Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3458

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
ROT 17/3660
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA - maatmaninkomen - verloonde uren - vakantiebonnen - polisadministratie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/3660

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats], eiseres,

gemachtigde: J.L. van der Krogt,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: J.C. Geldof.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam] (hierna: (ex)werknemer) met ingang van 7 december 2016 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.

Bij besluit van 5 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 5 oktober 2017 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat J.L. van der Krogt, in zijn hoedanigheid als gemachtigde van eiseres, geen inzage krijgt in de in deze procedure overgelegde medische stukken ten aanzien van (ex)werknemer.

Partijen hebben vervolgens nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van der Schaaf en C.D. Boer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. (Ex)werknemer is werkzaam geweest als schilder/allround medewerker. Op
    10 december 2014 heeft hij zich voor dit werk ziek gemeld. (Ex)werknemer heeft op 19 september 2016 verzocht om een Wet WIA-uitkering in aansluiting op de toepasselijke wachttijd.

  2. Op 27 oktober 2016 heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In de rapportage van 1 november 2016 heeft een arts, onder contraseign van een verzekeringsarts, geconcludeerd dat (ex)werknemer beschikt over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek, waardoor hij is aangewezen op werkzaamheden conform de opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 1 november 2016, die geldig is per 27 oktober 2016.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in de rapportage van 11 november 2016 het maatmaninkomen van (ex)werknemer vastgesteld op € 21,68 per uur, uitgaande van 30,33 verloonde uren per week. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige het Claim Beoordeling en Borging Systeem (CBBS) geraadpleegd om de mogelijkheden in gangbare arbeid van (ex)werknemer te onderzoeken. Hierbij zijn de volgende functies geselecteerd: productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Verder zijn aanvullend nog de volgende functies geduid: besteller (expresse) post/pakketten (SBC-code 282102), chauffeur personen, directiechauffeur (SBC-code 111241) en samensteller kunststof- en rubberindustrie
(SBC-code 271130). Het loon dat met de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) verdiend kan worden, ligt 63,14% lager dan het zogeheten maatmaninkomen, aldus de arbeidsdeskundige.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat verweerder uitgaat van een onjuiste maatmanomvang en dus van een onjuist maatmaninkomen. Daarnaast zijn er ten onrechte enkel functies geselecteerd met een urenomvang van 20 of minder, aldus eiseres.

3. In het kader van de heroverweging heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 1 mei 2017 overwogen dat conform het intern gehanteerde handboek geen aanleiding bestaat om uit te gaan van een andere maatmanomvang of een ander maatmaninkomen. (Ex)werknemer heeft over vakantiedagen geen loon, maar een vergoeding in de vorm van een vakantiebon ontvangen. Het loon is wel opgenomen in de polisadministratie, maar de uren waarvoor dat loon (de vakantiebon) is bedoeld zijn dat niet. Er worden immers geen uren doorbetaald. Het inkomen uit de vakantiebon is dus een onderdeel van het maatmaninkomen, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voorts toegelicht dat er geen functies kunnen worden geselecteerd met een urenomvang van meer dan 20, omdat deze functies de belastbaarheid van (ex)werknemer overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zodoende geen aanleiding gezien om van de bevindingen van de arbeidsdeskundige af te wijken.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

4.1.

Eiseres heeft in beroep opnieuw aangevoerd dat verweerder uitgaat van een onjuiste maatmanomvang en dus van een onjuist maatmaninkomen. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat verweerder in drie zaken van andere ex-werknemers wel is uitgegaan van een hogere urenomvang. Eiseres heeft van die zaken geanonimiseerde arbeidsdeskundige rapportages overgelegd. Eiseres heeft voorts herhaald dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen functies met een omvang van meer dan 20 uren konden worden geselecteerd. Eiseres meent dat die functies wel beschikbaar zijn en dat zodoende ten onrechte een reductiefactor op het uurloon van de mediaanfunctie is toegepast en een arbeidsongeschiktheidspercentage van meer dan 35% is vastgesteld.

4.2.

Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar de reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 september 2017. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in die reactie nog toegelicht dat de vakantiebon bij het SV-loon hoort van het tijdvak waarin deze is uitgereikt en niet bij het tijdvak waarin de werknemer de vakantie opneemt (of anders geformuleerd de vakantiebon verzilvert). Wanneer de vakantiebon in een tijdvak wordt opgenomen dan behoort dat tijdvak tot het gebruikelijke arbeidspatroon van de werknemer. Er worden dan minder uren gewerkt, maar de werkgever moet de bij de vakantiebon behorende uren wel opvoeren als verloonde uren in de loonaangifte bij het tijdvak van de uitreiking. Voor zover in zaken van andere ex-werknemers van eiseres de door haar voorgestane systematiek voor het bepalen van het maatmaninkomen is gehanteerd, geeft dit de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog geen aanleiding om af te wijken van het interne beleid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voorts gemeld dat bij de eerdere beoordeling functies die aansloten bij de opleidingen van (ex)werknemer niet werden gepresenteerd binnen het CBBS. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dat hersteld, maar dat heeft niet geleid tot andere functies. Onder verwijzing naar het ‘Resultaat functiebeoordeling’ van 21 september 2017 herhaalt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voorts dat ook in de gehanteerde SBC-codes geen functies beschikbaar zijn met omvang van meer dan 20 uren.

