Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3417

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/10/546232 / FT EA 18/411 – C/10/547665 / FT EA 18/558
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moratorium 287b toewijzen. De feitelijke schuldbemiddeling in Wsnp-traject moet gebeuren door persoon of instelling als bedoeld in art. 48, eerste lid, Wck.

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet 48
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1]
[nummer 2]

uitspraakdatum: 13 april 2018

[naam 1] en [naam 2]

wonende te [adres]

[woonplaats]

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 7 maart 2018, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 8 maart 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 april 2018.

Ter zitting van 5 april 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekers;

  • -

    de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] , werkzaam bij PLANgroep Ridderkerk (hierna: SHV);

  • -

    mevrouw [naam 5] , beschermingsbewindvoerder, werkzaam bij Aabell budgetbegeleiding & bewindvoering (hierna: beschermingsbewind);

  • -

    de [naam 6] , werkzaam bij de stichting Stichting Woonvisie, gevestigd te Ridderkerk en de heer [naam 7] , werkzaam bij Flanderijn Van Eck, namens de stichting Stichting Woonvisie (hierna: verweerster).

De heer [naam 7] , werkzaam bij Flanderijn Van Eck, heeft namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 12 januari 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.

SHV heeft ter terechtzitting verklaard dat verzoekers hem hebben laten weten dat zij de huur vanaf januari 2018 hebben voldaan. Sinds 3 april 2018 staan verzoekers onder beschermingsbewind. De inkomsten van verzoekers zullen vanaf april 2018 op de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder worden gestort, zodat de beschermingsbewindvoerder kan zorgdragen voor tijdige en volledige betaling van de huur voor mei 2018. Verzoekers hebben voldoende inkomsten om de lopende huur te kunnen voldoen, zo heeft SHV verklaard.

Verzoekers hebben ter terechtzitting verklaard dat zij ervan uitgingen dat de huur vanaf januari 2018 door de werkgever van verzoekster zou worden voldaan. De Belastingdienst had een onverschuldigde betaling van de werkgever teruggestort naar de werkgever en deze was voornemens om hiermee een deel van de huurachterstand in te lopen. Dit geld kwam uiteindelijk echter ten goede van een beslaglegger. De werkgever van verzoekster heeft haar vervolgens geadviseerd in het zicht van de executiedatum geen betalingen aan verweerster te doen, opdat als de ontruiming doorgang zou vinden, verzoekers nog wat over zouden hebben om te verhuizen.

3 Het verweer

Bij verweerschrift van 29 maart 2018, door de rechtbank ontvangen op 30 maart 2018, heeft de gemachtigde van verweerster zich verzet tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat een verzoek tot moratorium alleen gedaan kan worden als er een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt ingediend. De toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). PLANgroep is geen instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck, aldus de gemachtigde van verweerster.

De gemachtigde van verweerster heeft bovendien aangevoerd dat verzoekers de huurachterstand na het vonnis van de kantonrechter van 12 januari 2018 verder hebben laten oplopen. Berekend tot en met maart 2018 bedraagt de achterstand € 8.611,24.

Verweerster heeft verzoekers voldoende kansen gegeven om de betalingsachterstand, die al in september 2016 ontstond, in te lopen.

Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat verzoekers de huur in de toekomst wel tijdig zullen voldoen. Gezien het vorenstaande verzoekt de gemachtigde van verweerster het verzoekschrift tot het treffen van een moratorium af te wijzen.

Ter terechtzitting heeft verweerster verklaard dat verzoekers de huur voor april 2018 weliswaar op 29 maart 2018 hebben voldaan, maar dat de laatste betaling daarvoor dateert van 30 oktober 2017. In de tussentijd is de huurachterstand verder opgelopen. Verweerster heeft verzoekers in oktober en november 2016 al aangeschreven over de betalingsachterstand. In november 2016 is zij zelfs op huisbezoek geweest om over de betalingsproblemen te praten. In december 2016 bleek dat verzoekers zich tot PLANgroep hadden gewend en in maart 2017 is verweerster akkoord gegaan met het minnelijk voorstel dat PLANgroep namens verzoekers had gedaan. Toen echter bleek dat verzoekers weer twee huurtermijnen onbetaald hadden gelaten, heeft verweerster haar akkoordverklaring ingetrokken. In september 2016 heeft verweerster, nadat verschillende contactverzoeken onbeantwoord bleven, haar vordering overgedragen aan haar gemachtigde. Toen bleek dat de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling van verzoekers had afgewezen en het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan, heeft verweerster haar gemachtigde opdracht gegeven tot dagvaarding over te gaan. Op 25 januari 2018 hebben verzoekers nog schriftelijk toegezegd om een bedrag van € 5.500,00 – dat de werkgever van verzoekster beschikbaar zou stellen – op 31 januari 2018 te zullen storten op de rekening van verweerster. Dit is niet gebeurd. Verweerster handhaaft daarom haar verzoek om het verzoekschrift tot het treffen van een moratorium af te wijzen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 12 januari 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 22 februari 2018 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 maart 2018 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 januari 2018 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben voldoende inkomsten en staan sinds 3 april 2018 onder beschermingsbewind. De inkomsten van verzoekers komen vanaf april 2018 op de beheerrekening, zodat de beschermingsbewindvoerder voor de betaling van de vaste lasten kan zorgdragen. Verzoekers hebben bovendien de huur voor april 2018 tijdig en volledig voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. In dat verband wijst de rechtbank verzoekers erop dat artikel 288 lid 2 aanhef en onder b van de Faillissementswet bepaalt dat een Wsnp-verzoek wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling – de feitelijke schuldbemiddeling dus - niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. PLANgroep kan niet worden aangemerkt als een dergelijke instelling. Zij dient de feitelijke schuldbemiddeling dan ook te laten uitvoeren door personen die daartoe wel bevoegd zijn, zoals – bijvoorbeeld – bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet. Indien dit niet gebeurt, zal het desbetreffende Wsnp-verzoek worden afgewezen op grond van artikel 288, tweede lid, onder b, Fw. Dit geldt ook in het geval dat deze schuldbemiddeling feitelijk niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck, maar deze bemiddeling onder ‘dossiercontrole’ van een daartoe wel bevoegde persoon of instantie heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 10 februari 2012 (LJN BU6758) en het Gerechtshof Den Haag van 27 juni 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1823).

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 januari 2018 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat SHV die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van R.I. Buitenwerf-Don, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.