Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3178

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
ROT 15/6891
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wft. Archief commissie Scheltema (onderzoek naar ondergang DSB Bank). De eerdere uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:616) wordt op een aantal onderdelen gerectificeerd, omdat enkele documenten verkeerd waren gerubriceerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/184 met annotatie van mr. G.P. Roth
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/6891 (rectificatie)

uitspraak van 20 april 2018 tot rectificatie van de uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2017 in de zaak tussen

RTL Nederland B.V., te Hilversum, eiseres (RTL),

gemachtigden: [X] en [Y],

en

de minister van Financiën, verweerder (de minister),

gemachtigde: mr.[Z].

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2011 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van RTL tot openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van het archief van de commissie van Onderzoek DSB Bank (de commissie Scheltema), voor zover op dit verzoek nog niet is beslist en voor zover deze informatie niet al openbaar is, geweigerd met verwijzing naar de Wob en artikel 1:42 van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

Bij besluit van 13 juni 2011 heeft de minister het bezwaar van RTL tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2014 heeft deze rechtbank het beroep van RTL gegrond verklaard, het besluit van 13 juni 2011 vernietigd en bepaald dat de minister binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van de uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2014:6139).

Bij uitspraak van 25 juni 2015 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) de uitspraak van de rechtbank bevestigd (ECLI:NL:CBB:2015:178).

Bij besluit van 24 september 2015 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van RTL tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en een deel van de gevraagde documenten alsnog openbaar gemaakt. Openbaarmaking van de andere gevraagde documenten heeft de minister geweigerd op grond van artikel 1:42 van de Wft dan wel artikel 10 of 11 van de Wob.

RTL heeft tegen het bestreden besluit twee beroepen ingesteld. Het onderhavige beroep is gericht tegen de weigering tot openbaarmaking van documenten op grond van artikel 1:42 van de Wft. Het andere beroep ziet op de weigering tot openbaarmaking van documenten op grond van de Wob (ROT 15/7106). De rechtbank heeft deze zaken gevoegd.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en de documenten waarop de beroepen zien toegezonden. De minister heeft de rechtbank met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat alleen zij kennis mag nemen van deze stukken.

De rechtbank heeft bij brief van 16 februari 2016 met verwijzing naar artikel 13, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 aangekondigd te handelen alsof het verzoek tot beperking van de kennisneming is ingewilligd. Aan RTL is verzocht of zij de rechtbank toestemming verleent mede op grondslag van de desbetreffende stukken uitspraak te doen. RTL heeft bij brief van 18 februari 2016 deze toestemming verleend.

RTL heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 8 april 2016. RTL heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de minister zijn eveneens ter zitting verschenen mr. [A] en mr. [B].

De rechtbank heeft bij brief van 28 juni 2016 het onderzoek in beide zaken heropend, aangekondigd dat zij nadere vragen zal stellen en dat zij eerst het onderzoek in het onderhavige beroep zal voortzetten. Hiertoe zijn de zaken gesplitst. Bij brief van 13 juli 2016 heeft de rechtbank nadere vragen aan de minister gesteld.

Bij brief van 21 augustus 2016 heeft RTL een reactie ingediend.

De minister heeft bij brief van 24 augustus 2016 een reactie ingediend en vier documenten alsnog openbaar gemaakt.

RTL heeft bij brief van 15 september 2016 een reactie ingediend.

Vervolgens hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven het onderzoek te sluiten zonder nadere zitting. Op 20 december 2016 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 26 januari 2017.

Deze uitspraak dient ter rectificatie van de uitspraak van 26 januari 2017.

Overwegingen

1.1

De rechtbank verwijst voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden in deze procedure naar haar uitspraak van 27 maart 2014 en de uitspraak van het CBb van 25 juni 2015.

1.2

In haar uitspraak van 27 maart 2014 heeft de rechtbank de minister opgedragen een volledige inventarislijst van het archief van de commissie Scheltema op te stellen, voorzien van een motivering per document of categorie documenten waarom openbaarmaking geweigerd wordt.

