

42 document kan worden gesplitst, voor zover betrekking hebbend op eiser: ter kennis geven.

43 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

44-45 documenten kunnen worden gesplitst, voor zover betrekking hebbend op eiser: ter kennis geven.

46 document is geheel ter kennisneming van eiser, geen opsporingsbelang.

47 document kan worden gesplitst, voor zover betrekking hebbend op eiser: ter kennis geven.

48 document is geheel ter kennisneming van eiser, geen opsporingsbelang.

49t/m51 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

52t/m56 documenten zijn geheel ter kennisneming van eiser, geen opsporingsbelang.

57 ter kennisneming, geen opsporingsbelang.

58 de beperkte kennisgeving van het citaat (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd. In de overige stukken dienen de passages die betrekking hebben op eiser te worden geciteerd op gelijke wijze.

59t/m64 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

65 is 9 in de lijst in het besluit/enveloppe.

66 is 8 in de lijst in het besluit/enveloppe.

67 ter kennisneming, is 4 in de lijst in het besluit/enveloppe.

68 beperkte kennisgeving van de passages (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd.

69 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

70 beperkte kennisgeving van de passages (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd.

71-72 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

73 beperkte kennisgeving van de passages (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd.

74t/m87 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

88 t/m92 beperkte kennisgeving van de passages (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd.

93-94 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

95 beperkte kennisgeving van de passages (in het bestreden besluit opgenomen onder het kopje ‘word’) is gerechtvaardigd.

96t/m103 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

104t/m107 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

108 t/m 111 eigen verklaring, geen opsporingsbelang.

112 t/m 122 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

123 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding, behalve de handgeschreven brief van eiser, die ter kennis geven.

124 t/m 142 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

143 geheel ter kennisgeving aan eiser, geen opsporingsbelang.

144 t/m 159 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

160 blad 1, 2 en 3 dienen met anonimisering van de gegevens van de verdachte ter kennis aan eiser te worden gegeven.

161 t/m 173 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

174 blad 1, 8 en 10 dienen met anonimisering van de gegevens van de verdachte ter kennis te worden gegeven aan eiser, voor het overige: opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

175 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

176 blad 1 dient met anonimisering van de gegevens van de verdachte ter kennis te worden gegeven aan eiser.

177 document is geheel ter kennisneming van eiser, geen opsporingsbelang.

178 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

179 is leeg.

180-181 geen politiegegeven.

182 t/m 184 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

185 geheel ter kennisgeving aan eiser, geen opsporingsbelang.

186-187 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

188 blad 1 en 2 dienen met anonimisering van de gegevens van de verdachte ter kennis te worden gegeven aan eiser, voor het overige: opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

189 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

191-192 documenten zijn geheel ter kennisneming van eiser, geen opsporingsbelang.

193 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

194 document dient te worden gesplitst, voor zover betrekking hebbend op eiser: ter kennis geven, geen opsporingsbelang.

195 t/m197 opsporingsbelang rechtvaardigt geheimhouding.

198 heeft betrekking op een vals spoor. Alleen het laatste blad gaat over eiser: dit blad dient aan eiser te worden gegeven ter kennisneming, geen opsporingsbelang.

9. Ter zitting heeft eiser nog betwijfeld of de lijst wel volledig is. Volgens eiser zijn audiovisuele opnames gemaakt van zijn verhoor door de [derde] , die niet zijn overgelegd. Verder is onduidelijk of omschrijvingen die betrekking hebben op eiser, als bijvoorbeeld ‘oudste broer’ of ‘erfgenaam’ wel zijn betrokken in de zoekvraag.

9.1

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0634) is bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient, met inachtneming van de specifieke context van plaats, tijd en aantal betrokken personen, te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. De rechtbank is van oordeel dat omschrijvingen als ‘oudste broer’ of ‘erfgenaam’ zodanig kenmerkend zijn dat eiser daarmee kan worden geïdentificeerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de stukken ook op deze omschrijvingen zou moeten doorzoeken.

In de stukken staat bij sommige verhoren dat daarvan audio- (visuele) opnamen zijn gemaakt. Uit het feit dat daarvan ook een schriftelijk stuk is, kan worden afgeleid dat die opnames zijn uitgeschreven in tekst. Er zijn geen aanwijzingen dat de stukken onvolledig zijn. In ieder geval blijkt uit de stukken dat het verhoor waarnaar eiser heeft verwezen op schrift is gesteld. Eiser mag daarvan ook kennis nemen, zodat in zoverre aan de informatieplicht is voldaan.

De verstrekking aan derden

10. Eiser heeft gevraagd om een overzicht welke gegevens zijn gedeeld en met wie.

Eiser noemt zelf [derde] , verdachten en getuigen.

10.1.

Verweerder heeft verklaard dat niet meer is na te gaan welke gegevens met [derde] zijn gedeeld. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat verdachten een recht op inzage hebben op grond van artikel 30 Wetboek van Strafvordering maar dat dat recht niet voor getuigen bestaat en dat hem niet bekend is dat politiegegevens aan getuigen zijn verstrekt.

10.2.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 25 van de Wpg is bepaald dat de periode waarover informatie moet worden verschaft is beperkt tot vier jaar voorafgaand aan het verzoek. In dit geval is dat december 2011 nu het verzoek dat aan deze procedure ten grondslag ligt dateert van 1 december 2015. Voorts mag worden volstaan met het benoemen van categorieën van personen met wie informatie is gedeeld. In het licht van deze beperkingen van de informatieplicht en in aanmerking genomen dat het hier gaat om een zeer omvangrijk dossier waarin sinds 2009 uitgebreid onderzoek is gedaan door meerdere instanties en personen, verbindt de rechtbank hier - hoewel op zich sprake is van onrechtmatigheid - geen gevolgen aan het ontbreken van de precieze gegevens die met derden - de programmamakers van Peter R. de Vries - zijn gedeeld.

Conclusie

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd met artikel 3:46 van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder eiser alsnog inzage verlenen in de politiegegevens waarvan de geheimhouding gelet op de hiervoor gegeven motivering geen opsporingsbelang dient. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser daarna in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. A.S. Flikweert en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Afschrift verzonden aan partijen op: