Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3287

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
C/10/547219 / KG ZA 18-287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van orthopedagoog-generalist en zijn praktijk jegens basisscholen toegewezen. Het versturen van brieven aan alle ouders met zorgen en bezwaren, zonder dat deze getoetst waren door een onafhankelijk deskundige die ook de visie van de orthopedagoog bij het onderzoek had betrokken, was onrechtmatig. Rectificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/505
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/547219 / KG ZA 18-287

Vonnis in kort geding van 19 april 2018

in de zaak van

1 de vennootschap onder firma [bedrijf] VOF ,

gevestigd te Dordrecht,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. L. van der Wijngaart,

tegen

1 de stichting STICHTING OPENBAAR BASISONDERWIJS ALBLASSERDAM,

gevestigd te Alblasserdam,

2. de vereniging VERENIGING TOT STICHTING EN INSTANDHOUDING VAN EEN SCHOOL MET DEN BIJBEL,

gevestigd te Alblasserdam,

3. de stichting STICHTING TOT HET VERSTREKKEN VAN CHRISTELIJK ONDERWIJS OP GEREFORMEERDE GRONDSLAG,

gevestigd te Nieuw-Lekkerland,

4. de stichting STICHTING PIT ONDERWIJS,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagden,

advocaat mr. D.J. van der Kolk.

Partijen zullen hierna [gedaagden] , voor eisers gezamenlijk, en De scholen, voor de gedaagden gezamenlijk, genoemd worden. Eisers zullen daarnaast afzonderlijk worden aangeduid met [gedaagde] en de vennootschap.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties van [gedaagden]

  • -

    de producties van De scholen

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

  • -

    de pleitnota van De scholen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] is orthopedagoog-generalist. Hij beschikt sinds 23 november 2015 over een certificaat van de Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (hierna: NVO). [gedaagde] is medevennoot van de vennootschap en is als orthopedagoog-generalist werkzaam in zijn praktijk. De vennootschap heeft voor haar dienstverlening contracten met gemeenten in 17 regio’s in Zuid-Holland en Brabant. De vergoeding die de vennootschap ontvangt wordt in de meeste gevallen betaald door de gemeenten, op basis van een toekenningsbesluit.

2.2.

Gedaagden zijn de bestuurders van in totaal 7 basisscholen in de regio Alblasserdam / Drechtsteden: Het Palet, Het Nokkenwiel, Het Kompas, Ds. Joannes Beukelmanschool, locatie Weverstraat, Ds. Joannes Beukelmanschool, locatie Rembrandtlaan, De Schalm en De Twijn.

2.3.

De vennootschap heeft – zo ter zitting werd medegedeeld – per jaar circa 20 leerlingen van de 7 in 2.2 genoemde basisscholen onder behandeling, uitgevoerd door [gedaagde] . Per school gaat het om circa 3 leerlingen per jaar.

2.4.

In 2016 en 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen interne begeleiders van verschillende scholen en [gedaagde] naar aanleiding van door de vennootschap uitgebrachte rapportages of adviezen. In die gesprekken is gesproken over de individuele leerlingen ten aanzien waarvan het rapport of advies was uitgebracht.

2.5.

Op 4 december 2017 heeft de directeur van De Schalm [gedaagde] bericht als volgt:

“In ons laatste directieoverleg op Alblasserdams niveau hebben wij gesproken over onze ervaringen met uw praktijk. Onze ervaringen en verontrusting die we daarbij hebben, willen we graag met u delen.

We willen u uitnodigen voor een gesprek en stellen voor donderdag 11 januari 2018 om 11.00 uur. Het gesprek willen we laten plaats vinden op kindcentrum De Schalm, Kerkstraat 60.

We hopen u daar te ontmoeten.”

2.6.

Op 13 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen 6 directeuren verbonden aan De scholen en [gedaagde] .

De heer [persoon 1] , beleidsmedewerker Jeugd van de gemeente Alblasserdam was op verzoek van De scholen - blijkens de notulen als toehoorder - bij dit gesprek aanwezig.

2.7.

