Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3195

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
10/224773-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool met een patroonhouder met daarin 2 kogelpatronen en het opzettelijk aanwezig hebben van 113,5 gram heroïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/224773-17

Datum uitspraak: 16 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P.J. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en aan de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de Reclassering in het rapport van 6 februari 2018.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Beoordeling

Dat de verdachte dacht dat het om een nepwapen ging en om hasj in plaats van heroïne, zoals hij op de terechtzitting heeft verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig. In het dossier zit een beschrijving van het wapen en daarbij is een foto gevoegd. Daaruit blijkt zonder meer dat over de echtheid van het wapen geen misverstand kan hebben bestaan. Voor wat betreft de heroïne geldt dat deze drugs andere kenmerken heeft dan hasj (alleen al de geur verschilt sterk van elkaar) en de verdachte, die niet onbekend is met (het gebruik van) drugs kan worden geacht met die verschillen bekend te zijn. Beide feiten zijn dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij

op 07 november 2017 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie, te weten:

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool, namelijk een omgebouwd alarmpistool van het merk BBM,

type 315 Auto, kaliber 6,35mm br.

en

een bij het vuurwapen behorend patroonmagazijn, zijnde een

onderdeel/hulpstuk dat specifiek bestemd is en/of van wezenlijke aard is,

en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van

Categorie III van de Wet wapens en munitie te weten:

2 bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 6,35mm br.,

voorhanden heeft gehad;

2

hij

op 7 november 2017 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 113,5 gram van een materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is naar aanleiding van een melding dat er twee mannen achter elkaar aan renden, waarvan er één een vuurwapen vast had, aangehouden. In zijn schoudertasje is een omgebouwd alarmpistool met een patroonhouder met daarin 2 kogelpatronen aangetroffen. Het bezit van een wapen is een eerste stap naar het gebruik ervan. Bovendien brengt het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, zeker in het drugsmilieu, een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt dat gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat gevoel wordt versterkt door het feit dat vuurwapens in toenemende mate worden gebruikt. Daarom dient tegen het voorhanden hebben van een vuurwapen streng te worden opgetreden.

In het schoudertasje van de verdachte is bovendien 113,5 gram heroïne aangetroffen. Een dergelijke hoeveelheid heroïne in combinatie met de verklaringen van de gehoorde getuigen, dat zij hadden afgesproken met een dealer, levert een dealerindicatie op. Harddrugs zijn gevaarlijk voor de gezondheid van gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 februari 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen en een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, de verplichting om te wonen en hulp te accepteren van JeugdPlusJeugd of een soortgelijke instelling en zich te houden aan het zorg en (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde wordt verplicht om gedurende de proeftijd te wonen en hulp te accepteren van JeugdPlusJeugd of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich te houden aan het zorg en (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

en mrs. M. Smit en M. Beusmans-Verwijs, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2018.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij

op of omstreeks 07 november 2017 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie, te weten:

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool, namelijk een omgebouwd alarmpistool van het merk BBM,

type 315 Auto,

kaliber 6,35mm br.

en/of

een bij het vuurwapen behorend patroonmagazijn, zijnde een

onderdeel/hulpstuk dat specifiek bestemd is en/of van wezenlijke aard is,

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van

Categorie III van de Wet wapens en munitie te weten:

2 bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 6,35mm br.,

voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

2

hij

op of omstreeks 7 november 2017 te Rotterdam

opzettelijk heeft en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 113,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )