Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3238

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
C/10/536655 / HA ZA 17-960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser baseert de vordering op de stelling dat partijen nimmer hebben beoogd zijn toenmalige vriendin eigenaar te maken van de woning. Het betrof slechts een schijnconstructie om te voorkomen dat op de woning beslag gelegd zou kunnen worden door de ex-echtgenote van eiser. Nu de “zeer innige en langdurige” relatie tussen partijen tot een einde is gekomen, is het volgens eiser tijd om de goederenrechtelijke situatie weer in overeenstemming te brengen met de tussen partijen geldende verbintenisrechtelijke situatie. Eiser verwijst daartoe naar ECLI:NL:GHARL:2015:8851. De rechtbank wijst de vordering af. Zij stelt voorop dat partijen met de notariële akte en inschrijving daarvan te kennen hebben gegeven dat de (voormalige) vriendin van eiser sindsdien eigenaar van de woning is.

Uiteraard is uiteindelijk tussen hen doorslaggevend wat zij daaromtrent met elkaar hebben afgesproken. De enkele omstandigheid dat eiser de woning aan beslag door zijn ex-echtgenote wilde onttrekken, brengt niet, althans niet automatisch, mee dat zijn vriendin heeft moeten begrijpen dat eiser niet wilde dat zij eigenaar van de woning werd en zij dus gehouden was de woning aan hem terug over te dragen indien hij dat wilde. Dat zij de koopprijs niet feitelijk hoefde te betalen kan in het licht van de omstandigheid dat eiser ook aan een andere woning van de vriendin had meebetaald - overigens wel in de vorm van een lening maar zonder ooit terugbetaling te verlangen - door zijn vriendin zeer wel zijn begrepen in die zin dat hij haar met een en ander verzorgd achter heeft willen laten. Dit klemt temeer daar hij de woning niet heeft teruggevorderd toen de dreiging van het beslag was geweken. Eiser geeft weliswaar niet aan wanneer dat was maar dat die dreiging ruim 25 jaar duurde is hoogst onaannemelijk. Dat het de bedoeling was dat de woning op enig moment weer terug op naam van eiser zou worden gesteld laat zich bovendien niet goed rijmen met de mededeling van eiser ter comparitie dat hij (met de hier gekozen constructie zijn kinderen in feite niet onterfde omdat hij) er altijd vanuit is gegaan dat zij dit na zijn overlijden met zijn kinderen in orde zou maken. Aldus is onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat de vriendin er niet gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat eiser indertijd de eigendom van de woning aan haar wenste over te dragen. Zo dit al op een misverstand berust, heeft eiser met deze door hem gekozen constructie in deze langdurige affectieve relatie onder de hier omschreven omstandigheden inmiddels het, door hem kennelijk niet eerder dan in 2015 aan de orde gestelde, terugvorderingsrecht verwerkt. Anders gezegd, de uitoefening van een terugvorderingsrecht is in de onderhavige omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/536655 / HA ZA 17-960

Vonnis van 28 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Berkhout te Vlaardingen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van 17 januari 2018 waarbij de comparitie is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1.

[eiser] is - na een huwelijk van ruim dertig jaar – gescheiden in 1985. [eiser] had op dat moment een affectieve relatie met [gedaagde] . Partijen hebben niet samengewoond. De relatie tussen hen is geëindigd in 2015.

2.2.

[eiser] heeft in 1986 een tot dan door hem gehuurde (beneden-)woning aan de [adres] (hierna: de woning), aangekocht voor Hfl 17.000,- met een hypothecaire geldlening voor dat bedrag.

2.3.

In 1988 ontving [eiser] een ontslagvergoeding van Hfl 60.000,-.
heeft daarvan in 1990 een bedrag van Hfl 17.635,99 besteed door mee te betalen
aan een door [gedaagde] gekocht appartement aan de [adres] .

2.4.

In 1993 is een geschil ontstaan tussen [eiser] en zijn ex-echtgenote omdat de uitkering van [eiser] was verminderd tot Hfl 1.120,- per maand en hij om die reden aan haar geen alimentatie meer betaalde. Voor de achterstallige alimentatie is toen beslag gelegd op de uitkering van [eiser] .

2.5.

In 1993 heeft [eiser] de op de woning (aan de [adres] ) afgesloten hypothecaire geldlening afgelost.

2.6.

In een door [eiser] en [gedaagde] ondertekende notariële akte van 4 augustus 1993 is vermeld dat:
- [eiser] zijn woning aan de [adres] verkoopt en - vrij van hypotheek - zal leveren aan [gedaagde] en
- [gedaagde] daarvoor aan [eiser] een koopprijs zal betalen van € 25.000,-.
De in de notariële akte vermelde koopprijs was overeenkomstig de waarde van de woning in verhuurde staat.

2.7.

De woning is hierop aan [gedaagde] geleverd door inschrijving van de notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers van het Kadaster. De in de akte vermelde koopprijs van € 25.000,- is nooit betaald.

