Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3419

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/10/546323 / FT EA 18/418 - C/10/546324 / FT EA 18/419
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek moratorium (art. 287b Fw). Huur is lange tijd niet betaald, huur is te hoog gelet op het inkomen van verzoekers. Geen waarborgen voor een succesvol minnelijk traject.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1]

[nummer 2]

uitspraakdatum: 23 april 2018

[naam 1] en [naam 2],

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 8 maart 2018, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 9 maart 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 april 2018.

Ter zitting van 23 april 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekers;

  • -

    de heer [naam 3] , werkzaam bij PLANgroep (hierna: SHV).

SWG Incasso Advocaten B.V. heeft namens de Stichting Rabobank Pensioenfonds (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Tevens heeft SWG Incasso Advocaten B.V. aangekondigd dat namens verweerster niemand ter terechtzitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 2 februari 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.

Verzoekers hebben ter terechtzitting verklaard dat de huursom van € 1.023,00 per maand voor hen veel te hoog is. Zodra zij de kans krijgen zullen verzoekers verhuizen naar een goedkopere huurwoning. Verzoekers hebben verklaard dat er onverwachts een nichtje bij hen is komen inwonen, waardoor de verhuizing nog niet in gang is gezet. In de periode waarin de huur in het geheel niet door verzoekers is betaald, was verzoeker zonder werk komen te zitten. Een uitkering hadden zij niet aangevraagd.

Verzoeker heeft sinds vijf weken een fulltime baan als schilder. Verzoekster werkt 16 uur per week in de zorg. Voorts hebben verzoekers verklaard dat de aanvraag voor beschermingsbewind bij de rechtbank zou moeten zijn ingediend.

3 Het verweer

De gemachtigde van verweerster heeft zich in haar verweerschrift van 13 april 2018 verzet tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verzoekers in het verleden meerdere malen toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun betalingsverplichting, hetgeen driemaal eerder resulteerde in een ontruimingsvonnis van de rechtbank Rotterdam (23 januari 2015, 25 september 2015 en 23 december 2016). Inmiddels is onderhavige zaak het vijfde incassodossier van verweerster. Verzoekers betalen al jarenlang stelselmatig de huurbetalingen te laat en onvolledig. Verzoekers hebben voor de maanden november 2017 tot en met maart 2018 in het geheel geen huur voldaan. Daarnaast is de huur voor de maand april 2018 onvolledig en te laat voldaan.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting nader toe te lichten.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 2 februari 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 19 februari 2018 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 maart 2018 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 februari 2018 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huursom van € 1.023,00 die verzoekers maandelijks moeten betalen is, gelet op hun inkomen, te hoog, en staat er ook aan in de weg om een minnelijk traject succesvol te doorlopen. Verzoekers zullen, zoals SHV ter zitting ook heeft onderkend, moeten verhuizen om een kansrijke minnelijke regeling te kunnen aanbieden. Daarnaast hebben verzoekers de huur lange tijd, over de maanden november 2017 tot en met maart 2018, in het geheel niet voldaan; de huur voor de maand april 2018 is onvolledig en te laat voldaan. Tevens is de aanvraag voor beschermingsbewind nog niet afgerond en ook budgetbeheer is nog niet opgestart. Al met al zijn er onvoldoende waarborgen dat binnen zes maanden een succesvolle minnelijke regeling kan worden opgestart. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van
B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.