1.3

In de uitspraak van 25 juni 2015 heeft het CBb onder meer overwogen:

“ De minister heeft door middel van het Instellingsbesluit Commissie van onderzoek DSB Bank (Stcrt. 2009 nr. 20474 van 30 december 2009, hierna het Instellingsbesluit) de commissie Scheltema kennelijk op grond van artikel 1:42, derde lid, Wft, gemachtigd namens hem gegevens of inlichtingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid, in te winnen. De in het vijfde lid van artikel 1:42 Wft neergelegde geheimhoudingsplicht voor de minister en degenen die in zijn opdracht handelen, in dit geval de commissie Scheltema, ziet alleen op gegevens of inlichtingen die op grond van het tweede lid zijn ontvangen. Dat betekent dat de documenten in het archief die afkomstig zijn van de toezichthouders onder het bereik van artikel 1:42 Wft vallen. Ten aanzien van deze documenten heeft de minister dan ook reeds in het primaire besluit terecht geoordeeld dat hij niet bevoegd is deze openbaar te maken en dat artikel 1:42, zevende lid, Wft, de toepassing van de Wob ten aanzien van deze categorie van documenten uitsluit.”

2. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat documenten uit het archief van de commissie Scheltema onder de werking van artikel 1:42 van de Wft vallen als de commissie deze heeft gekregen van de toezichthouders (de Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB)) en als deze documenten verslagen zijn van de gesprekken die de commissie Scheltema heeft gevoerd met bestuurders en medewerkers van de toezichthouders. Met een beroep op artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft heeft de minister openbaarmaking van deze documenten geweigerd.

3. Bij het onderzoek in zaak ROT 15/7106 is de rechtbank gebleken dat enkele documenten ten onrechte niet zijn opgenomen in haar uitspraak van 26 januari 2017. Ook heeft de minister bij brief van 27 juni 2017 ten aanzien van enkele documenten vermeld dat deze onder de werking van de Wft vallen, maar dat hij dit niet eerder heeft onderkend. RTL is in het kader van zaak ROT 15/7106 in de gelegenheid gesteld op die brief te reageren. Daarnaast is gebleken dat de uitspraak van 26 januari 2017 een andere onjuistheid bevat.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding de uitspraak van 26 januari 2017 op deze punten te rectificeren. Omwille van de leesbaarheid laat de rechtbank de tekst van de oorspronkelijke uitspraak zoveel mogelijk in stand. Waar de uitspraak van 26 januari 2017 wordt gerectificeerd, heeft de rechtbank omwille van de duidelijkheid de tekst onderstreept of doorgehaald.

4RTL voert aan dat de minister de reikwijdte van het verzoek tot openbaarmaking van documenten te beperkt heeft opgevat. Deze beroepsgrond faalt.

4.1

.1 In zijn uitspraak van 25 juni 2015 heeft het CBb, evenals de rechtbank in haar uitspraak van 27 maart 2014, geoordeeld dat het verzoek tot openbaarmaking van RTL betrekking heeft op het gehele archief van de commissie Scheltema. Dit neemt niet weg dat RTL in haar verzoek van 29 maart 2010 onderscheid heeft gemaakt tussen de documenten die zich op dat moment al bij de minister bevonden en de documenten die zich toen nog bij de commissie Scheltema bevonden. Op 15 november 2010 heeft de minister een besluit genomen op het verzoek tot openbaarmaking van de documenten waarover hij al beschikte. Bij besluit van 24 februari 2011 heeft de minister beslist op het bezwaar van RTL tegen het besluit van 15 november 2010. RTL heeft tegen het besluit van 24 februari 2011 geen beroep ingesteld. De minister wijst er terecht op dat RTL met de onderhavige procedure niet kan bereiken dat het besluit van 24 februari 2011 alsnog door de rechtbank wordt getoetst.

In het bestreden besluit heeft de minister zich gelet op het voorgaande terecht niet uitgelaten over de documenten waarop het besluit van 24 februari 2011 betrekking heeft.

4.2

.2 De minister heeft zijn beoordeling voorts terecht beperkt tot de documenten die door de commissie Scheltema aan hem zijn overhandigd, reeds omdat RTL niet heeft geconcretiseerd dat de commissie Scheltema niet haar volledige archief aan de minister heeft overhandigd. Als er stukken zijn die in het ongerede zijn geraakt en daarom niet aan de minister zijn overhandigd, kan de minister daarover ook geen besluit nemen.

5RTL heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister de besluitvorming bewust heeft vertraagd en/of de rechtsgang heeft belemmerd. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6RTL voert aan dat de minister ten onrechte op grond van 1:42 van de Wft heeft geweigerd documenten openbaar te maken. Dit betoog slaagt gedeeltelijk.

6.1

.1 Op grond van artikel 1:42, eerste lid, van de Wft kan de minister aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.

Op grond van het tweede lid verstrekt de toezichthouder aan de minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen, tenzij het vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betreft in de zin van artikel 1:89, eerste lid, die onder een aantal nader genoemde (in dit geding niet ingeroepen) uitzonderingen vallen.

