Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/10/530723 / HA ZA 17-671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Eiseres heeft met de curator afspraken gemaakt over de continuering van haar dienstverlening gedurende het faillissement van haar gefailleerde contractspartij. Curator draagt vermogensbestanddelen uit de boedel over aan gedaagde en bedingt daarbij tevens dat gedaagde de met eiseres gemaakte afspraken dient te respecteren/eerbiedigen. Is gedaagde gebonden aan de eerder tussen gefailleerde en eiseres bestaande overeenkomst van dienstverlening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0182
JOR 2018/224 met annotatie van mr. dr. T.T. van Zanten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/530723 / HA ZA 17-671

Vonnis van 11 april 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JJR VASTGOED B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.W. ten Katen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en JJR genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 juli 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende een (voorwaardelijke) eis in reconventie van 30 augustus 2017, met producties;

  • -

    de brief van 20 september 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de comparitie van partijen;

  • -

    de brief van 17 januari 2018 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de comparitie van partijen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid van 1 februari 2018, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2018;

  • -

    de brief van mr. Ten Katen inhoudende een reactie op het proces-verbaal van 23 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] verricht secretariaatswerkzaamheden en administratieve werkzaamheden voor bedrijven.

2.2.

[eiseres] heeft in de periode 1994-2015 werkzaamheden verricht voor Stichting Bedrijvencentrum Drechtsteden (hierna: SBD). In de periode 1999-2015 heeft zij werkzaamheden verricht voor Stichting Bedrijvencentrum Sliedrecht (hierna: SBS). SBD was eigenaar en exploitant van een bedrijvencentrum te Dordrecht; SBS was eigenaar en exploitant van een bedrijvencentrum te Sliedrecht. Onder andere heeft [eiseres] de receptie van de bedrijvencentra bemand en secretariële ondersteuning geboden aan SBD en SBS. [eiseres] heeft daarnaast werkzaamheden verricht voor bedrijven die in de bedrijvencentra een kantoorruimte huurden (hierna ook: huurders).

2.3.

Op 1 juli 1994 hebben SBD en [eiseres] een huurovereenkomst gesloten voor de huur van een kantoorruimte in het bedrijvencentrum te Dordrecht.

2.4.

Op 1 oktober 2012 hebben [eiseres] enerzijds en SBD en SBS anderzijds een Service Level Agreement gesloten (hierna: de SLA). In de SLA is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

De honorering voor ASK is vastgesteld op € 3.500,00 exclusief btw per maand per vestiging (…).

De overige werkzaamheden (werkzaamheden die niet onder de werkzaamheden van een receptioniste vallen)(…) zijn niet opgenomen in deze overeenkomst. De kosten voor secretariaatswerkzaamheden bedragen € 30,00 (exclusief btw) per uur en worden apart gefactureerd.”

2.5.

Op 22 mei 2015 heeft SBS [eiseres] (onder andere) als volgt bericht:

Je hebt aangegeven graag in het centrum actief te willen blijven. We hebben daarover verschillende malen overlegd. Het resultaat daarvan is dat wij als verhuurder en jij als dienstverlener aan de stichting allebei geen mogelijkheid zien om de dienstverlening in Sliedrecht voort te zetten.”

2.6.

SBD en SBS zijn op 7 juli 2015 in staat van faillissement verklaard met benoeming van [curator] . In het eerste faillissementsverslag van SBS is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Curator wordt bijgestaan door ASK secretariaatsservice (…). Huurnota’s voor de maand augustus en de daaropvolgende maanden zijn verzonden. ASK verzorgt elke maand verzending van de nota’s en assisteert de curator verder in het (technisch) beheer vanuit Dordrecht. (…) Potentiële huurders worden met behulp van bestuur en ASK ontvangen en rondgeleid (…).”

Het eerste faillissementsverslag van SBD is op dit punt – een enkel detail daargelaten – gelijkluidend.

2.7.

