Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3421

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/10/516689 / HA ZA 16-1397
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder X is door de Ontvanger bodembeslag gelegd op diverse roerende zaken en gelden. Ter beoordeling ligt de vraag voor wie eigenaar van deze in beslag genomen goederen is. De curator stelt dat de goederen en gelden eigenaar zijn van Y, waarbij X kort daarvoor in dienst zou zijn getreden. Het beroep door de Ontvanger op niet-ontvankelijkheid van de curator op grond van art. 438 lid 5 BW wordt niet gehonoreerd, nu de curator een vordering tot revindicatie heeft ingesteld op grond van art. 5:2 BW, krachtens welk artikel de eigenaar van een zaak bevoegd is de zaak van een ieder die de zaak zonder recht onder zich houdt, op te eisen. Voor de uitoefening van het bodemrecht door de Ontvanger is in beginsel voldoende dat de desbetreffende zaken zijn aan te merken als bodemzaken van de belastingschuldige in de zin van art. 22 lid 3 Invorderingswet (Iw). Indien dat het geval is, kan de Ontvanger het bodemrecht van art. 22 lid 3 Iw uitoefenen, tenzij sprake is van de situatie dat die zaken in reële eigendom toebehoren aan een derde. Gelet op de gemotiveerde betwisting van het eigendomsrecht van Y door de Ontvanger en mede in aanmerking genomen dat X de goederen en gelden in zijn bezit had, hetgeen hem in beginsel legitimeert als eigenaar, had het op de weg van de curator gelegen om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit voortvloeit dat zijn stelling dat Y als eigenaar van de goederen en gelden moet worden beschouwd, juist is. De rechtbank oordeelt dat de curator dit onvoldoende heeft gedaan en, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, dat de curator het wettelijk vermoeden dat X eigenaar is onvoldoende heeft weerlegd, zodat de rechtbank aan bewijslevering niet toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/1326 met annotatie van Ton Tekstra
RI 2018/63
Viditax (FutD), 31-05-2018
FutD 2018-1487
INS-Updates.nl 2018-0181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/516689 / HA ZA 16-1397

Vonnis van 18 april 2018

in de zaak van

[eiser]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de rechtspersoon naar vreemd recht

IMAJ ALLIANZ JUWELIERE GMBH,

wonende althans kantoorhoudende te Köln, Duitsland,

eiser,

advocaat mr. T.L.G.M. Heebing te Zevenaar,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND/KANTOOR ROTTERDAM,

kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 december 2016, met 10 producties;

  • -

    het herstelexploot van 30 december 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 16 producties;

  • -

    de oproepingsbrief van deze rechtbank van 19 april 2017;

  • -

    de brief van deze rechtbank van 16 juni 2017 waarbij de curator verzocht is om overlegging van productie 0 en een leesbaar exemplaar van zijn productie 2;

  • -

    de brief van mr. Heebing van 20 juni 2017, houdende overlegging producties 0 en een leesbare versie van productie 2;

  • -

    de oproepingsbrief van deze rechtbank van 6 oktober 2017, waarbij de comparitie nader is bepaald op 22 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1.

Imaj Allianz Juweliere GmbH (hierna: Imaj) is een Duitse onderneming, opgericht op 30 oktober 2006, die zich onder meer bezig hield met de groothandel in edelmetalen en de productie en verkoop van trouwringen. Imaj kocht edelmetalen op bij klanten en leverde door haar geproduceerde trouwringen aan klanten.

2.2.

Op of omstreeks 20 juni 2011 heeft de Ontvanger vanwege een omzetbelastingschuld executoriaal beslag gelegd ten laste van de heer [persoon 1] op diens [adres] . De Ontvanger heeft daarbij goederen en gelden in beslag genomen. Tot de in beslag genomen goederen behoren ongeveer 175 stuks edelmetalen, sieraden, horloges en een geldbedrag van in totaal € 60.110,-.

