Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3414

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/10/528248 / HA ZA 17-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cessie van een overeenkomst van geldlening. Cessionaris vordert betaling van consumenten van uitstaande schuld. Ambtshalve toetsing. Is het rentebeding oneerlijk (richtlijn 93/13/EEG)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/528248 / HA ZA 17-552

Vonnis van 7 maart 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

HOIST PORTFOLIO HOLDING LIMITED,

gevestigd te Jersey,

eiseres,

advocaat mr. G.E.J. Kornet te Zwolle,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. K. Kuster te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Hoist en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 mei 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 19 juli 2017;

  • -

    de brief van 20 september 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de comparitie van partijen;

  • -

    de brief van 14 december 2017 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de comparitie van partijen;

  • -

    de akte overlegging producties van Hoist van 23 november 2017;

  • -

    de akte overlegging producties van Hoist van 28 november 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 8 juli 2010 heeft [gedaagden] een overeenkomst van geldlening gesloten met De Nederlandse Voorschotbank N.V. (hierna: de Voorschotbank). Het betreft een zogeheten rentekrediet met een kredietlimiet van € 47.750,00 (hierna: de Kredietovereenkomst). De kredietvergoeding/de rente bedraagt 0,442% per maand.

2.2.

Op de Kredietovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van de Voorschotbank van toepassing. In de algemene voorwaarden is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

Artikel 3. Kredietvergoeding

b. De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo (…);

c. Bij niet tijdige betaling van één of meer vervallen maandtermijnen wordt over het uitstaande saldo voorzover dit de kredietlimiet niet overschrijdt kredietvergoeding berekend conform het sub b gestelde.

Artikel 8. Vertragingsvergoeding

Ingeval van te late betaling van één of meer maandtermijnen waardoor de kredietlimiet overschreden wordt, is Kredietnemer vertragingsvergoeding verschuldigd over het deel van het uitstaand saldo dat de kredietlimiet te boven gaat, indien Kredietnemer na ontvangst van een ingebrekestelling niet alsnog binnen de in deze ingebrekestelling vermelde termijn betaalt.

De vertragingsvergoeding wordt in dagen nauwkeurig berekend op basis van het in het kader van de krediettransactie overeengekomen effectieve kredietvergoedings-percentage op jaarbasis (…).

De voornoemde vertragingsrente wordt eveneens berekend over het bedrag dat door Kredietgever wordt opgeëist conform Artikel 9, voor zover Kredietnemer dit bedrag niet binnen de termijn als vermeld in de opeising heeft betaald.

Artikel 9. Opeisbaarheid

De restantschuld en al hetgeen door de kredietnemer verschuldigd mocht zijn krachtens onderhavige overeenkomst is in zijn geheel en onmiddellijk opeisbaar, indien:

a. Kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in het nakomen van zijn verplichtingen (…).”

2.4.

Op 5 augustus 2010 heeft [gedaagden] bedragen opgenomen tot aan de kredietlimiet.

2.5.

Op enig moment is [gedaagden] in gebreke gebleven met de betaling van de over het uitstaande kredietbedrag verschuldigde kredietvergoeding. Op 13 maart 2012 heeft de Voorschotbank de Kredietovereenkomst opgezegd en het uitstaande kredietbedrag en de daarover verschenen kredietvergoeding en vertragingsvergoeding opgeëist.

2.6.

Bij brief van 10 mei 2012 heeft de Voorschotbank [gedaagden] nogmaals verzocht om het uitstaande kredietbedrag alsmede de daarover verschuldigde kredietvergoeding en vertragingsvergoeding te voldoen. Daarbij heeft de Voorschotbank tevens aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten van € 1.500,00 exclusief btw.

2.7.

Bij onderhandse akte van cessie van 30 oktober 2013 heeft de Voorschotbank haar vorderingen op [gedaagden] aan Hoist gecedeerd. Op 30 januari 2014 is de cessie aan [gedaagden] medegedeeld.

2.8.

De Voorschotbank respectievelijk Hoist, althans door de Voorschotbank respectievelijk Hoist ingeschakelde derden, hebben in de periode mei 2012 – juli 2016 diverse aanmaningen aan [gedaagden] verzonden.

3 Het geschil

3.1.