Na afloop van het gesprek op 13 februari 2018 hebben De scholen het besluit genomen geen samenwerking meer te willen met [gedaagde] en tevens dat zij hierover een brief zullen sturen aan alle ouders van de basisschoolleerlingen in Alblasserdam.

De notulen luiden – voor zover van belang – als volgt:

“Besluit:

Alle ouders van de basisschoolleerlingen in Alblasserdam krijgen een brief waarin wij kenbaar maken dat wij geen samenwerking met deze orthopedagoog hebben, omdat

- wij de rapportage incompleet vinden

- wij de werkwijze zeer onzorgvuldig / onprettig vinden en er ook geen goed antwoord op

krijgen. Dhr. [persoon 2] onze zienswijze niet en maakt kenbaar dit niet te willen wijzigen.

- Er onwaarheden over de scholen wordt verteld aan ouders, waardoor de relatie tussen

ouders en school wordt beschadigd.

- De VO-adviezen van Dhr. [persoon 2] wijken af van de LVS van de scholen.

- Overleg en afstemming wordt door ons in de samenwerking gemist en is daardoor niet in het belang van het kind.

Alle directeuren ondertekenen deze brief.

Naast de brief aan de ouders wordt er een verslag gemaakt door [persoon 6] (en [persoon 7] ) voor de

wethouder en beleidsmedewerker Jeugd.

Op advies van [persoon 3] gaat een brief naar de Brancheorganisatie, serviceorganisatie

Drechtsteden, [persoon 3] (beleidsmedewerker Jeugd) en de verantwoordelijke wethouder

Wethouder Mevrouw [persoon 4] waarin wij aangeven en onderbouwen de samenwerking met Dhr. [persoon 2] . te stoppen.”

2.8.

Op woensdag 21 februari 2018 is een brief - gedateerd 19 februari 2018 - per
e-mail aan [gedaagde] toegezonden met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Geachte heer [gedaagde] ,

Afgelopen dinsdag 13 februari 2018 heeft er met u een gesprek plaatsgevonden waarin wij als basisscholen onze zorg betreffende de samenwerking tussen u (en uw bureau), de basisscholen en kindcentra in Alblasserdam aan u hebben kenbaar gemaakt.

(…)

De volgende punten zijn door de directeuren kenbaar gemaakt:

• De rapportage, zoals wij deze van u ontvangen is incompleet.

• Uw werkwijze als zeer onprettig wordt ervaren. Er is geen sprake van samenwerking. Zonder overleg met de betreffende school worden er conclusies door u getrokken die niet zijn geverifieerd bij de scholen.

• Er onwaarheden over scholen worden verteld aan ouders, waardoor de relatie met ouders

wordt beschadigd.

• U geeft VO adviezen, die niet stroken met het advies van de scholen. De door u afgegeven

adviezen zijn ook niet overlegd met de scholen en lijken gebaseerd op één enkel onderzoek.

• De twijfel is er of u handelt vanuit het belang van het kind.

Door bovenstaande werk- en handelswijze brengt u de scholen en de relatie tussen de ouders en de scholen in discrediet.

Bovenstaande punten zijn aan u voorgelegd en u heeft de ruimte gekregen om uw kant toe te lichten. U geeft aan dat u handelt vanuit het belang van kind. Dit blijkt, volgens u, doordat u

ook het beste uit het kind wil halen. U heeft hiervoor een intrinsieke motivatie. U geeft tevens aan, dat u om willen van de privacy niet altijd in overleg kunt gaan met de betreffende scholen.

Door de directeuren is gevraagd hoe u tot de onderbouwing komt van uw conclusies in de verschillende rapporten. U geeft hiervoor ons insziens een onvoldoende professionele onderbouwing. Daarnaast wordt er herhaaldelijk gevraagd of u bereid bent om een werkwijze aan te passen, zodat er daadwerkelijk samengewerkt kan worden. Ook op deze vraag volgt geen antwoord, waaruit blijkt dat u bereid bent uw werkwijze aan te passen.