2.3.

Bij faxbericht van 1 juli 2011 heeft Imaj aan de Ontvanger onder meer het volgende bericht:

“(…) Besitzangabe der sichergestellten Waren vom 20.06.2011

Sehr geehrte Damen und Herren,

mit diesem Schreiben möchten wir schriftlich bestätigen, dass unser Mitarbeiter Herr [persoon 1] im Auftrag unserer Firma, Imaj A.J. GmbH, die in der ,,Inventarisatie” ausgeschriebene Waren abholte.

Die durch Ihnen sichergestellten Waren (Altgold bzw. Bargeld) sind wiederrum die Inhalte einer der ausgeführten Aufträge.

Für die Fortsetzung unserer geschäftlichen Tätigkeiten ist es notwendig, die sichergestellten Waren bzw. das Bargeld umgehend zurückzugeben.

(…)”.

2.4.

Bij brief van 8 juli 2011 heeft mr. Heebing namens Imaj de Ontvanger gesommeerd om de bij [persoon 1] in beslag genomen goederen en gelden aan Imaj te retourneren.

2.5.

Op 12 juli 2011 heeft Imaj een beroepschrift ex artikel 22 Invorderingswet (Iw) 1990 bij de Ontvanger ingediend.

2.6.

Op 4 oktober 2011 heeft de Ontvanger een besluit genomen op het beroepschrift en het verzoek van Imaj niet gehonoreerd.

2.7.

Op 1 december 2011 is Imaj in staat van faillissement verklaard en [eiser] benoemd tot curator.

2.8.

Op 18 december 2014 heeft de curator een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor aanhangig gemaakt. In deze procedure is op 25 juni 2015 [persoon 1] als getuige gehoord. Het voorlopig getuigenverhoor is gesloten op 14 oktober 2015 zonder andere personen te horen.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de Ontvanger veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis:

  • -

    de in beslag genomen goederen, zoals die voorkomen op de inventarislijst overgelegd als productie 3 bij dagvaarding, primair aan de curator terug te geven, althans subsidiair de schade die de boedel dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 juni 2011, althans vanaf 8 juli 2011, althans vanaf 25 juni 2015 tot aan de dag der voldoening;

  • -

    aan de curator een bedrag te betalen van € 60.110,-, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 juni 2011, althans vanaf 8 juli 2011, althans vanaf 25 juni 2015 tot aan de dag der voldoening,

met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor inclusief getuigentaxe en de nakosten daaronder begrepen, onder bepaling dat de Ontvanger over deze proceskosten met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

3.2.

De Ontvanger voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator in zijn vorderingen althans tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, in de proceskosten.

3.3.

De stellingen van partijen worden, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling weergegeven.

4 De beoordeling

Bevoegdheid rechtbank

4.1.

Er is sprake van een internationaal geval, nu de curator woont in Duitsland, Imaj was gevestigd in Duitsland en de Ontvanger in Nederland gevestigd is/kantoor houdt en de vordering aanhangig is gemaakt bij een gerecht in Nederland. De vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015 zodat de Brussel I bis-Verordening, de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo) van toepassing is. De bevoegdheidsvraag dient derhalve in beginsel aan de hand van de Brussel I bis-Vo te worden beantwoord.

4.2.

Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo dient een verweerder in beginsel te worden opgeroepen voor het gerecht in de lidstaat waarin hij zijn woonplaats heeft, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 24 en artikel 25 Brussel I bis-Vo, maar dat die in deze zaak spelen is gesteld noch gebleken. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd om van de ingestelde vordering kennis te nemen.

Toepasselijk recht

4.3.

Voorts dient beoordeeld te worden welk recht van toepassing is op het onderhavige geschil. De curator stelt een vordering tot revindicatie (ex artikel 5:2 BW) in en grondt deze op onrechtmatig handelen van de Ontvanger. Ingevolge artikel 4 lid 1 van de op het geschil toepasselijke Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-Vo)

is op een onrechtmatige daad het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. Nu de schade zich heeft voorgedaan in Nederland, is Nederlands recht van toepassing. Hierover bestaat ook geen geschil tussen partijen.

