Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3171

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
546897 / HA RK 18-260
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Vooropgesteld moet worden dat de voorzitter van de meervoudige kamer die de zaak behandelt, bij een mondelinge behandeling van de zaak de regie voert. De wrakingskamer is van oordeel dat de wijze waarop de voorzitter van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet zodanig is, dat daaruit de schijn van vooringenomenheid kan blijken. De omstandigheid dat de vragen aan verzoeker waren gericht en niet aan zijn gemachtigde of dat vragen weleens herhaald werden, levert op zichzelf geen aanwijzing voor vooringenomenheid op.

Voorts behoort het tot de taak van de voorzitter om ervoor te zorgen dat aanwezigen op de zitting zich aan de zittingsinstructies houden. Verder heeft verzoeker niet weersproken dat zijn gemachtigde op enig moment ook de gelegenheid zou krijgen het woord te voeren op de zitting. Verzoeker was er ook van op de hoogte dat die gelegenheid de gemachtigde zou worden geboden, aangezien de rechtbank diezelfde dag reeds twee zaken van hem op dezelfde wijze had behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 546897 / HA RK 18-260

Beslissing van 12 april 2018

op het verzoek van

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: N.G.A. Voorbach.

strekkende tot wraking van:

mr. H. Bedee, mr. A.C. Rop en mr. C.L.G.F.H. Albers, rechters in de rechtbank Rotterdam, team bestuur 1 (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 15 maart 2018 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, onder meer een zaak behandeld waarin verzoeker beroep heeft ingesteld tegen een besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee (hierna: het College) naar aanleiding van een verzoek van verzoeker op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Verzoeker werd daarbij bijgestaan door zijn gemachtigde N.G.A. Voorbach. Deze procedure draagt het zaaknummer ROT 17/2400.

Ter gelegenheid van de behandeling van dit beroep (de derde opeenvolgende zaak op die dag van verzoeker) heeft verzoeker de wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het dossier van de hiervoor omschreven procedure;

- het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2018;

- de schriftelijke toelichting van 23 maart 2018 op het wrakingsverzoek.

Verzoeker en zijn gemachtigde Voorbach, de rechters en het College zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek wordt behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 27 maart 2018.

Ter zitting van 29 maart 2018 is het wrakingsverzoek behandeld. Namens verzoeker is zijn gemachtigde verschenen. Namens het College zijn [naam] en [naam] verschenen als toehoorders. De rechters waren daarbij niet aanwezig, zoals al aangekondigd in hun schriftelijke reactie.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

De rechtbank heeft de schijn van partijdigheid gewekt, samengevat door te handelen als volgt:

a. a) het stelselmatig beletten van verzoeker om het woord te geven aan zijn gemachtigde, zelfs bij overwegend juridische vragen;

b) het stelselmatig weigeren van beleefde pogingen van de gemachtigde van verzoeker om een aanvulling te geven op antwoorden van zijn cliënt, zodanig dat de voorzitter dreigde met verwijdering van de gemachtigde uit de zittingszaal;

c) het stelselmatig herhalen van vragen, indien verzoeker in de ogen van de rechtbank geen bevredigend antwoord geeft;

d) het voorhouden van een onjuiste binaire weerspiegeling van het antwoord dat verzoeker op een juridische vraag gaf (‘wilt u niet antwoorden of kunt u niet antwoorden’).

De voorgaande omstandigheden afzonderlijk – maar nog meer in samenhang bezien – rechtvaardigen het vermoeden van partijdigheid.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust en bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daartoe hebben de rechters – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

In bestuursrechtelijke procedures is het sinds enkele jaren gebruikelijk dat de rechtbank ter zitting begint met het stellen van vragen. Daarna krijgen partijen de gelegenheid om hun standpunten nader toe te lichten. In het licht van het bovenstaande heeft de voorzitter van de meervoudige kamer verzoeker bevraagd over doel, strekking en achtergrond van zijn Wbp-verzoeken. In de derde zaak van verzoeker op die dag heeft de gemachtigde van verzoeker bezwaar gemaakt tegen het feit dat deze vragen waren gericht aan verzoeker. De voorzitter heeft dit bezwaar niet gehonoreerd. Daarbij speelt mee dat verzoeker de Wbp-verzoeken zelf had ingediend, dat het College stelt dat sprake is van misbruik van recht, dat na verzoeker vervolgens het College bevraagd zou worden, en dat na de bevraging, de gemachtigde van verzoeker het standpunt van verzoeker nader zou kunnen toelichten. Er is derhalve geen sprake van (een schijn van) partijdigheid.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door een verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van een rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

Vooropgesteld moet worden dat de voorzitter van de meervoudige kamer die de zaak behandelt, bij een mondelinge behandeling van de zaak de regie voert. Hij bepaalt het verloop en de voortgang van de zitting en de wijze van behandeling. Het staat de voorzitter daarbij vrij om partijen wel of niet te onderbreken of aan partijen en hun gemachtigde kritische vragen te stellen. Een mondelinge behandeling heeft onder meer tot doel het verkrijgen van inlichtingen en de rechtbank kan zich hierbij actief opstellen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, het wrakingsverzoek en de schriftelijke reactie van de rechters blijkt dat de voorzitter van de meervoudige kamer ter zitting van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

3.3

De wrakingskamer is van oordeel dat de wijze waarop de voorzitter van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet zodanig is, dat daaruit de schijn van vooringenomenheid kan blijken. De omstandigheid dat de vragen aan verzoeker waren gericht en niet aan zijn gemachtigde of dat vragen weleens herhaald werden, levert op zichzelf geen aanwijzing voor vooringenomenheid op: de voorzitter van de meervoudige kamer heeft immers de bevoegdheid om ook aan verzoeker zelf vragen te stellen en van hem een antwoord daarop te verlangen. In deze zaak hebben de rechters ook toegelicht dat er goede redenen waren verzoeker zelf te bevragen. Die toelichting is inhoudelijk niet betwist door (de gemachtigde van) verzoeker.

3.4

Voorts behoort het tot de taak van de voorzitter om ervoor te zorgen dat aanwezigen op de zitting zich aan de zittingsinstructies houden. De voorzitter heeft daarbij ook de bevoegdheid om met het oog op een ordelijke behandeling van de zaak iemand uit de zittingszaal te laten verwijderen indien hij zich niet aan die instructies houdt.

Verder heeft verzoeker niet weersproken dat zijn gemachtigde op enig moment ook de gelegenheid zou krijgen het woord te voeren op de zitting. Verzoeker was er ook van op de hoogte dat die gelegenheid de gemachtigde zou worden geboden, aangezien de rechtbank diezelfde dag reeds twee zaken van hem op dezelfde wijze had behandeld.

3.5

Gelet op het voorgaande kunnen de aangevoerde gronden noch afzonderlijk, noch in samenhang bezien, tot gegrondverklaring van het verzoek leiden. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking dan ook afwijzen.

4 De beslissing

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. H. Bedee, mr. A.C. Rop en mr. C.L.G.F.H. Albers.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. J.F. Koekebakker en mr. M. de Geus, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2018 in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-