In dit gesprek heeft u de ruimte gekregen om de verstoorde samenwerking te verbeteren. In het verleden zijn deze punten door verschillende IB-ers ook aan u doorgegeven. Dit alles maakt dat er is besloten om de samenwerking met u en uw bureau per direct op te zeggen. Dat houdt in de praktijk het volgende in:

• Er wordt kenbaar gemaakt aan alle ouders van de genoemde scholen in Alblasserdam, dat er niet meer met u en uw bureau wordt samengewerkt. Dit wordt kenbaar gemaakt met een brief en op de verschillende websites van de scholen en kindcentra. Ouders, die u

en/of uw bureau inschakelen voor een onderzoek, hoeven de rapportage niet voor te leggen aan de scholen.

Deze rapportage wordt als onvolledig, incompleet en als onvoldoende professioneel beschouwd en wordt niet in behandeling genomen.

• Dit besluit zal tevens kenbaar worden gemaakt aan de schoolbesturen, de wethouder, de

brancheorganisatie en serviceorganisatie Drechtsteden.

Er van uitgaande u voldoende te hebben geinformeerd, groet ik

Namens alle directeuren,

(...)”

2.9.

De scholen hebben de ouders van leerlingen bericht over de samenwerking met [gedaagden] . De brief – gedateerd 23 februari 2018 - was op 23 februari 2018 in hun bezit. De inhoud van de brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Geachte ouders,

Dinsdag 13 februari 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen dhr. [persoon 5] van ‘ [bedrijf] ’ te Alblasserdam en de directies van de Alblasserdamse basisscholen/kindcentra. Bij dat overleg was ook een medewerker van de gemeente Alblasserdam aanwezig. In dit overleg zijn de gezamenlijke zorgen van de ondergetekenden betreffende de samenwerking tussen de praktijk [gedaagde] , de basisscholen/kindcentra in Alblasserdam besproken.

Betreffende de inhoud van de zorgen willen we ons beperken tot de volgende omschrijving: Bij herhaling is gebleken dat de werk- en handelswijze van (de medewerkers van) deze praktijk onprofessioneel is en de samenwerking tussen ouders en de school in het belang van het kind eerder in de weg staat dan dat ze deze versterkt en/of verrijkt.

Desgevraagd heeft de heer [gedaagde] zich niet bereid verklaard zijn werkwijze aan te passen waardoor we ons genoodzaakt zien het vertrouwen in de samenwerking met deze hulpverlener op te zeggen.

Dit houdt in de praktijk het volgende in:

• Ondergetekende scholen in Alblasserdam werken vanaf dagtekening van deze brief niet meer met dit adviesbureau samen.

• Ouders, die dit bureau inschakelen voor een onderzoek, hoeven de rapportage niet (meer) voor te leggen aan de scholen. Deze rapportage wordt namelijk als onvolledig, incompleet en als onvoldoende professioneel beschouwd en derhalve niet in behandeling genomen.

Dit besluit is tevens kenbaar gemaakt aan de schoolbesturen, de wethouder Alblasserdam, de brancheorganisatie en serviceorganisatie Drechtsteden.”

2.10.

De scholen hebben een brief met vergelijkbare inhoud als de in 2.9 genoemde brief aan derden waaronder de brancheorganisatie gezonden. De brief – gedateerd 20 februari 2018 – was op 22 februari 2018 in het bezit van de brancheorganisatie.

3 Het geschil

3.1.

[gedaagden] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – verkort weergegeven –

I. De scholen te verbieden om uitlatingen over [gedaagden] te doen zoals gedaan in de brieven van 20 en 23 februari 2018, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. De scholen te gebieden een rectificatie te verzenden aan alle ouders die de brief van 23 februari 2018 hebben ontvangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. De scholen te gebieden een rectificatie te verzenden aan alle ontvangers van de brief van 20 februari 2018 hebben ontvangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IV. De scholen te gebieden een rectificatietekst op de homepagina van hun websites te plaatsen en 21 dagen daarop te laten staan, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. De scholen te verbieden een rapport dat is opgesteld door [gedaagde] of de vennootschap bij voorbaat niet in behandeling te nemen zolang niet door een onafhankelijk deskundige is vastgesteld dat [gedaagden] niet voldoet aan de eisen van kwaliteit en professionaliteit van een redelijk handelend en redelijk bekwaam orthopedagoog (generalist), op straffe van verbeurte van een dwangsom;

VI. De scholen hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van € 4.000,00 als voorschot op schadevergoeding, te vermeerderen met rente;

VII. De scholen hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De scholen voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat onderhavige procedure een (civielrechtelijke) kort gedingprocedure is. Een van gedaagden, namelijk de Stichting Openbaar Onderwijs Alblasserdam, is een stichting openbaar onderwijs.

