Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3420

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/10/544255 / FT EA 18/224 en C/10/544256 / FT EA 18/225
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek dwangakkoord (art. 287a Fw). Verzoeker is voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt, voldoende aannemelijk dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen, verslaving(en) van verzoeker zijn al zeer lange tijd onder controle en zijn situatie is stabiel.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 17 april 2018

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 5 februari 2018, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser (met drie vorderingen), te weten:

- Anderzorg N.V., vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders (hierna: Anderzorg);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Anderzorg heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 10 april 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Beschermingsbewindkantoor Nederland (hierna: beschermingsbewind);

  • -

    mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland (hierna:

schuldhulpverlening);

- mevrouw [naam 4] , werkzaam bij Antes (hierna: hulpverlening).

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift eenentwintig concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 12.212,49 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 19 september 2017 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 40,04 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WAO-uitkering. Verzoeker is voor 80-100 % arbeidsongeschikt verklaard. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door beschermingsbewind voldaan.

Achttien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Anderzorg stemt hier niet mee in. Zij heeft drie vorderingen van in totaal € 1.606,84 op verzoeker, welke 13,15 % van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft Anderzorg zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift

niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Daarnaast stelt Anderzorg dat zij te allen tijde bereid is geweest om met verzoeker een redelijke betalingsregeling te treffen. Anderzorg is zeer welwillend geweest om tot een oplossing te komen. Tevens kampt verzoeker met opiaat- en alcoholafhankelijkheid (waarvoor hij een methadon onderhoudsbehandeling ondergaat) en hij kan om die reden niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Voorts is het van belang dat verzoeker, bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, onder intensief en streng toezicht komt te staan van een WSNP-bewindvoerder en een rechter-commissaris. Anderzorg verzoekt dan ook om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Anderzorg geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Anderzorg bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Anderzorg in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van Anderzorg een relatief klein aandeel vormen in de totale schuldenlast van 13,15 % en dat alle andere schuldeisers met de aangeboden regeling akkoord zijn gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Schuldbemiddeling Nederland. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd, en is voldoende aannemelijk gemaakt dat aan alle waarborgen die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Daarnaast is ter zitting voldoende toegelicht dat de verslaving(en) van verzoeker al zeer lange tijd onder controle zijn en dat zijn situatie stabiel is.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Anderzorg, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Anderzorg te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Anderzorg zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- Beveelt Anderzorg om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Anderzorg in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van
B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.