Eigendom

4.4.

Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de in beslag genomen goederen en gelden eigendom zijn van Imaj of van [persoon 1] . Volgens de curator berust de eigendom bij Imaj en kan hij daarom succesvol beroep doen op revindicatie. De Ontvanger stelt daarentegen dat [persoon 1] eigenaar is van de goederen en dat zij deze goederen in verband met de voldoening van een omzetbelastingschuld van [persoon 1] terecht in beslag heeft genomen.

4.5.

Door de curator is daartoe betoogd dat op 1 juni 2011 Imaj met [persoon 1] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. De werkzaamheden van [persoon 1] bestonden uit het verrichten van koeriersdiensten, meer in het bijzonder, het ophalen van edelmetalen bij klanten van Imaj. [persoon 1] ontving vooraf het benodigde contante geld van Imaj, bezocht de klanten en keerde na iedere ronde bij Imaj terug om de opgehaalde edelmetalen en het resterende geldbedrag in te leveren bij Imaj, waarna [persoon 1] zijn ronde afrekende met de boekhouding, aldus de curator.

De curator stelt dat op of omstreeks 20 juni 2011 Imaj [persoon 1] heeft opgedragen om edelmetalen bij Nederlandse klanten af te halen en dat Imaj [persoon 1] daarvoor op 20 juni 2011 een bedrag van € 93.000,- in contanten heeft overhandigd. De curator stelt dat de bedoeling was dat [persoon 1] na zijn bezoek aan de Nederlandse klanten de volgende dag bij Imaj de edelmetalen en het resterende geldbedrag zou inleveren.

De in beslag genomen goederen behoorden dan ook niet toe aan [persoon 1] maar aan Imaj, aldus de curator.

4.6.

De Ontvanger beroept zich op de eerste plaats op de niet-ontvankelijkheid van de curator. De Ontvanger voert aan dat sprake is van een verzet tegen een executie door een derde (de curator) als bedoeld in artikel 438 lid 5 Rv, zodat de curator zowel de executant (de Ontvanger) als de geëxecuteerde ( [persoon 1] ) had moeten dagvaarden, hetgeen niet is gebeurd en daarom leidt tot niet-ontvankelijkheid van de curator en nietigheid van de dagvaarding. Daarnaast voert de Ontvanger aan dat restitutie niet mogelijk is, omdat het merendeel van de in beslag genomen zaken inmiddels executoriaal is verkocht ten laste van [persoon 1] en dat de totale opbrengst van € 18.199,15 en het in beslag genomen geldbedrag van

€ 60.115,- op de belastingschuld van [persoon 1] is afgeboekt. De Ontvanger voert verder aan dat [persoon 1] op grond van artikelen 3:119 lid 1 juncto 3:109 BW vermoed wordt de rechthebbende te zijn op de in beslag genomen goederen, nu hij deze ten tijde van de beslaglegging onder zich had. De Ontvanger betwist dat de curator voldoende bewijs heeft aangebracht waaruit volgt dat Imaj rechthebbende op de in beslag genomen gelden en goederen was.

4.7.

Vooropgesteld dient te worden dat het beroep op niet-ontvankelijkheid faalt. Anders dan de Ontvanger betoogt, ageert de curator niet uit hoofde van artikel 438 lid 5 Rv. De curator heeft een vordering tot revindicatie ingesteld op grond van artikel 5:2 BW, krachtens welk artikel de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht onder zich houdt, op te eisen. De curator is daarom bevoegd om deze vordering(en) in te stellen.

4.8.