Hoist vordert – samengevat – dat de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt:

I. Om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Hoist te voldoen een bedrag van € 64.860,26, vermeerderd met de overeengekomen vertragingsrente van 0,442% per maand, te rekenen vanaf 25 april 2017 tot de dag der algehele voldoening;

II. Om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Hoist te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten volgens staffel Wet Besluit Vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag ad € 1.423,60 (incl. btw), althans een zodanig bedrag – vermeerderd met btw – als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. Tot betaling van nakosten ad € 131,00 zonder dat betekening van het ter zake te wijzen vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag ad € 68,00 indien en voor zover gedaagden niet binnen vijftien dagen na aanschrijving van de veroordeling hebben voldaan en het vonnis om die reden is betekend;

IV. Tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Hoist vordert betaling door [gedaagden] van de uit de tussen de Voorschotbank en [gedaagden] gesloten Kredietovereenkomst voortvloeiende, en aan Hoist gecedeerde, vorderingen. De hoofdsom van € 64.860,26 bestaat volgens Hoist uit het uitstaande kredietbedrag van € 47.750,00 vermeerderd met de kredietvergoeding alsmede met vertragingsvergoeding over de periode 19 februari 2012 tot 25 april 2017.

3.3.

[gedaagden] heeft de verschuldigdheid van de hoofdsom ter gelegenheid van de comparitie van partijen erkend. [gedaagden] betwist de ontvangst van de door Hoist overgelegde aanmaningen en sommatiebrieven. [gedaagden] betwist voorts de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van de gevorderde kosten staan volgens [gedaagden] niet in verhouding tot de door de Voorschotbank en/of Hoist en/of ingeschakelde derden verrichte inspanningen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Uit de dagvaarding volgt dat Hoist gevestigd is te Jersey. Allereerst ligt daarom de vraag voor of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Hoist. Dat is het geval. Het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de Verordening EU nr. 1215/2012 (hierna: EEX-Vo II). Nu [gedaagden] woonachtig is in Nederland, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 EEX-Vo II rechtsmacht.

4.2.

Tussen Hoist en [gedaagden] is niet in geschil dat hun rechtsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht.

Ambtshalve toetsing

4.3.

[gedaagden] is de Kredietovereenkomst met de Voorschotbank aangegaan als consument. Onderzocht moet daarom worden of de artikelen uit de Kredietovereenkomst waarop Hoist haar vordering baseert zich verdragen met bepalingen uit Europeesrechtelijke consumentenbeschermende richtlijnen. De rechtbank dient dit ambtshalve te beoordelen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de taak tot ambtshalve richtlijnconforme toetsing geldt voor – onder andere – bepalingen van Nederlands recht ter omzetting van bepalingen uit de richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG, hierna: de Richtlijn).

4.4.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Uit de bijlage bij de Richtlijn volgt onder andere dat bedingen die de consument die zijn verplichtingen niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding opleggen, als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Indien de rechtbank vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn is zij gehouden om het beding te vernietigen.

4.5.

De rechtbank ziet zich in dit geval voor de vraag gesteld of artikel 8 van de algemene voorwaarden – waarop Hoist haar vordering tot betaling van de vertragingsvergoeding baseert – onredelijk bezwarend is. Op grond van dit artikel is de kredietnemer vertragingsvergoeding verschuldigd over het deel van het uitstaand saldo dat de kredietlimiet te boven gaat. De hoogte van de vertragingsvergoeding is gelijk gesteld aan de hoogte van de kredietvergoeding. In het geval dat artikel 8 in de Kredietovereenkomst zou ontbreken, zou Hoist slechts aanspraak hebben op wettelijke rente conform artikel 6:119 BW. De wettelijke rente is thans 2% per jaar en was 3% per jaar ten tijde van het sluiten van de Kredietovereenkomst. De overeengekomen kredietvergoeding en vertragingsvergoeding zijn beide 5,3% per jaar (0,442% per maand).

4.6.

Van een onevenredige schadevergoeding in de zin van de Richtlijn is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De consequentie daarvan is dat artikel 8 van de Kredietovereenkomst niet kwalificeert als een oneerlijk beding als bedoeld in Richtlijn. Bij dit oordeel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat (i) hoewel het karakter van de rentevergoeding van kleur verschiet (de kredietvergoeding wordt in feite schadevergoeding), de hoogte van de verschuldigde rente gelijk blijft, (ii) [gedaagden] ondanks de overschrijding van de kredietlimiet en de opzegging van de kredietfaciliteit feitelijk nog steeds gebruik kan maken van de kredietfaciliteit en (iii) het percentage van 5,3% per jaar niet onevenredig hoog is gelet op de huidige normen voor kredietvergoedingen in consumentenkredietovereenkomsten onder het Besluit Kredietvergoeding, zijnde op jaarbasis de wettelijke rente verhoogd met 12%.