Allereest zal gelet daarop in dit geding moeten worden beoordeeld of de civiele voorzieningenrechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen [gedaagden] en deze stichting.

4.2.

Gelet op haar naam moet aangenomen worden dat de Stichting Openbaar Onderwijs Alblasserdam een op grond van artikel 48 lid 1 Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo) opgerichte rechtspersoon is. Daarvan uitgaande oefent de Stichting op de voet van artikel 48, lid 5, Wpo alle bevoegdheden van het bevoegd gezag uit. Dat bevoegd gezag zou, als er geen stichting opgericht zou zijn, worden uitgeoefend door burgemeester en wethouders van de Gemeente, nu het een openbare school betreft, zo volgt uit artikel 1 Wpo. Uit de wetsgeschiedenis van de Wpo (Kamerstukken II 1994/95, 24 138, nr. 3, p.6) blijkt dat een dergelijke stichting, ondanks haar privaatrechtelijk rechtskarakter, voor zover zij taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uitoefent, met openbaar gezag is bekleed.

Bij de taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag gaat het om handelingen van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, lid 1, onder b, Awb en besluiten als bedoeld in artikel 1:3, lid 1, Awb. Deze handelingen en besluiten vallen onder de reikwijdte van de Awb, zodat daartegen bezwaar en beroep openstaat.

4.3.

In dit kort geding kan de voorzieningenrechter uit de stellingen van partijen niet afleiden dat ten aanzien van de Stichting Openbaar Onderwijs Alblasserdam het onderhavige geschil ziet op handelen respectievelijk besluiten waartegen bezwaar en beroep openstaat. De voorzieningenrechter acht zich daarom en omdat de vorderingen zich (tevens) richten op het feitelijk handelen van (de directeuren van) De scholen en gelet op het gegeven dat het geschil niet uitsluitend tussen [gedaagden] en de Stichting Openbaar Onderwijs Alblasserdam aanhangig is, maar de vordering zich ook richt op drie stichtingen bijzonder onderwijs bevoegd kennis te nemen van het geschil. Uit de standpunten van partijen leidt de voorzieningenrechter af dat dit ook conform de wens van (en in het belang van) partijen is.

4.4.

Het spoedeisend belang bij het gevorderde ligt voldoende besloten in de stellingen van [gedaagden] en is als zodanig niet in geschil.

4.5.

[gedaagden] heeft aan zijn vorderingen onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd. Hij stelt primair dat de door De scholen in hun brieven geuite bezwaren feitelijk onjuist zijn. Voorts stelt [gedaagden] dat De scholen met de mededeling dat zij de rapporten niet in behandeling zullen nemen in strijd handelen met de zorgplicht die op hen rust op grond van de Wet passend onderwijs. De uitsluiting van haar rapporten maakt inbreuk op de keuzevrijheid van ouders ten aanzien van de hulpverlener voor hun kind.

[gedaagden] stelt daarnaast dat ook wanneer wel sprake was van gegronde bezwaren De scholen in redelijkheid niet tot het versturen van de brieven hadden mogen overgaan.

De verspreiding van de brieven is zeer schadelijk voor [gedaagde] en de vennootschap. De scholen hadden in elk geval, alvorens zij overgingen tot het verzenden van de brieven en het publiceren van de bezwaren op de websites van de scholen, deugdelijk hoor en wederhoor moeten toe passen. Dat hebben zij niet gedaan. Ook hadden zij (meer) rekening moeten houden met de gevolgen voor [gedaagden] , aldus [gedaagden]

4.6.