Voor de uitoefening van het bodemrecht door de Ontvanger is in beginsel voldoende dat de desbetreffende zaken zijn aan te merken als bodemzaken van de belastingschuldige in de zin van artikel 22 lid 3 Invorderingswet (Iw). Indien dat het geval is kan de Ontvanger het bodemrecht van artikel 22 lid 3 Iw uitoefenen, tenzij sprake is van de situatie dat die zaken in reële eigendom toebehoren aan een derde. In deze procedure dient dan ook de vraag te worden beantwoord wie ten tijde van de beslaglegging eigenaar was van de goederen (horloges, sieraden en ‘sloopgoud’) en gelden. Uitgangspunt daarbij is dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en bezitter daarvan te zijn (artikel 3:109 BW) en dat die bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn (artikel 3:119 BW). Vervolgens komt de vraag aan de orde of - in dit geval - de curator, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, het wettelijk vermoeden dat de bezitter - in dit geval [persoon 1] - eigenaar is, voldoende heeft weerlegd, zodat het aan de Ontvanger is de gepretendeerde eigendom nader te bewijzen.

4.9.

De curator stelt dat de eigendom van Imaj volgt uit het door hem overgelegde ‘Lieferschein’ en uit de door [persoon 1] afgelegde verklaring tijdens het voorlopig getuigenverhoor. Daarnaast heeft de curator een op 1 juni 2011 gesloten arbeidsovereenkomst met een bijbehorende ‘Selbstauskunft’ overgelegd, waaruit volgens de curator blijkt dat [persoon 1] op 1 juni 2011 in dienst is getreden als koerier bij Imaj.

4.10.

De curator stelt dat [persoon 1] tijdens het voorlopige getuigenverhoor heeft verklaard dat hij op 1 juni 2011 een arbeidsovereenkomst met Imaj had gesloten en dat hij op 20 juni 2011 zijn eerste opdracht kreeg. Van de heer [persoon 2] kreeg [persoon 1] de lijst met adressen en contant geld, ongeveer € 100.000,--, mee. [persoon 1] heeft tijdens het voorlopige getuigenverhoor vervolgens verklaard dat hij bij de in ontvangstname daarvan een bon heeft afgetekend met de woorden ‘getekend voor ontvangst’ en zijn handtekening. De curator heeft dit Lieferschein overgelegd. Daarnaast heeft [persoon 1] verklaard dat hij bij inkoop van het sloopgoud altijd kwitanties uitschrijft voor de juweliers en dat hij de bon die bij het ingekochte sloopgoud hoort in de betreffende zakjes stopt. Over de kwitanties beschikt [persoon 1] niet meer, stelt de curator.

4.11.

Anders dan de curator betoogt, volgt uit het Lieferschein niet dat Imaj rechthebbende op de in beslag genomen goederen is. Het Lieferschein vermeldt slechts:

“ Empfänger [persoon 1]

[adres]

Bargeld in höhe von 93.000,00 / dreiundneuntigtausend € erhalten” en “Getekend voor ontvangst” met handtekening van - naar de rechtbank aanneemt - [persoon 1] . Het Lieferschein vermeldt nergens van wie het geld afkomstig is dan wel wie het geld aan [persoon 1] heeft verstrekt (en voor welk doel). Nergens op het Lieferschein staat de naam of een stempel van Imaj vermeld.

Dat er verband bestaat tussen het Lieferschein en Imaj is dan ook niet gebleken, nu nergens wordt verwezen naar Imaj of anderszins valt op te maken dat het stuk van Imaj afkomstig is en dat de verstrekte bedragen (dan wel hetgeen daarvoor door zaaksvervanging in de plaats is getreden) eigendom zijn en blijven van Imaj. Daar komt bij dat vaststaat dat het Lieferschein niet in de administratie van Imaj is aangetroffen. De curator stelt het stuk rechtstreeks van [persoon 2] te hebben ontvangen.