De verschuldigdheid van de hoofdsom

4.7.

[gedaagden] heeft de hoogte en de verschuldigdheid van het uitstaande kredietbedrag van € 47.750,00 niet betwist. De vordering sub I van Hoist – voor zover deze betrekking heeft op het uitstaande kredietbedrag van € 47.750,00 – zal daarom worden toegewezen.

4.8.

De vordering van Hoist (sub I) is eveneens toewijsbaar voor zover deze strekt tot betaling van de kredietvergoeding van 0,442% per maand over het uitstaande kredietbedrag van € 47.750,00, voor zover de kredietvergoeding niet is voldaan door [gedaagden] Blijkens een door Hoist overgelegd overzicht heeft [gedaagden] vanaf 30 november 2011 geen kredietvergoeding meer voldaan. Toewijsbaar is dan ook de maandelijkse kredietvergoeding over het bedrag van € 47.750,00 vanaf 30 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.9.

Daarnaast is [gedaagden] de vertragingsvergoeding van 0,442% per maand verschuldigd over het deel van het uitstaande saldo dat de kredietlimiet te boven gaat, doch niet eerder dan nadat hij in gebreke is gesteld en vervolgens niet binnen de in de ingebrekestelling genoemde termijn heeft betaald (artikel 8 van de Kredietovereenkomst). Hoist heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen aangevoerd dat de Voorschotbank – indachtig de ingebrekestelling van 13 februari 2012 – pas vanaf 19 februari 2012 vertragingsvergoeding over het deel van het uitstaande saldo dat de kredietlimiet te boven gaat in rekening heeft gebracht bij [gedaagden] betwist de ontvangst van correspondentie van de Voorschotbank en Hoist, waaronder ook de ingebrekestelling van 13 februari 2012. Hiertoe voert [gedaagden] onder andere aan dat zijn woning in mei 2012 executoriaal is verkocht. Nu vast staat dat de ingebrekestelling dateert van vóór de gestelde executoriale verkoop, en tevens is gebleken dat deze is verzonden naar het adres van [gedaagden] zoals dat destijds bekend was in de Basisregistratie Personen, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de ingebrekestelling [gedaagden] heeft bereikt. [gedaagden] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van vertragingsvergoeding van 0,442% per maand over het deel van het uitstaande saldo dat de kredietlimiet van € 47.750,00 te boven gaat vanaf 19 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Kosten

4.10.

Hoist vordert ten titel van buitengerechtelijke kosten een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het Besluit is echter slechts van toepassing indien het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat uit de stellingen van Hoist kan worden afgeleid dat die situatie hier niet aan de orde is. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, zal daarom worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport Voorwerk II (hierna: het Rapport).

4.11.

Hoist voert aan dat de door haar gevorderde kosten van € 1.423,60 (incl. btw) dienen te worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten. De kosten hebben volgens Hoist betrekking op andere (buitengerechtelijke) verrichtingen dan die ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Hoist een aantal door incassobureaus aan [gedaagden] verzonden aanmaningen en sommatiebrieven overgelegd. De rechtbank stelt vast dat het hier – zoals [gedaagden] terecht aanvoert – om eenvoudige brieven zonder bijzondere inhoud gaat. Daar staat tegenover dat het om een substantieel aantal aanmaningen en sommatiebrieven gaat. De hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten valt voorts ruim binnen het forfaitaire tarief van het Rapport. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde kosten in redelijkheid zijn gemaakt en dat de omvang daarvan eveneens redelijk is.

4.12.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hoist worden begroot op:

- dagvaarding

€ 95,82

- griffierecht

€ 1.789,00

- salaris advocaat

1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal

€ 3.672,82

4.13.

De door Hoist gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Hoist te betalen een bedrag van € 47.750,00, vermeerderd met:

- de kredietvergoeding van 0,442% per maand over een bedrag van € 47.750,00 vanaf 30 november 2011, en

- de vertragingsvergoeding van 0,442% per maand over het deel van het uitstaand saldo dat het bedrag van € 47.750,00, te boven gaat vanaf 19 februari 2012,

beide tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Hoist vastgesteld op € 3.672,82;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 15 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van Buchem en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.
[1729/2991]