De scholen hebben in dit geding verweer gevoerd. De scholen hebben aangevoerd dat zij menen zijn dat met [gedaagden] onvoldoende valt samen te werken. De kern van de bezwaren is dat De scholen voorafgaand aan het uitbrengen van een rapport door [gedaagden] over een leerling niet worden geraadpleegd ter verificatie van gegevens waar [gedaagden] in het rapport vanuit gaat en niet vraagt of zijn bevindingen met de bevindingen van de betreffende school overeenkomen. [gedaagde] laat wel een vragenlijst invullen door die school, maar verder is er geen contact en is er geen ruimte om van gedachten te wisselen. De rapporten bevatten daardoor conclusies en adviezen die niet overeenkomen met de bevindingen van de school.

4.7.

Het gevorderde is slechts toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, later oordelend, tot het oordeel zal komen dat het handelen door De scholen in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht moet worden genomen, en daarmee onrechtmatig.

4.8.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat beide partijen menen dat zij het belang van het kind voorop stellen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om aan de juistheid van die stellingen te twijfelen. De uitgangssituatie van beide partijen is wel anders, wat kennelijk zorgt voor botsende visies en beoordeling van situaties. [gedaagden] stelt de beroepscode respectievelijk het beroepscompetentieprofiel orthopedagoog-generalist van de NVO voorop en stelt dat privacy regels c.q. de te betrachten vertrouwelijkheid er veelal aan in de weg staan dat afstemming met de school steeds plaatsvindt voordat geadviseerd wordt. De scholen gaan uit van het doel en de strekking van het Passend Onderwijs en doen een beroep op hun eigen verantwoordelijkheid en zorgplicht voor de leerlingen die in dat kader op hen rust.

4.9.

Met de invoering van de Wet passend onderwijs is een ontwikkeling gaande waarbij de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulpverleners wordt versterkt. Gelet op die ontwikkeling, opgedane ervaringen en bezien vanuit de rol en verantwoordelijkheid van een school is het mogelijk dat een school twijfelt aan de deskundigheid van een hulpverlener, al dan niet omdat de samenwerking met die hulpverlener niet naar wens verloopt. Het laten toetsen van die twijfels door een onafhankelijke deskundige die beide partijen bij het onderzoek betrekt of door tuchtrechtelijke toetsing is dan echter, zeker in gevallen waarin men niet in een contractuele relatie met elkaar staat, de aangewezen weg, alvorens over te gaan tot het breed communiceren van de twijfels en bezwaren.

4.10.

In dit geval is van een deugdelijke toets niet gebleken. De scholen hebben ook niet gesteld dat dergelijk onderzoek zou hebben plaatsgevonden. De voorzieningenrechter merkt op dat het als productie 1 door De scholen overgelegde rapport (“bezwaren tegen de werkwijze van de dhr [gedaagde] ”) in ieder geval niet als een deugdelijke toets kan gelden, nu [gedaagden] bij dit onderzoek in het geheel niet betrokken is geweest.

De scholen menen dat het gegeven dat alle schooldirecteuren/schoolbesturen unaniem van mening zijn dat de samenwerking met [gedaagde] tekortschiet voldoende rechtvaardiging is voor hun handelen. Zij vinden de werkwijze van [gedaagden] niet passen bij de recente ontwikkelingen op het gebied van Passend Onderwijs en baseren hun standpunt onder meer op de ervaringen, zoals die zijn opgenomen in productie 1.

Dat overzicht en de meningen van de directeuren en ib’ers zijn echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat de verwijten voldoende steun vinden in feitenmateriaal c.q de gehanteerde uitgangspunten/werkwijze van [gedaagden] bij de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden onjuist zijn.

4.11.

Een dienstverlener is, zoals [gedaagden] ook heeft betoogd, gebonden aan de geldende kwaliteitseisen. De ontwikkelingen ter zake het Passend Onderwijs maken niet dat een orthopedagoog niet meer gebonden is aan hetgeen over samenwerking met derden in beroepscodes en richtlijnen is opgenomen. Of de wijze van (samen)werken van/tussen [gedaagden] en De scholen tekortschiet, gelet op de Wet passend onderwijs en de geldende kwaliteitseisen, behoort door een daartoe geëigende onafhankelijke instantie te worden getoetst. De scholen zijn voor het uitvoeren van een dergelijke toets niet de aangewezen partij.