De curator heeft ook geen stukken overgelegd uit de administratie van Imaj, waaruit blijkt dat Imaj zaken deed met juweliers die [persoon 1] als koerier zou hebben bezocht. Ook de door [persoon 1] in zijn verklaring genoemde - al dan niet telefonisch verstrekte - klantenlijst is niet overgelegd. Evenmin zijn kwitanties, bonnen of verklaringen van de bezochte Nederlandse klanten in het geding gebracht.

Dat [persoon 1] op de bewuste dag voor Imaj Nederlandse klanten heeft bezocht, is dan ook evenmin gebleken. Desgevraagd kon [persoon 1] zich tijdens het voorlopig getuigenverhoor niet (meer) herinneren welke juweliers hij die dag heeft bezocht. Dat de kwitanties zich bij de inbeslaggenomen goederen bevonden - zoals de curator stelt - is door de belastingdeurwaarder ontkend en de kwitanties staan ook niet vermeld op de inventaris van de in beslag genomen goederen.

De enkele, tijdens het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaring van [persoon 1] acht de rechtbank in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal leggen.

4.12.

Andere stukken, behoudens de arbeidsovereenkomst (‘Arbeitsvertrag’) van 1 juni 2011 en de bijbehorende ‘Selbstauskunft’, zijn niet overgelegd. Deze arbeidsovereenkomst - wat er ook zij van de vraag of deze bevoegdelijk is gesloten - levert ook in samenhang bezien met het Lieferschein onvoldoende bewijs op van de gestelde eigendom van Imaj.

4.13.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van het eigendomsrecht van Imaj door de Ontvanger en mede in aanmerking genomen dat [persoon 1] de goederen en gelden in zijn bezit had, hetgeen hem in beginsel legitimeert als eigenaar, had het op de weg van de curator gelegen om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit voortvloeit dat zijn stelling dat Imaj als eigenaar van de goederen en gelden moet worden beschouwd, juist is.

De curator heeft zich slechts beroepen op de verklaring van [persoon 1] en het Lieferschein, waaruit onvoldoende bewijs kan worden afgeleid. Ook heeft de curator geen gehoor gegeven aan het verzoek van de rechtbank om personen die van de zaak inhoudelijk op de hoogte zijn, zoals de heren [persoon 1] en [persoon 2] ter comparitie mee te brengen. Slechts de curator is aan eisende zijde verschenen. De curator heeft verklaard dat [persoon 2] – ondanks de oproepbrief – slechts bereid is te verschijnen indien hij daartoe uitdrukkelijk wordt opgeroepen door de rechter. Echter, [persoon 2] is voor het voorlopige getuigenverhoor opgeroepen om als getuige te worden gehoord, maar is daar niet verschenen.

4.14.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de curator, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, het wettelijk vermoeden dat [persoon 1] eigenaar is, dan ook onvoldoende heeft weerlegd, zodat de rechtbank aan bewijslevering niet toekomt.

4.15.

Het dient er daarom voor te worden gehouden dat de in beslag genomen gelden en sieraden niet in reële eigendom toebehoorden aan Imaj, zodat de hiervoor onder 4.8 genoemde uitzondering zich niet voordoet en de Ontvanger gebruik mocht maken van het bodemrecht. Daartoe is niet vereist dat (apart vastgesteld wordt dat) de bodemzaken geheel of gedeeltelijk in economische eigendom toebehoorden aan [persoon 1] als belastingschuldige, of anderszins in een bepaalde rechtsverhouding tot hem staan. Aan de wettelijke regeling van artikel 22 lid 3 Iw ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden in een zodanige feitelijk of juridische verhouding tot hem staan dat uitoefening van het bodemrecht door de Ontvanger is gerechtvaardigd.

4.16.

De vordering van de curator wordt daarom afgewezen.

4.17.

De curator zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Ontvanger bepaald op € 1.924,- aan vastrecht en op € 1.788,- (2 punten x tarief IV à € 894,-) aan salaris voor de advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt de curator in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.924,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis, wat de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

1182/ 2053