Op 1 juni 2016 heeft de curator een tweetal koopovereenkomsten gesloten met JJR. De curator en JJR zijn daarin overeengekomen dat JJR het onroerend goed te Dordrecht respectievelijk Sliedrecht waarin de bedrijvencentra zijn gevestigd, alsmede de daarin aanwezige inventaris, uit de boedel zou kopen. In beide koopovereenkomsten is voorts, voor zover van belang, het volgende bepaald:

18.2. Koper zal de vanwege het faillissement tussen de curator en ASK Secretariaatsservice gemaakte afspraken ter zake van secretariële ondersteuning in het beheer eerbiedigen respectievelijk overnemen vanaf datum overdracht/levering. (…)”

2.8.

Als bijlage bij de koopovereenkomst voor het onroerend goed te Dordrecht is een overzicht van lopende huurovereenkomsten gevoegd. Hierop is melding gemaakt van de huurovereenkomst tussen SBD en [eiseres] . De huurovereenkomst is blijkens dit overzicht opgezegd tegen 1 juli 2016.

2.9.

Op 14 juni 2016 heeft de curator het onroerend goed waarin het bedrijvencentrum te Dordrecht is gevestigd geleverd aan JJR. Op 30 juni 2016 is ook het onroerend goed te Sliedrecht geleverd aan JJR.

2.10.

Op 28 juli 2016 heeft JJR [eiseres] als volgt geïnformeerd:

Bij deze delen wij u mede geen gebruik van uw diensten te zullen maken, danwel zeggen wij de diensten middels dit schrijven op.

Volledigheidshalve, uw werkzaamheden zullen eindigen per 31 augustus 2016.”

2.11.

In reactie op voormelde brief heeft [eiseres] JJR – bij ongedateerde brief –

(onder andere) als volgt bericht:

U gaat uit van een beëindiging van de diensten per 31 augustus 2016 maar wij menen dat dit 30 september 2016 moet zijn.

Zoals eerder met u besproken is er een opzegtermijn van 2 maanden afgesproken met de curator, u gaf aan dat dit redelijk was.”

2.12.

De curator heeft zich bij brief van 15 augustus 2016 als volgt tot JJR gericht:

Gelet op hetgeen wij in de koopovereenkomsten zijn overeengekomen met betrekking tot het eerbiedigen respectievelijk overnemen vanaf datum overdracht/levering van de met ASK Secretariaatsservice gemaakte afspraken, heeft zij mij gevraagd u te bevestigen dat in de afspraak die door mij in hoedanigheid van curator met ASK Secretariaatsservice is gemaakt, een opzegtermijn is overeengekomen van twee maanden. (…)

Ofschoon deze kwestie verder de boedel niet regardeert, meende ik er toch goed aan te doen u te wijzen op hetgeen wij in dit verband met elkaar hebben afgesproken en zoals dit ook is vastgelegd in de koopovereenkomsten.”

2.13.

De dienstverlening van [eiseres] voor JJR is op 31 augustus 2016 geëindigd. Op die datum heeft [eiseres] ook haar kantoorruimte in het bedrijvencentrum te Dordrecht verlaten.

2.14.

Bij brief van 31 augustus 2016 heeft de advocaat van [eiseres] JJR aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Cliënte deelde mij mede dat u de overeenkomst met haar (…) heeft opgezegd tegen 31 augustus 2016 met inachtneming van een opzegtermijn van slechts een maand, terwijl tussen u en de curator in deze een opzegtermijn is overeengekomen van twee maanden, derhalve een beëindiging van de overeenkomst per 30 september 2016 had moeten plaatsvinden. (…)

De schade van cliënte wordt door haar voorlopig begroot op € 8.000,00 exclusief btw, waarvan een bedrag ad € 3.500,00 exclusief BTW als zijnde maandelijkse honorering (september 2016) geldt en een bedrag ad € 2.403,00 exclusief btw ter zake van gederfde inkomsten betreft.”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

A. voor recht verklaart dat JJR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen geldende (duur)overeenkomst waardoor [eiseres] schade heeft geleden, en JJR veroordeelt tot het vergoeden van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, tot 1 april 2017 begroot op € 53.750,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016, tot de dag der algehele voldoening van de schade, althans tot het in dezen te wijzen vonnis;