Op grond van het derde lid kan de minister een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan de minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

Op grond van het vijfde lid zijn de minister en degenen die in zijn opdracht handelen verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid ontvangen gegevens of inlichtingen.

Op grond van het zevende lid, voor zover hier van belang is de Wet openbaarheid van bestuur niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die de minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

6.2

.2 De rechtbank heeft met toestemming van RTL kennis genomen van de stukken ten aanzien waarvan de minister een beroep doet op artikel 1:42 van de Wft. Deze stukken zijn door de minister aangeduid met een ‘A’ en de kleur rood op de bij het bestreden besluit gevoegde inventarislijst.

In de brief van 24 augustus 2016 heeft de minister ten aanzien van een aantal documenten meegedeeld dat deze ten onrechte onder nummer ‘A’ en/of de kleur rood op de inventarislijst zijn aangeduid. De minister heeft in deze brief meegedeeld dat de stukken 624 en 625 bij het bestreden besluit al openbaar zijn gemaakt en dat hij de stukken 832, 838, 841 en 842 alsnog openbaar maakt. Verder heeft de minister openbaarmaking van de stukken 510, 526, 561, 562, 604, 606, 607, 611, 619, 678, 734, 736 en 869 (uitsluitend onderdeel 5) alsnog geheel of gedeeltelijk geweigerd op grond van de Wob of de eerdere (al dan niet subsidiaire) weigering op grond van deze wet gehandhaafd.

Voor zover de brief van 24 augustus 2016 betrekking heeft op de toepassing van de Wob, merkt de rechtbank deze brief aan als een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, waarop het beroep in zaak ROT 15/7106 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft.

6.3

.3 Gelet op de uitspraak van 25 juni 2015 van het CBb vallen alle documenten uit het archief van de commissie Scheltema die afkomstig zijn van de toezichthouders onder het bereik van artikel 1:42 van de Wft. Deze bepaling biedt, in tegenstelling wat RTL betoogt, geen ruimte voor het maken van een onderscheid tussen toezichtsvertrouwelijke informatie en andere informatie afkomstig van de toezichthouders. Omdat de commissie Scheltema uitsluitend tot taak had een onderzoek te verrichten op grond van artikel 1:42 van de Wft, hebben de toezichthouders aan de commissie Scheltema geen informatie verstrekt buiten het kader van artikel 1:42 van de Wft. Dit geldt ook voor documenten die derden aan de toezichthouders hebben verstrekt en die vervolgens door de toezichthouders in het kader van het onderzoek aan de commissie zijn verstrekt.

RTL heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de minister dat documenten in het archief waarvan de herkomst niet met volledige zekerheid is vast te stellen naar moet worden aangenomen afkomstig zijn van DNB en daarmee onder het toepassingsbereik van artikel 1:42 van de Wft vallen. De rechtbank acht dit standpunt na bestudering van de betreffende stukken aannemelijk.

Artikel 1:42 van de Wft biedt geen ruimte voor een belangenafweging, zodat het betoog van RTL dat de minister teveel gewicht heeft toegekend aan de belangen van de toezichthouders en in de besluitvorming mee had moeten wegen dat DSB Bank niet meer bestaat, faalt. Voorts kan, anders dan RTL meent, uit de door de minister gedane toezegging om maximale transparantie te betrachten en daarbij de randen van de Wft op te zoeken, niet het vertrouwen worden ontleend dat hij zou overgaan tot verdergaande openbaarmaking dan de Wft mogelijk maakt. Indien een document is verkregen op grond van artikel 1:42, tweede lid, van de Wft is de minister niet bevoegd deze documenten openbaar te maken.

Hieruit volgt dat de minister terecht op grond van artikel 1:42 van de Wft openbaarmaking heeft geweigerd van (delen van) de documenten genummerd 13, 17, 21, 63, 66, 67, 68, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 101, 104, 156, 169, 201, 202, 207, 330, 387, 388, 389, 446, 447, 448, 463, 477, 481, 482, 483, 484, 485, 486, 509, 525, 543, 552, 703, 705, 721, 745, 746, 758, 760, 761, 763, 764, 765, 766, 773, 774, 788, 812, 813, 815, 816, 822, 826, 827, 828, 829, 831, 835, 836, 837, 839, 843, 847, 852, 864, 865, 874, 875, 877, 905, 906, 908, 915, 1018, 1019 en 1020.