Het vormen van een eensluidende mening van De scholen met betrekking tot het functioneren van [gedaagde] is uiteraard als zodanig geenszins onrechtmatig. Wanneer die sterk negatieve mening op ruime schaal publiekelijk wordt gemaakt terwijl het evident is dat zulks tot zeer nadelige gevolgen voor de geadresseerde kan leiden vereist de in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid dat de verwijten die worden gemaakt gestaafd zijn met deugdelijke en objectief vastgestelde onderzoeksresultaten. Daarvan is thans geen sprake.

4.12.

Daarbij komt dat De scholen stellen dat zij hoor en wederhoor hebben laten plaatsvinden, maar daarvan is niet gebleken. Het had op weg van De scholen gelegen hun voornemen om hun onvrede op grote schaal publiekelijk te maken vooraf aan [gedaagden] kenbaar te maken en [gedaagden] de gelegenheid te geven zich te beraden en zich hieromtrent uit te laten. Gelet op de door [gedaagden] overgelegde producties en de eigen productie 7 van De scholen is niet aannemelijk dat de inhoud van de brieven tijdig aan [gedaagden] is voorgelegd om [gedaagden] in staat te stellen daarop te reageren. De brief aan [gedaagden] is door [gedaagde] op woensdagavond ontvangen en de uiteindelijk verzonden brieven waren op donderdagochtend reeds in het bezit van ouders en derden. Dat maakt dat niet in redelijkheid gezegd kan worden dat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

4.13.

Ook overigens is niet gebleken dat De scholen het gehele proces zorgvuldig hebben doorlopen. De scholen beroepen zich op gesprekken die met [gedaagde] zijn gevoerd in 2016 en 2017, maar niet in geschil is dat die gesprekken plaats vonden naar aanleiding van individuele rapportages. Blijkens de toelichting van De scholen ter zitting is in die gesprekken niet één keer gesproken over de werkwijze van [gedaagden] in het algemeen.

De eerste en enige maal dat met [gedaagden] is gesproken over zijn overkoepelende werkwijze is tijdens het gesprek op 13 februari 2018 geweest. Voorafgaand aan dat gesprek is [gedaagde] niet geïnformeerd over de bezwaren die de De scholen hadden en in de aankondiging van het gesprek werd uitsluitend gesproken over ervaringen en verontrustingen zonder deze nader te duiden. Een document, zoals thans als productie 1 door De scholen overgelegd, dat [gedaagde] in staat zou hebben gesteld daarop te reageren was op dat moment niet voor handen.

4.14.

Tot slot is niet gesteld of gebleken dat De scholen hebben onderzocht of het versturen van de brieven aan ouders en derden de enige wijze was om het doel te realiseren dat zij niet langer met [gedaagden] hoefden samen te werken. Gelet op de vergaande financiële en andere gevolgen voor [gedaagden] mocht worden verwacht dat De scholen hiernaar onderzoek zouden hebben gedaan.

Voor zover De scholen niet uitsluitend dat doel – het niet meer hoeven samenwerken met [gedaagden] – voor ogen hadden, maar tevens het aan de orde stellen van een misstand mocht van hen worden verwacht dat zij zou hebben nagedacht over wat daarvoor de aangewezen weg zou zijn. Dan zou het (eerst) formeel indienen van een klacht of het starten van een tuchtrecht-procedure wellicht meer in de rede hebben gelegen. Het versturen van een brief aan alle ouders wordt daarom voorshands niet proportioneel geacht.

4.15.

Dit betekent dat De scholen onzorgvuldig hebben gehandeld.

4.16.

De vorderingen I t/m IV zullen op grond van het voorgaande worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.

Het onder I gevorderde verbod zal worden toegewezen, totdat een onafhankelijk deskundige middels deugdelijk onderzoek waarbij beide partijen zijn betrokken de bezwaren en conclusies van De scholen heeft getoetst.

