Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3295

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
ROT 17/5195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder verstrekt op basis van buitenwettelijk begunstigend beleid vergunningen voor het gebruik van maritieme frequentieruimte aan wadloopgidsen, ondanks dat het Nationaal Frequentieplan 2014 hier geen ruimte voor biedt. Aan eiser zijn conform dit beleid zes kanalen gegund. Verweerder heeft het buitenwettelijk begunstigend beleid op consistente wijze toegepast. Verder laat het territorialiteitsbeginsel verweerder geen ruimte voor het aannemen van enige bevoegdheid om een beslissing te nemen op een aanvraag die betrekking heeft op gebruikmaking van frequentieruimte op Duits en/of Deens grondgebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/5195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Staatssecretaris van Economische zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigden: mr. E. Boxman en mr. S.P. Janssen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergunning in de categorie Bijzonder gebruik maritieme frequenties (PORTOSEC, portofoon zonder schip) van eiser verlengd tot 27 februari 2022.

Bij besluit van 21 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Eiser, bijgestaan door [persoon] , heeft – via telefoonverbinding – deelgenomen aan het onderzoek ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Artikel 3.1 van de Telecommunicatiewet (Tw), voor zover hier van belang, luidt:

“1. Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, een

frequentieplan en wijzigingen daarvan vast.

2. Het frequentieplan bevat in ieder geval:

a. de bestemmingen van te onderscheiden frequentiebanden,

(...)

d. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen voor bepaalde bestemmingen

frequentieruimte al dan niet tezamen met categorieën van radioapparaten als

bedoeld in artikel 3.9, onder b, en al dan niet met een meldingsplicht, zonder

vergunning mag worden gebruikt,

e. de aanwijzing van frequentiebanden waarbinnen frequentieruimte voor bepaalde

bestemmingen niet zonder vergunning mag worden gebruikt, alsmede de

aanduiding of vergunningen worden verleend met toepassing van de procedure,

bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, dan wel na een

nader te maken keuze tussen een veiling of vergelijkende toets,

(...)”

Artikel 3.13 van de Tw luidt:

“1. Voor het gebruik van andere frequentieruimte dan die welke in het frequentieplan is

aangewezen als frequentieruimte waarvan het gebruik zonder vergunning is

toegestaan, dan wel die op grond van de artikelen 3.5 tot en met 3.5b is

toegewezen, is een vergunning vereist van Onze Minister.

2. Vergunningen worden slechts verleend in overeenstemming met het frequentieplan.”

2. Eiser is een wadloopgids. Bij brief van 10 februari 2017 heeft eiser verweerder verzocht om hem een ATIS-code toe te kennen voor het gebruik van de volledige Basel-frequenties van de scheepvaart en voor de communicatie met de landfrequenties die de verscheidende wadlooporganisaties gebruiken en eventueel in de toekomst gaan gebruiken. Verder heeft eiser verweerder gevraagd om zijn portofoon/marifoon vrij te stellen van de automatische beperking in het zendvermogen en om hem vrij te stellen van de beperking dat een marifoon niet mag scannen op verschillende frequenties. Bij e-mailbericht van 27 februari 2017 heeft eiser verweerder aanvullend verzocht om een wadloopgroep aan te merken als een ‘schip’, zodat eiser, als verantwoordelijke van de groep wadlopers, in contact kan staan met andere personen in deze groep en met personen die aan wal staan. Dit zou volgens eiser de veiligheid vergroten.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de vergunning in de categorie Bijzonder gebruik maritiem frequenties (PORTOSEC) van eiser verlengd. In de aanvullende bepalingen is opgenomen dat de portofoon uitsluitend mag worden gebruikt tijdens wadlooptochten. Het gebruik van de frequenties is beperkt tot kanaal 4, 5, 6, 10, 16 en 67. Kanaal 6 mag worden gebruikt voor kort zakelijk contact tussen wadloopgidsen onderling. Kanalen 6 en 10 mogen worden gebruikt voor kort zakelijk contact met een begeleidingschip. Verder dient de ATIS op de juiste wijze te zijn geprogrammeerd.