2.8.

[eiser] is in de woning aan de [adres] blijven wonen en betaalde sinds de woning op haar naam stond aan [gedaagde] een bedrag aan huur van

Hfl 375,- (€ 170,-) per maand om de kosten die het bezit van de woning voor [gedaagde] meebracht, te compenseren.

2.9.

[gedaagde] heeft bij brief van 16 februari 2016 van haar belastingadviseur aan [eiser] verzocht om in te stemmen met een huurverhoging tot een bedrag van € 400,- per maand. [eiser] heeft dit sindsdien betaald.

[eiser] heeft vervolgens, nadat hij daar al eerder om had verzocht in 2015, aan [gedaagde] meegedeeld dat [gedaagde] de woning wederom op naam van [eiser] moest stellen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot het binnen een maand na het onherroepelijk worden van het vonnis op eerste verzoek meewerken aan het op naam van [eiser] stellen van de woning, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats zal treden van de toestemming van [gedaagde] , kosten rechtens.

3.2.

[gedaagde] voert verweer met conclusie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de vordering af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] baseert de vordering op de stelling dat partijen nimmer hebben beoogd om [gedaagde] eigenaar te maken van de woning van [eiser] . Het betrof slechts een schijnconstructie om te voorkomen dat op de woning beslag gelegd zou kunnen worden door de ex-echtgenote van [eiser] .
Nu de “zeer innige en langdurige” relatie tussen partijen tot een einde is gekomen is het - aldus [eiser] - inmiddels tijd om de goederenrechtelijke situatie weer in overeenstemming te brengen met de tussen partijen geldende verbintenisrechtelijke situatie. [eiser] verwijst daartoe naar ECLI:NL:GHARL:2015:8851.

4.2.

[gedaagde] betwist dat het hier een schijnconstructie betreft. [eiser] heeft met de woningoverdracht niet alleen beoogd deze aan een dreigend beslag te onttrekken maar ook om aan [gedaagde] iets achter te laten als - de 17 jaar oudere - [eiser] iets zou overkomen. [eiser] betwist dit. [gedaagde] beroept zich tevens op rechtsverwerking.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat partijen met de notariële akte en inschrijving daarvan te kennen hebben gegeven dat [gedaagde] sindsdien eigenaar van de woning is.

Uiteraard is uiteindelijk tussen hen doorslaggevend wat zij daaromtrent met elkaar hebben afgesproken. De enkele omstandigheid dat [eiser] de woning aan beslag door zijn ex-echtgenote wilde onttrekken, brengt niet, althans niet automatisch mee dat [gedaagde] heeft moeten begrijpen dat [eiser] niet wilde dat [gedaagde] eigenaar van de woning werd en zij dus gehouden was de woning aan hem terug te over te dragen indien hij dat wilde. Dat zij de koopprijs niet feitelijk hoefde te betalen kan in het licht van de omstandigheid dat [eiser] ook aan haar eigen woning had meebetaald - overigens wel in de vorm van een lening maar zonder ooit terugbetaling te verlangen - door [gedaagde] zeer wel zijn begrepen in die zin dat hij haar met een en ander verzorgd achter heeft willen laten. Dit klemt temeer daar hij de woning niet heeft teruggevorderd toen de dreiging van het beslag was geweken. [eiser] geeft wel niet aan wanneer dat was maar dat die dreiging ruim 25 jaar duurde is hoogst onaannemelijk. Dat het de bedoeling was dat de woning op enig moment weer terug op naam van [eiser] zou worden gesteld laat zich bovendien niet goed rijmen met de mededeling van [eiser] ter comparitie dat hij (met de hier gekozen constructie zijn kinderen in feite niet onterfde omdat hij) er altijd van uit is gegaan dat [gedaagde] dit na zijn overlijden met zijn kinderen in orde zou maken.
Aldus is onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat [gedaagde] er niet gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat [eiser] indertijd de eigendom van de woning aan haar wenste over te dragen. Zo dit al op een misverstand berust heeft [eiser] met deze door hem gekozen constructie in deze langdurige affectieve relatie onder de hier omschreven omstandigheden inmiddels het, door hem kennelijk niet eerder dan in 2015 aan de orde gestelde, terugvorderingsrecht verwerkt. Anders gezegd: de uitoefening van een terugvorderingsrecht is in de onderhavige omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 6:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Dat [eiser] intussen wel zelf bezwaar maakte tegen de WOZ –waarde van de woning en kosten maakte voor onderhoud van de woning, maakt dit niet anders. Ook dit kan uit de door [eiser] als “zeer innige en langdurige” relatie worden verklaard alsmede uit de omstandigheid dat hij de woning – tegen een tot voor kort zeer geringe vergoeding – zelf bewoonde.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering dient te worden afgewezen.

4.4.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.191,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.191,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.

39/2872