Aan de veroordeling zal geen dwangsom worden verbonden. De scholen hebben ter zitting betoogd een veroordelend vonnis te zullen opvolgen. Bij die stand van zaken bestaat vooralsnog onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom als prikkel tot nakoming. Dit kan anders worden indien zou blijken dat De scholen dit vonnis niet vrijwillig zouden nakomen.

De tekst van de te verspreiden rectificaties zal moeten luiden zoals in het dictum bepaald, waarbij de voorzieningenrechter afwijkt van de tekst zoals gevorderd.

4.17.

Het gevorderde onder V ziet op de mededeling van De scholen dat wanneer ouders rapportages van [gedaagden] aan De scholen voor zullen leggen, deze niet in behandeling zullen worden genomen, omdat zij deze bij voorbaat als onvolledig en onvoldoende professioneel zullen beschouwen is eveneens toewijsbaar gelet op het volgende.

De rapportages waarover het hier gaat zijn (met name) rapportages die zijn opgesteld nadat [gedaagden] opdracht kreeg van ouders om hun kind(eren) te onderzoeken. De scholen zijn geen partij bij de tussen die ouders en [gedaagden] gesloten hulpverleningsovereenkomst.

Zolang niet is getoetst door een deskundige of tuchtcollege of de bezwaren van De scholen tegen de door de ouders aangezochte deskundige gegrond zijn, kan het bij voorbaat uitsluiten van rapportages naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sowieso niet aan de orde zijn. Maar ook wanneer de gegrondheid van bezwaren wel geheel of gedeeltelijk vast zou staan, kan in beginsel van een school worden verwacht dat zij een door ouders aangedragen rapport te in behandeling neemt en vervolgens motiveert waarom in dat specifieke geval geen waarde zou kunnen worden gehecht aan het rapport. De context zal in dat geval immers zijn dat ouders in het gesprek met de school spreken over de wijze waarop die school het onderwijs aan hun kind(eren) inricht. Ook wanneer een rapport een andere visie verkondigt dan de school heeft, kan gelet op de verantwoordelijkheden van een school voor haar leerling(en) worden verwacht dat zij haar standpunt motiveert. Het stelselmatig uitsluiten van rapportages pas niet bij de verantwoordelijkheid die de school heeft.

4.18.

De vordering tot het betalen van een voorschot op schadevergoeding zal worden afgewezen. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In dit geval heeft [gedaagden] naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ter zake de vordering tot betaling van de geldsom een spoedeisend belang bestaat.

4.19.

De scholen zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 1.950,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.864,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt De scholen om publiekelijk uitlatingen over [gedaagden] te doen zoals gedaan in de brieven van 20 en 23 februari 2018 zolang de bezwaren en conclusies van De scholen niet door een onafhankelijk onderzoek als bedoeld onder 4.16 zijn getoetst;

5.2.

gebiedt De scholen binnen 10 werkdagen dagen na dit vonnis, met gelijktijdige verstrekking van een afschrift aan de advocaat van [gedaagden] , een rectificatie te verzenden aan alle ouders die de brief van 23 februari 2018 hebben ontvangen, met de volgende tekst:

Betreft: Samenwerking [gedaagde] en basisscholen/kindcentra in Alblasserdam

RECTIFICATIE

Geachte ouders,

Bij brief van 23 februari 2018 informeerden wij u over onze zorgen over de werk- en handelswijze van (de medewerkers van) de praktijk van de heer [gedaagde] .

Bij vonnis van 19 april 2018 (zaaknummer C/10/547219/KG ZA 18-287)

heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam geoordeeld dat wij met het verzenden van deze brief onrechtmatig jegens [gedaagde] en de vennootschap onder firma [bedrijf] VOF , gevestigd te Dordrecht, hebben gehandeld.

Voordat wij onze bezwaren en zorgen op deze wijze met u mochten delen hadden wij deze moeten laten toetsen door een onafhankelijk deskundige die ook de visie van de heer [gedaagde] bij het onderzoek had moeten betrekken. Dat hebben wij niet gedaan. Ook heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [gedaagde] onvoldoende de mogelijkheid heeft gekregen op onze bezwaren te reageren voordat de brief door ons is verzonden.