4.3.

Verweerder heeft vervolgens op 26 februari 2018 een aanvullend verweerschrift ingediend. In aanvulling op zijn eerder ingenomen standpunt heeft verweerder zich, onder verwijzing naar de door de Belastingdienst uitgegeven brochure ‘Verduidelijkingen CBS/UWV/Belastingdienst m.b.t. verloonde uren’ van december 2016, op het standpunt gesteld dat ook de bij de vakantiebonnen behorende uren door de werkgever moeten worden opgegeven bij het tijdvak waarin de uitreiking van de vakantiebon plaatsvindt. Omdat eiseres in de betreffende tijdvakken wel het SV-loon dat bij de vakantiebonnen hoort heeft opgegeven maar niet de daarbij horende verloonde uren, valt het maatmaninkomen hoger uit. Verweerder dient bij de berekening van het maatmaninkomen uit te gaan van de polisadministratie, aldus verweerder.

5.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de waarde van de vakantiebonnen deel uit maakt van het loon van het tijdvak waarin de vakantiebonnen aan (ex)werknemer zijn uitgereikt. Partijen zijn, gelet op het door verweerder in het aanvullend verweerschrift nader ingenomen standpunt, voorts niet langer verdeeld over het bevestigende antwoord op de vraag of de uren die bij de vakantiebonnen horen tot de verloonde uren dienen te worden gerekend van het tijdvak waarin de vakantiebonnen aan (ex)werknemer zijn uitgereikt. Partijen zijn alleen nog verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerder bij het vaststellen van het maatmaninkomen van (ex)werknemer terecht is uitgegaan van de gegevens uit de polisadministratie.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 1, aanhef en onder c, van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens, later aangehaald als de Beleidsregels UWV gebruik polisregels (Beleidsregels, zie Stcrt. 21 juli 2009, nr. 11028 en Stcrt. 18 december 2013, nr. 35321) volgt dat in de Beleidsregels onder maatmanloon wordt verstaan het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 1 van de Wet WIA en artikel 6, eerste lid en derde lid, onderdeel b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

5.3.

Uit artikel 2 van de Beleidsregels volgt dat het UWV, behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het maatmanloon gebruik maakt van de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie.

5.4.

Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, ten behoeve van het vaststellen van het maatmaninkomen van (ex)werknemer, terecht gebruik gemaakt van de gegevens uit de polisadministratie. Van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 3 van de Beleidsregels is in het onderhavige geval geen sprake. Uit de toelichting bij artikel 3 van de Beleidsregels, alsook uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waaronder de uitspraak van 14 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2225) volgt dat van een werkgever, zoals eiseres, die meent dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn, wordt verwacht dat hij (in casu zij) die gegevens zelf corrigeert, zodat verweerder met de juiste gegevens rekening kan houden. Van een dergelijke correctie is thans niet gebleken. De rechtbank gaat hierom voorbij aan de door eiseres overgelegde rapportages ten aanzien van de andere ex-werknemers, waarbij zij aantekent dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat hij niet gehouden kan worden aan eerder door hem afgegeven minder juist tot stand gekomen besluiten. Als ook aan de ter zitting overgelegde rapportage van de hand van C.D. Boer, die op (ex)werknemer ziet.

5.5.

Nu eiseres geen overige gronden heeft gericht tegen de berekening van het maatmaninkomen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het maatmankomen van (ex)werknemer terecht heeft vastgesteld op € 21,68 per uur.

5.6.

De rechtbank ziet, anders dan eiseres, tot slot geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat voor (ex)werknemer geen functies beschikbaar zijn met omvang van meer dan 20 uren. Met het ‘Resultaat functiebeoordeling’ en de gegeven toelichting daarop, zowel in de rapportage van 1 mei 2017 als in de reactie van 21 september 2017, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk gemaakt dat functies met een omvang van meer dan 20 uur in het CBBS niet zijn gepresenteerd en dus niet aan (ex)werknemer kunnen worden voorgehouden.

5.7.

Het voorgaande laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder met de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 september 2017 en het aanvullend verweerschrift van 26 februari 2018 eerdere gebreken in de motivering van het bestreden besluit heeft hersteld. De rechtbank zal die gebreken echter passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, nu niet is gebleken dat eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad.

5.8.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Hetgeen onder 5.6. en 5.7. is overwogen, biedt de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van der Sluis, voorzitter, en mr. drs. H.M. Braam en mr. drs. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Rijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

de voorzitter is buiten staat

te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.