B. JJR veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of dagdeel dat JJR niet voldoet aan het gevorderde onder A binnen 48 uur na het in dezen te wijzen vonnis;

subsidiair

C. voor recht verklaart dat JJR onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld waardoor [eiseres] schade heeft geleden, en JJR veroordeelt tot het vergoeden van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, tot 1 april 2017 begroot op € 53.750,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016, tot de dag der algehele voldoening van de schade, althans tot het in dezen te wijzen vonnis;

D. JJR veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of dagdeel dat JJR niet voldoet aan het gevorderde onder C binnen 48 uur na het in dezen te wijzen vonnis;

primair en subsdidiair

E. JJR veroordeelt in de kosten van deze procedure, met bepaling dat indien en voor zover deze kosten niet uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan, gedaagde in verzuim is en de wettelijke rente over de proceskosten aan [eiseres] verschuldigd is;

F. JJR te veroordelen in de nakosten, zulks te begroten op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening van het in dezen te wijzen vonnis, met bepaling dat indien en voor zover deze kosten niet uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan, gedaagde in verzuim is en de wettelijke rente over de proceskosten aan [eiseres] verschuldigd is.

3.2.

[eiseres] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat de tussen [eiseres] enerzijds en SBD en SBS anderzijds gesloten SLA op grond van artikel 18.2 van de koopovereenkomsten is overgenomen door JJR. De SLA heeft het karakter van een duurovereenkomst. JJR heeft deze duurovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van slechts één maand opgezegd. Gelet op de looptijd van de SLA had JJR een opzegtermijn van ten minste 6 maanden moeten hanteren. JJR is dientengevolge toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de duurovereenkomst. Subsidiair geldt dat JJR onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door de duurovereenkomst op te zeggen zonder daarbij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. [eiseres] heeft schade geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige gedraging van JJR. De schade bestaat in de gederfde winst over een periode van 6 maanden. De gemiddelde winst van [eiseres] bedraagt € 8.125,00 per maand, zodat JJR gehouden is om een bedrag van € 48.750,00 aan [eiseres] te voldoen. Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op buitengerechtelijke kosten. De buitengerechtelijke kosten worden begroot op € 5.000,00.

3.3.

JJR voert verweer. JJR stelt zich op het standpunt dat er tussen [eiseres] en JJR geen overeenkomst bestaat. Er is geen sprake van contractsoverneming. Uitgangspunt van de koopovereenkomsten is dat JJR geen zaken zou gaan doen met [eiseres] . JJR had daarom het recht om de dienstverlening van [eiseres] met inachtneming van een opzegtermijn van een maand te beëindigen. JJR heeft dat al in juni 2016 mondeling gedaan. Uit artikel 18.2 van de koopovereenkomsten volgt hoogstens dat JJR bij de beëindiging van de dienstverlening van [eiseres] een opzegtermijn van twee maanden in acht had moeten nemen, in welk geval de schade beperkt is tot één maand gederfde winst. Bij de begroting van de schade moet voorts rekening worden gehouden met het feit dat de bedrijvencentra reeds half leeg stonden, zodat de werkzaamheden – en daarmee: inkomsten – van [eiseres] beperkt zouden zijn geweest. Voor zover artikel 18.2 van de koopovereenkomsten een overname van de SLA inhoudt, heeft JJR ter zake van de inhoud van dit artikel gedwaald. Voor de zekerheid heeft JJR daarom de koopovereenkomsten buitengerechtelijk (partieel) vernietigd.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4.

JJR vordert voorwaardelijk dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

[eiseres] veroordeelt om aan JJR te betalen een bedrag ad € 7.727,03, te vermeerderen met de huur- en servicekosten van € 706,27 excl. btw per maand verschuldigd vanaf 1 september 2017 tot en met de dag waartegen de huurovereenkomst rechtsgeldig, d.w.z. met inachtneming van artikel 3 van de huurovereenkomst, door [eiseres] wordt opgezegd, en [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.5.