Op dit moment zijn de verwijten naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd met deugdelijke onderzoeksresultaten. Daarom is het niet gerechtvaardigd rapportages van [gedaagde] of de vennootschap bij voorbaat als onvolledig en onvoldoende professioneel te beschouwen en hebben wij de rapportages van [bedrijf] ten onrechte reeds op voorhand uitgesloten.

5.3.

gebiedt De scholen binnen 10 werkdagen na dit vonnis, met gelijktijdige verstrekking van een afschrift aan de advocaat van [gedaagden] , een rectificatie te verzenden aan alle geadresseerden van de brief gedateerd 20 februari 2018, met de volgende tekst:

RECTIFICATIE

Geachte heer/mevrouw,

Bij brief van 20 februari 2018 informeerden wij u over onze zorgen over de werk- en handelswijze van (de medewerkers van) de praktijk van de heer [gedaagde] .

Bij vonnis van 19 april 2018 (zaaknummer C/10/547219/KG ZA 18-287)

heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam geoordeeld dat wij met het verzenden van deze brief onrechtmatig jegens [gedaagde] en de vennootschap onder firma [bedrijf] VOF , gevestigd te Dordrecht, hebben gehandeld.

Voordat wij onze bezwaren en zorgen op deze wijze met u mochten delen hadden wij deze moeten laten toetsen door een onafhankelijk deskundige die ook de visie van de heer [gedaagde] bij het onderzoek had moeten betrekken. Dat hebben wij niet gedaan. Ook heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [gedaagde] onvoldoende de mogelijkheid heeft gekregen op onze bezwaren te reageren voordat de brief door ons is verzonden.

Op dit moment zijn de verwijten naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd met deugdelijke onderzoeksresultaten. Daarom is het niet gerechtvaardigd rapportages van [gedaagde] of de vennootschap bij voorbaat als onvolledig en onvoldoende professioneel te beschouwen en hebben wij de rapportages van [bedrijf] ten onrechte reeds op voorhand uitgesloten.

5.4.

gebiedt De scholen binnen vijf dagen na dit vonnis, voor de duur van 14 dagen, een rectificatie te plaatsen op de websites van de scholen, met de volgende tekst

Geachte heer/mevrouw,

Bij brieven van 20 en 23 februari 2018 informeerden wij ouders en derden over onze zorgen over de werk- en handelswijze van (de medewerkers van) de praktijk van de heer [gedaagde] .

Bij vonnis van 19 april 2018 (zaaknummer C/10/547219/KG ZA 18-287)

heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam geoordeeld dat wij met het verzenden van deze brief onrechtmatig jegens [gedaagde] en de vennootschap onder firma [bedrijf] VOF , gevestigd te Dordrecht, hebben gehandeld.

Voordat wij onze bezwaren en zorgen op deze wijze met u mochten delen hadden wij deze moeten laten toetsen door een onafhankelijk deskundige die ook de visie van de heer [gedaagde] bij het onderzoek had moeten betrekken.. Dat hebben wij niet gedaan. Ook heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [gedaagde] onvoldoende de mogelijkheid heeft gekregen op onze bezwaren te reageren voordat de brief door ons is verzonden.

Op dit moment zijn de verwijten naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd met deugdelijke onderzoeksresultaten. Daarom is het niet gerechtvaardigd rapportages van [gedaagde] of de vennootschap bij voorbaat als onvolledig en onvoldoende professioneel te beschouwen en hebben wij de rapportages van [bedrijf] ten onrechte reeds op voorhand uitgesloten.

5.5.

verbiedt De scholen een rapport dat is opgesteld door [gedaagde] of [bedrijf] bij voorbaat uit te sluiten / niet in behandeling te nemen zolang niet door een onafhankelijk deskundige is vastgesteld dat [gedaagde] en/of [bedrijf] niet voldoen aan de eisen van kwaliteit en professionaliteit van een redelijk handelend en redelijk bekwaam orthopedagoog(generalist),

5.6.

veroordeelt De scholen hoofdelijk, des dat de één betalend hebbende de ander gekweten zal zijn, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 2.864,01,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.

1634/676