Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3445

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
04-12-2018
Zaaknummer
ROT17/5319
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak: ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/5319

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. N. Roos,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. J.A. van Aanholt en mr. I. Plaisier.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam] .

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 11 april 2018 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij besluit van 7 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het aan eiser geboden schuldhulpverleningstraject op grond van Wet gemeentelijke schuldhulpverlening beëindigd. Bij het bestreden besluit van 7 augustus 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Een schuldeiser weigert medewerking aan een minnelijk traject en bij vonnissen van deze rechtbank van 6 maart 2017 zijn eisers verzoeken om een dwangakkoord en om een schuldsaneringsregeling (WSNP) afgewezen.

3. Op grond van deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het schuldhulpverleningstraject geen kans van slagen meer heeft en beëindigd wordt. Dat dit standpunt eiser in zijn belang treft is duidelijk, maar maakt verweerders afweging niet onevenredig. Evenmin blijkt van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen om niet tot beëindiging over te gaan. Verweerder heeft zich na het blijken van een tweede schuld bij het LBIO voldoende ingespannen om wederom tot een schuldregeling te komen. In geval niet alle schuldeisers met een aangeboden regeling akkoord gaan, is dat een omstandigheid die buiten de macht van het college ligt en is bij de beëindiging voor een nadere belangenafweging geen plaats (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:295). De rechtbank kan zich overigens verenigen met hetgeen verweerder in het verweerschrift naar voren heeft gebracht.

4. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenvergoeding is daarom geen aanleiding.

Dit proces-verbaal is ondertekend door mr. H. Bedee, rechter, en mr. M.B. Volp, griffier.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.