Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3196

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
10/741449-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Taakstraf van 120 uren/60 dagen hechtenis voor zware mishandeling door tijdens een avond uitgaan een bierglas in het gezicht van aangever kapot te slaan. De rechtbank oordeelt dat deze handeling van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op het raken van het gezicht van de ander met een glas. Het handelen van de verdachte kan daarom niet anders worden geduid dan dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het slaan met een glas in het gezicht van de aangever. De aangever heeft als gevolg daarvan flink letsel opgelopen. De rechtbank heeft op de terechtzitting zelf kunnen waarnemen dat de aangever daaraan een blijvend, ontsierend en goed zichtbaar litteken in zijn gezicht heeft overgehouden. Dit letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het opzet is hiermee (in ieder geval in voorwaardelijke zin) bewezen, omdat inherent aan het handelen van de verdachte is, dat dit zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741449-16

Datum uitspraak: 16 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H.E. Borgman, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest, te vervangen door 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen een meldplicht en deelname aan de gedragsinterventie Alcohol en geweld, zoals geadviseerd door de reclassering.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is een vrijspraak bepleit nu de verdachte geen opzet had op het zware letsel.

4.2.

Beoordeling

De verdachte heeft - zonder dat daar enige aanleiding toe bestond - tijdens een avond uitgaan een bierglas in het gezicht van aangever kapot geslagen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat hij een slaande beweging maakte en zich pas realiseerde dat hij een bierglas vasthield op het moment dat hij zijn hand terug trok. De rechtbank oordeelt dat deze handeling van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op het raken van het gezicht van de ander met een glas. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank het handelen van de verdachte daarom niet anders worden geduid dan dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het slaan met een glas in het gezicht van de aangever. Blijkens de FARR-verklaring heeft de aangever als gevolg daarvan flink letsel opgelopen. De rechtbank heeft op de terechtzitting zelf kunnen waarnemen dat de aangever daaraan een blijvend, ontsierend en goed zichtbaar litteken in zijn gezicht heeft overgehouden. Dit letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het opzet is hiermee (in ieder geval in voorwaardelijke zin) bewezen, omdat inherent aan het handelen van de verdachte is, dat dit zwaar lichamelijk letsel oplevert.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 02 november 2016 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één snijwond in het gezicht heeft toegebracht door met kracht met een glas in het gezicht van die [naam slachtoffer] te slaan;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich - zonder enige aanleiding - in een drukke uitgaansgelegenheid schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangever, door een bierglas in zijn gezicht kapot te slaan. Als gevolg hiervan heeft aangever een winkelhaak in zijn wang opgelopen, waardoor er een blijvend litteken in zijn gezicht is ontstaan. De verdachte heeft door zo te handelen geen enkel respect getoond voor de persoonlijke integriteit en gezondheid van de hem onbekende aangever. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte direct spijt heeft betuigd richting aangever en dat het feit dermate indruk op hem heeft gemaakt, dat hij nu beter op zijn drankgebruik let, zodat hij de controle over zichzelf niet meer verliest.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte één keer eerder is veroordeeld voor openbare dronkenschap.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 januari 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

Het recidiverisico wordt ingeschat als matig. Geadviseerd wordt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan de gedagsinterventie Alcohol en geweld.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Gezien de ernst van het feit en gelet op vorenstaande zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte tevens een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat de verdachte – zoals al eerder overwogen – zijn drankgebruik sinds de zware mishandeling onder controle houdt.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 30,- aan materiële schade en een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman deelt mede dat de verdachte bereid is om de schade te betalen.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-, zodat de vordering voor dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 november 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.530,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 116 uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.530,- (zegge: duizendvijfhonderddertig euro), bestaande uit € 30,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.530,- (hoofdsom, zegge: duizendvijfhonderddertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.530,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

en mrs. M. Smit en M. Beusmans-Verwijs, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2018.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 02 november 2016 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere

snijwond(en) in het gezicht en/of een gebroken neus, heeft toegebracht door

(meermalen) (met kracht) met een glas, althans een scherp voorwerp, in het

gezicht en/of tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] te slaan;

(Artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 november 2016 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet (meermalen) (met kracht) met een glas, althans een scherp voorwerp, in

het gezicht en/of tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 november 2016 te Rotterdam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht) met een glas,

althans een scherp voorwerp, in het gezicht en/of tegen het hoofd van die

[naam slachtoffer] te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten één of

meerdere snijwonden in het gezicht en/of een gebroken neus ten gevolge heeft

gehad;

(Artikel 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)