6.4

.4 Artikel 1:42 van de Wft stelt geen eisen aan de vorm waarin de gegevens en inlichtingen zijn verstrekt. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat de verslagen van de gesprekken die de commissie Scheltema heeft gevoerd met personen die werkzaam zijn of zijn geweest bij de toezichthouders ook onder artikel 1:42 van de Wft vallen. Weliswaar zijn deze gespreksverslagen door de commissie Scheltema opgesteld, maar zij bevatten informatie afkomstig van de toezichthouders zonder dat daarbij een inhoudelijke bewerking van deze informatie door de commissie Scheltema heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook voor het schriftelijke commentaar van de betreffende personen op de verslaglegging. Voor zover RTL heeft betoogd dat de gespreksverslagen en de correspondentie daarover niet onder artikel 1:42 van de Wft vallen, faalt haar betoog dan ook. Dit betekent dat de minister terecht op grond van deze bepaling de openbaarmaking heeft geweigerd van (delen van) de documenten met de nummers 507, 550, 560, 566, 567, 568, 591, 592, 601, 603, 633, 635, 636, 637, 638, 639, 640, 641, 642, 643, 644, 645, 646, 647, 648, 673, 674, 675, 676, 680, 681, 682, 683, 684, 685, 732, 733, 802, 807, 808, 809, 810, 811 en 924.

6.5

.5 Naar het oordeel van de rechtbank vallen ook door de commissie Scheltema opgestelde notities indien en voor zover die enkel een feitelijke weergave of samenvatting bevatten van de inhoud van documenten die de commissie in het archief van DNB heeft aangetroffen en/of die door de toezichthouder aan de commissie Scheltema zijn overhandigd onder het toepassingsbereik van artikel 1:42 van de Wft. Dit betekent dat de minister terecht op grond van deze bepaling geheel of gedeeltelijk de openbaarmaking heeft geweigerd van de documenten met de nummers 35, 344, 698, 703, 708, 737, 753, 770, 817, 820, 846, 866 en 869 (onderdeel 1 tot en met 4).

6.6

.6 Ten aanzien van de volgende stukken acht de rechtbank, ook na de brief van de minister van 24 augustus 2016, niet aannemelijk dat deze afkomstig zijn van de toezichthouders of daarmee gelet op 6.4 of 6.5 op één lijn moeten worden gesteld: 698, 708, 767, 768, 869 (onderdeel 5), 877, 895 en 907. Stukken van de commissie waarin weliswaar informatie van toezichthouders is verwerkt, maar die (vooral) het karakter hebben van een analyse van die informatie ten behoeve van de werkzaamheden van de commissie, vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder artikel 1:42 van de Wft. De openbaarmaking van deze documenten is daarom door de minister ten onrechte geweigerd met een beroep op artikel 1:42 van de Wft.

Het subsidiaire beroep van de minister op de Wob ten aanzien van deze documenten zal de rechtbank betrekken bij de beoordeling van het beroep in zaak ROT 15/7106.

7Gelet op 6.2 en 6.6 is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 1:42 van de Wft voor zover de minister op grond van deze bepaling openbaarmaking van de documenten met nummers 510, 526, 561, 562, 604, 606, 607, 611, 619, 678, 698, 708, 734, 736, 767, 768, 832, 838, 841, 842, 869 (onderdeel 5), 877, 895 en 907 (gedeeltelijk) heeft geweigerd. Met betrekking tot deze documenten zal de rechtbank op de hieronder vermelde wijze zelf in de zaak voorzien. De minister is niet verplicht een of meer van deze documenten alsnog openbaar te maken, nu hij de documenten 832, 838, 841 en 842 al openbaar heeft gemaakt en ten aanzien van de andere vermelde documenten een subsidiair beroep op artikel 10 of 11 van de Wob heeft gedaan. De rechtbank zal dit beroep beoordelen in zaak ROT 15/7106.

8Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan RTL het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9De rechtbank veroordeelt de minister in de door RTL gemaakte proceskosten waarover nog geen uitspraak is gedaan. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting van 12 augustus 2015, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 8 april 2016 en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van 15 september 2016), met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover de minister daarbij op grond van artikel 1:42 van de Wft openbaarmaking heeft geweigerd van de documenten 510, 526, 561, 562, 604, 606, 607, 611, 619, 678, 698, 708, 734, 736, 767, 768, 832, 838, 841, 842, 869 (onderdeel 5), 877, 895 en 907;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de weigering van de openbaarmaking van deze documenten gegrond voor zover deze weigering is gebaseerd op artikel 1:42 van de Wft, herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de minister aan RTL het betaalde griffierecht van € 331,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van RTL tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. M.C. Woudstra en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr.drs. M.L. Bosman-Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij de uitspraak van 26 januari 2017 is gerectificeerd, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.