JJR legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiseres] een huurovereenkomst heeft gesloten met SBD. Tussen deze huurovereenkomst en de SLA bestaat samenhang. Voor zover in conventie komt vast te staan dat JJR de SLA heeft voortgezet, geldt dat JJR ook de tussen [eiseres] en SBD gesloten huurovereenkomst heeft voortgezet. [eiseres] is in dat geval gehouden om de door haar verschuldigde huurtermijnen vanaf 1 september 2016 tot de datum van een rechtsgeldige opzegging aan JJR te voldoen.

3.6.

[eiseres] voert verweer. Zij verzoekt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de procedure in reconventie verwijst naar de kantonrechter, nu het hier gaat om een aardzaak als bedoeld in artikel 93 sub c Rv. Inhoudelijk geldt dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en SBD per 1 juli 2016 is geëindigd.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiseres] vordert primair nakoming van de SLA door JJR. De SLA is in 2012 aangegaan door [eiseres] enerzijds en SBD en SBS anderzijds. Hoewel de SLA daarmee (op papier) een driepartijenovereenkomst is, begrijpt de rechtbank dat partijen aan de SLA uitvoering hebben als ware dit twee overeenkomsten, te weten (i) een overeenkomst tussen SBD en [eiseres] voor het bedrijvencentrum te Dordrecht en (ii) een overeenkomst tussen SBS en [eiseres] voor het bedrijvencentrum te Sliedrecht (hierna samen: de SLA’s).

4.2.

[eiseres] baseert haar primaire vordering op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de SLA’s door JJR. Hiertoe voert zij aan dat er sprake is van contractsoverneming door JJR. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus dat de koopovereenkomsten die de curator van SBD en SBS met JJR heeft gesloten moeten worden aangemerkt als aktes in de zin van artikel 6:159 BW. De SLA voor het bedrijvencentrum te Dordrecht is in dat geval door JJR overgenomen op grond van de koopovereenkomst tussen de curator in het faillissement van SBD en JJR, en de SLA voor het bedrijvencentrum te Sliedrecht op grond van de koopovereenkomst tussen de curator in het faillissement van SBS en JJR.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de SLA voor het bedrijvencentrum te Sliedrecht nog voor het faillissement van SBS is beëindigd. De SLA voor de vestiging te Dordrecht is niet voor het faillissement van SBD beëindigd. Onderscheid moet daarom worden gemaakt tussen twee verschillende situaties.

4.4.

Ter zake van de SLA voor het bedrijvencentrum te Dordrecht geldt het volgende. De SLA kan worden gekwalificeerd als een wederkerige overeenkomst. Een faillissement heeft in beginsel geen gevolgen voor wederkerige overeenkomsten. De rechten en verplichtingen van de schuldenaar en diens wederpartij worden daardoor in beginsel niet gewijzigd. Aan de orde is vervolgens de vraag of de SLA op grond van artikel 18.2 van de koopovereenkomst door JJR is overgenomen.

4.5.

Op grond van artikel 6:159 BW kan een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. De wet beschouwt de contractsoverneming als een driepartijenovereenkomst tussen overdrager, overnemer en wederpartij. Overgang vindt pas plaats op het moment van wilsovereenstemming van alle drie betrokken partijen.

4.6.

Van wilsovereenstemming gericht op de overname van de SLA is naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval geen sprake. Een zodanige partijbedoeling van de curator en JJR kan redelijkerwijs niet uit artikel 18.2 van de koopovereenkomst worden afgeleid. Uit dit artikel volgt immers dat JJR “de tussen de curator en [eiseres] vanwege het faillissement gemaakte afspraken” zal overnemen. Daaruit volgt niet dat er sprake is van een contractsoverneming van de SLA. Een dergelijk ruime interpretatie van artikel 18.2 van de koopovereenkomst verdraagt zich ook niet met de uitlatingen van de curator in zijn brief van 15 augustus 2016.

