Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3252

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
16.1066 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling vanwege strafbaar feit. Verzoek tot tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling afgewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

weigering tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 9 april 2018

Bij vonnis van deze rechtbank van 29 juni 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

schuldenaar,

bewindvoerder: E.A. de Snoo.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 26 januari 2018 met dit verzoek ingestemd.

De bewindvoerder heeft op 6 maart 2018 een brief gestuurd met daarin de laatste stand van zaken.

De heer B. Susam, waarnemend bewindvoerder en schuldenaar, bijgestaan door zijn advocaat mevrouw mr. M.N. Guntenaar en zijn begeleider ontruimingspreventie mevrouw [naam 2] , zijn gehoord ter terechtzitting van 20 maart 2018. Ter zitting is afgesproken dat schuldenaar uiterlijk 27 maart 2018 nadere stukken kan indienen, waarop de bewindvoerder uiterlijk 3 april 2018 kon reageren.

De advocaat van schuldenaar heeft op 26 maart 2018 nadere stukken gestuurd aan de rechtbank en de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft per brief van 3 april 2018 aan de rechtbank bericht dat zij naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken en uit de nader ingediende stukken blijkt, haar verzoek intrekt.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Voor de standpunten van de rechter-commissaris, de bewindvoerder en schuldenaar verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

3 De beoordeling

Ter zitting is namens de bewindvoerder medegedeeld dat alle ontbrekende stukken zijn ontvangen. Dat betekent dat aan de informatieverplichting – afgezien van hetgeen hierna nog aan de orde komt – is voldaan. Beoordeeld moet thans nog worden of de schuldenaar één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, omdat hij (gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling) op 13 september 2016 en op 4 mei 2017 een strafbaar feit heeft begaan en voor beide strafbare feiten is veroordeeld. Voor het strafbare feit gepleegd op 13 september 2016 (het besturen van een auto onder invloed van alcohol) is schuldenaar op 9 december 2016 veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur. Voor het strafbare feit gepleegd op 4 mei 2017 (het besturen van een auto met een ongeldig verklaard rijbewijs) is schuldenaar op 4 september 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken. De taakstraf is uitgevoerd en schuldenaar heeft van 25 oktober 2017 tot 22 november 2017 in detentie gezeten.

Op 26 september 2017 heeft een verhoor plaatsgevonden bij de rechter-commissaris, naar aanleiding van de melding dat aan schuldenaar een taakstraf was opgelegd en omdat schuldenaar zijn informatieverplichting niet nakwam. Aldaar is besproken dat vooralsnog geen gevolgen worden verbonden aan het feit dat schuldenaar een alcohol gerelateerd misdrijf heeft begaan en in dat kader een taakstraf heeft uitgevoerd, waarbij de rechter-commissaris schuldenaar te kennen heeft gegeven dat het begaan van misdrijven zich niet verdraagt met de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling en dat als schuldenaar nog eens een misdrijf pleegt, hij het risico loopt dat hij de schone lei niet krijgt.

Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat het nu bekende feit, namelijk het rijden met ongeldig verklaard rijbewijs, niet een nieuw, dat wil zeggen na het verhoor van 26 september 2017 gepleegd feit is. Het feit was immers al gepleegd op 4 mei 2017 en dus ruim vier maanden vóór het verhoor. Onduidelijk is gebleven waarom schuldenaar, die ten tijde van het verhoor al was veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs (de veroordeling is immers uitgesproken op 4 september 2017 en dus circa drie weken voor het verhoor), tijdens het verhoor van die veroordeling geen melding heeft gemaakt. Schuldenaar heeft in dit verband ter zitting desgevraagd verklaard dat hij er niet aan heeft gedacht dit te melden. Wat hier ook van zij, anders dan ten tijde van het verzoek tot tussentijdse beëindiging de veronderstelling van de bewindvoerder en de rechter-commissaris was, er doet zich hier dus niet de situatie voor dat schuldenaar na een waarschuwing van de rechter-commissaris, opnieuw de fout in is gegaan.

Zoals de rechter-commissaris in het verhoor terecht naar voren heeft gebracht is uitgangspunt dat het plegen van een strafbaar feit niet verenigbaar is met de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval echter niet dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de schuldeisers door de gepleegde strafbare feiten zijn benadeeld, terwijl ook niet is gebleken dat nieuwe schulden zijn ontstaan. Uit een en ander vloeit voort dat zich niet een van de beëindigingsgronden van artikel 350 lid 3 Faillissementswet voordoet.

Schuldenaar heeft de rechter-commissaris en de bewindvoerder niet tijdig en op eigen initiatief geïnformeerd over zijn veroordeling op 4 september 2017; de bewindvoerder kwam op de hoogte van de detentie van schuldenaar door een bericht van de gemeente in verband met de tijdelijke stopzetting van de uitkering op grond van de Participatiewet. In zoverre is schuldenaar tekort geschoten in de nakoming van de op hem rustende informatieverplichting. Deze tekortkoming rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het voorgaande op dit moment geen tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Dit is overigens ook in lijn met het standpunt van de bewindvoerder zoals verwoord in de brief van 3 april 2018.

De conclusie is dat de rechtbank geen aanleiding ziet de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Door de rechtbank wordt aan schuldenaar thans een laatste kans geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen moeten in het vervolg door schuldenaar stipt worden nagekomen, om een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei te voorkomen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van

mr. J.L. Lukaart, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2018.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.