4.1.

Eiser voert in beroep aan dat hij voor de optimale veiligheid minimaal toegang dient te hebben tot 21 kanalen, maar bij voorkeur tot alle Basel-frequenties en alle landmobiele-frequenties van de wadlooporganisaties.

4.2.

Uit het Nationaal Frequentieplan 2014 volgt dat wadloopgidsen niet onder de bestemming “Maritiemmobiele communicatie” (MMS) vallen. In het Nationaal Frequentieplan 2014 staat MMS gedefinieerd als “A mobile service between coast stations and ship stations, or between ship stations, or between associated onboard communication stations; survival craft stations and emergency position indicating radio beacon (EPIRB) stations may also participate in this service”. Voor het gebruik van een MMS-frequentie wordt geen vergunning verleend, maar wordt, na melding, een registratie afgegeven.

Wadloopgidsen bevinden zich tijdens het wadlopen niet aan boord van een schip (ship station) en zijn ook niet te kwalificeren als een walstation (coast station), een reddingsboot (survival craft station), of een noodradiobaken (EPIRB). Daardoor verzet artikel 3.13, tweede lid, van de Tw zich tegen het verlenen van een vergunning aan wadloopgidsen, aangezien vergunningen alleen mogen worden verleend in overeenstemming met het Nationaal Frequentieplan 2014.

4.3.

Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat op basis van buitenwettelijk begunstigend beleid vergunningen worden verstrekt aan wadloopgidsen. Wadloopgidsen kunnen volgens verweerder een redelijk belang hebben bij het gebruik van maritieme frequenties voor bijvoorbeeld het aanroepen van nood- en hulpdiensten die communiceren op maritieme kanalen. Op grond van een bestendige gedragslijn worden aan wadloopgidsen zes kanalen vergund, namelijk de kanalen 4, 5, 6, 10, 16 en 67.

Elke aanvraag voor een vergunning voor gebruik van deze maritieme frequentieruimte wordt beoordeeld naar het gestelde belang en op doelmatig frequentiegebruik. Dit betekent dat niet elke aanvrager beschikking krijgt over alle 54 very high frequency (VHF) kanalen. Een brug of sluis krijgt bijvoorbeeld maar één kanaal toegewezen, dat speciaal bestemd is voor bruggen en sluizen. Een wadloopgids heeft volgens verweerder geen belang bij kanalen die niets van doen hebben met diens activiteiten. De eigenlijke gebruikers van deze kanalen zouden kunnen worden gestoord in hun communicatie indien een wadloopgids deze kanalen zou gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor de kanalen bestemd zijn.

4.4.

Gelet op de door de verweerder gegeven toelichting acht de rechtbank het door verweerder gehanteerde buitenwettelijk begunstigend beleid niet onredelijk.

5.1.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2813, en de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2066, blijkt dat bij een toets aan buitenwettelijk begunstigend beleid wordt nagegaan of het desbetreffende bestuursorgaan in overeenstemming met het beleid heeft gehandeld. De aanwezigheid en toepassing van het beleid wordt als een gegeven aanvaard. Als gevolg daarvan beperkt de rechterlijke toetsing zich tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast. Omdat de bestuursrechter dient te volstaan met de beoordeling van de vraag of het bestuursorgaan het beleid op consistente wijze heeft toegepast, is het niet van belang of eiser bekend was met de inhoud of wettelijke basis van dit beleid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1001).

5.2.

Eiser stelt dat er sprake is van inconsistente toepassing van het buitenwettelijk begunstigend beleid. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat twaalf collega-wadloopgidsen een registratie hebben gekregen, terwijl zij op het door verweerder verstrekte formulier “Melding frequentieruimte maritiem mobiel” hebben ingevuld dat de marifoon/portofoon zal worden gebruikt tijdens het wadlopen.