4.7.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de curator bij het sluiten van de koopovereenkomst ten behoeve van [eiseres] van JJR heeft bedongen dat zij de tussen de curator van SBD en [eiseres] gemaakte afspraken zou respecteren (artikel 6:253 BW). De stellingen van JJR dat zij meende dat de samenwerking met [eiseres] per de datum van de overdracht van het onroerend goed zou eindigen, dat zij de implicaties van artikel 18.2 van de koopovereenkomst niet heeft begrepen en/of dat zij artikel 18.2 in het geheel niet met de curator heeft besproken, doen daar niet aan af. De tekst van de koopovereenkomst is op dit punt volstrekt helder. JJR heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij de koopovereenkomst op dit punt anders heeft begrepen en heeft mogen begrijpen.

4.8.

De hiervoor vermelde afspraken bestonden er blijkens de brief van de curator van 15 augustus 2016 en de ongedateerde brief van [eiseres] (onder andere) in dat [eiseres] gedurende het faillissement van SBD tegen een vergoeding bepaalde administratieve werkzaamheden diende te verrichten voor de curator, de receptie van het bedrijvencentrum te Dordrecht diende te bemannen en dat de curator een opzegtermijn van twee maanden zou respecteren ter zake van deze afspraken met [eiseres] . Het zijn deze afspraken waaraan [eiseres] JJR op grond van artikel 18.2 van de koopovereenkomst kan houden. [eiseres] mocht erop vertrouwen dat JJR hetgeen de curator blijkens de koopovereenkomst ten behoeve van [eiseres] van JJR had bedongen zou nakomen.

4.9.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. In de hypothetische situatie dat [eiseres] en de curator wel een contractsoverneming van de SLA zouden hebben beoogd, dan geldt dat zulks met artikel 18.2 van de koopovereenkomst niet is verwezenlijkt. JJR hoefde er op grond van de tekst van artikel 18.2 van de koopovereenkomst redelijkerwijs niet van uit te gaan dat zij in de rechten en plichten trad van SBD. [eiseres] en de curator mochten daar op basis van de tekst van de koopovereenkomst ook niet op vertrouwen. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan zij daarop wel mochten vertrouwen, zijn gesteld noch gebleken.

4.10.

Ter zake van de SLA voor het bedrijvencentrum te Sliedrecht geldt dat de beëindiging van de SLA voor het faillissement van SBS reeds in de weg staat aan een contractsoverneming door JJR. Uit het faillissementsverslag van SBS kan echter worden afgeleid dat voor het bedrijvencentrum te Sliedrecht nieuwe afspraken zijn gemaakt door [eiseres] en de curator. Van die afspraken maakt eveneens deel uit de afspraak om een opzegtermijn van twee maanden te respecteren. Met de koopovereenkomst tussen de curator van SBS en JJR zijn deze afspraken overgegaan op JJR. Dat wil zeggen dat [eiseres] er jegens JJR aanspraak op kan maken dat JJR de door de curator gedane toezegging met betrekking tot de opzegtermijn zou respecteren.

4.11.

Nu vast staat dat de SLA’s niet zijn overgenomen door JJR, kan [eiseres] geen vordering verband houdende de beëindiging van langlopende duurovereenkomsten jegens JJR geldend maken. [eiseres] heeft slechts een aanspraak jegens JJR tot de vergoeding van haar schade in verband met de niet-nakoming van de door de curator op zich genomen (en aan JJR overgedragen) verplichting om een opzegtermijn van twee maanden te hanteren. Weliswaar heeft JJR gesteld dat zij reeds op 1 juni 2016 aan [eiseres] te kennen heeft gegeven dat zij de afspraken met [eiseres] niet wenste te vervolgen, zodat zij wel een termijn van twee maanden in acht heeft genomen, doch die stelling heeft zij – ook na gerichte vragen van de rechtbank daaromtrent – niet nader onderbouwd. Uitgaande van de datum van de opzeggingsbrief van 28 juli 2016 had JJR de dienstverlening van [eiseres] niet eerder dan tegen 30 september 2016 mogen opzeggen. Door op te zeggen tegen 31 augustus 2016, is zij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] . JJR is gehouden de dientengevolge door [eiseres] geleden schade te vergoeden.

4.12.