In reactie op deze stelling heeft verweerder tijdens de zitting toegelicht dat er 60.000 registraties voor schepen zijn. De door eiser genoemde registraties voor wadloopgidsen zijn niet overeenkomstig het buitenwettelijk begunstigend beleid afgegeven, aangezien overeenkomstig dat beleid enkel vergunningen worden verstrekt aan wadloopgidsen. De door eiser aangehaalde registraties berusten dan ook op een fout, aldus verweerder. Daarbij heeft verweerder benadrukt dat de registraties die aan wadloopgidsen zijn verstrekt, feitelijk alleen betekenis hebben aan boord van een schip.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er, nu verweerder niet heeft bedoeld om op deze wijze registraties af te geven voor wadloopgidsen en omdat die registraties bij het wadlopen zelf ook geen betekenis hebben, geen sprake is van inconsistente toepassing van het buitenwettelijk begunstigend beleid.

6.1.

Eiser verzoekt de rechtbank om te besluiten dat hij de landmobiele frequenties van wadloopcentrum Fryslân en andere wadlooporganisaties mag gebruiken. Daarnaast wil eiser bevestiging van de toestemming van verweerder voor het gebruik van de hoog vermogen stand en de scanfunctie van zijn marifoon. Verder wil eiser dat verweerder hem toegang geeft tot de frequenties op het Duitse en Deense wad.

6.2.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat een landmobiele frequentie maar één keer wordt gegund. Indien eiser gebruik wil maken van de landmobiele frequentie van een wadloopcentrum, dient eiser daarvoor toestemming te vragen aan het wadloopcentrum om van de landmobiele frequentie van dat wadloopcentrum gebruik te maken. Voor zover eiser een landmobiele frequentie voor alle wadloopgidsen wenst, heeft verweerder aangegeven dat hier enkel een eventueel gevolg aan kan worden gegeven indien alle wadloopgidsen zich verenigen om een landmobiele frequentie aan te vragen.

Verder heeft verweerder verduidelijkt dat uit het bestreden besluit volgt dat wadloopgidsen die een vergunning voor marifoongebruik hebben gekregen, gebruik mogen maken van de scanfunctie en de hoog vermogen stand van de marifoon.

6.3.

Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 16 juli 2009, ECLI:NL:2009:BJ3150, overweegt de rechtbank dat het territorialiteitsbeginsel verweerder geen ruimte laat voor het aannemen van enige bevoegdheid om een beslissing te nemen op een aanvraag die betrekking heeft op gebruikmaking van frequentieruimte op Duits en/of Deens grondgebied.

7. De rechtbank stelt vast dat uit het verweerschrift en de tijdens de zitting door verweerder gegeven toelichting volgt dat het door eiser verzochte dubbelgebruik van een marifoon van een schip tijdens het wadlopen is toegestaan. Een wadloopgids dient het gebruik van de marifoon tijdens het wadlopen wel te beperken tot de in de vergunning genoemde kanalen.

8. De rechtbank is niet bevoegd om enige uitspraak te doen over het verzoek van eiser om op regelgevend niveau aan te kaarten dat wadloopgidsen, voor wat betreft het verstrekken van vergunningen, gelijkgesteld kunnen worden met de pleziervaart. Ter zitting is echter door verweerder benadrukt dat het veiligheidsbelang bij de vergunning voor maritiemmobiele communicatie de aandacht heeft van verweerders Agentschap Telecom, en dat het Agentschap Telecom er bij het ministerie in Den Haag voor heeft gepleit dat dit goed geregeld wordt.

9. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat het verslag van de hoorzitting onvolledig en onjuist zou zijn. Wat daar verder ook van zij, een en ander betekent op zichzelf niet dat verweerder aan eiser een registratie voor de door eiser genoemde kanalen diende af te geven.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.