Een aanvullende vordering tot schadevergoeding jegens JJR komt [eiseres] niet toe, ook niet op grond van onrechtmatige daad. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt – gelet op het hiervoor overwogene – niet in te zien dat JJR onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door geen opzegtermijn van zes maanden te hanteren ter zake van de tussen [eiseres] en JJR bestaande samenwerking.

4.13.

Slechts de primaire vordering van [eiseres] is daarmee – partieel – toewijsbaar. De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Er bestaat uitsluitend grond om een gedeelte van de door [eiseres] gevorderde schade toe te wijzen. De schade zal door de rechtbank op de hierna te melden wijze worden begroot. Voor het opleggen van een dwangsom voor het geval niet wordt voldaan aan de veroordeling tot het vergoeden van schade bestaat geen grond.

4.14.

De rechtbank zal voor de begroting van de door [eiseres] geleden schade aanknopen bij de brief van [eiseres] van 31 augustus 2016. Uit moet worden gegaan van wat [eiseres] in september 2016 aan inkomsten is misgelopen. Blijkens de brief van 31 augustus 2016 is dat een vast bedrag van € 3.500,00 voor de bemanning van de receptie van het bedrijvencentrum te Dordrecht, en een bedrag van € 2.403,00 ter zake van gederfde winst door het mislopen van werkzaamheden in de bedrijvencentra te Dordrecht en Sliedrecht. De stelling van JJR dat bij de begroting van de schade rekening moet worden gehouden met het feit dat de bedrijvencentra half leeg stonden, is onvoldoende concreet om daarmee bij de begroting van de schade rekening te houden. De rechtbank acht derhalve een bedrag van € 5.903,00 toewijsbaar.

4.15.

De door [eiseres] geleden schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2016, zijnde de dag dat de schade door [eiseres] geacht kan worden te zijn geleden. Er bestaat geen grond voor de toekenning van wettelijke handelsrente. Artikel 6:119a BW ziet alleen op de situatie dat betaling van het op grond van een overeenkomst verschuldigde niet tijdig plaatsvindt en niet op het geval dat er sprake is van een verplichting tot schadevergoeding.

4.16.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim van JJR na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Onder andere heeft de advocaat van [eiseres] reeds op 31 augustus 2016 een aansprakelijkstelling aan JJR verzonden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief.

4.17.

[eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De vordering van [eiseres] wordt immers vrijwel volledig afgewezen. Daarbij geldt dat het niet aan het handelen of nalaten van JJR te wijten is dat [eiseres] deze procedure is begonnen. JJR heeft onbetwist gesteld dat zij voor aanvang van de procedure heeft aangeboden om de schade van [eiseres] bestaande in de misgelopen inkomsten over de maand september 2016 te vergoeden. Indien [eiseres] op dit aanbod was ingegaan, had deze procedure kunnen worden voorkomen.

in reconventie

4.18.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft JJR toegelicht dat zij haar eis in reconventie voorwaardelijk heeft ingesteld. JJR heeft de aan de instelling van de eis in reconventie verbonden voorwaarde als volgt geformuleerd: “de huurovereenkomst zou – vanwege de samenhang met de SLA – wel gecontinueerd moeten worden indien JJR gehouden zou zijn de SLA voort te zetten”. Deze voorwaarde is blijkens het voorgaande niet vervuld. JJR is niet gehouden de SLA(‘s) voort te zetten, doch uitsluitend om de met de curator ten behoeve van [eiseres] gemaakte afspraken na te komen.

4.19.

Bij gebreke van vervulling van de voorwaarde moet de eis in reconventie als niet-ingesteld worden beschouwd. De rechtbank komt daarmee niet toe aan de beoordeling van het door [eiseres] opgeworpen bevoegdheidsincident. JJR zal in de proceskosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt JJR om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.903,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, met ingang van 30 september 2016, tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt JJR in de buitengerechtelijke kosten van € 676,07, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van JJR tot op heden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.712,00

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af;

5.7.

veroordeelt JJR in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 894,00 aan salaris advocaat (1,0 punt × tarief € 894,00);

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van Buchem en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

[1729/2991]