Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3150

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
C/10/521847 / HA ZA 17-221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Niet voldaan aan boekhoudplicht (art. 2:10 BW) en niet voldaan aan publicatieplicht (art. 2:394 BW).

Op grond van artikel 2:248 lid 2 BW wordt onbehoorlijke taakvervulling vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn, indien het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld wegens schending van artikel 2:394 BW dan wel artikel 2:10 BW. Het is aan de bestuurder om aannemelijk te maken dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement van de vennootschap zijn geweest. De bestuurder heeft i.c. geen/onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Beroep op matiging niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/495
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/521847 / HA ZA 17-221

Vonnis van 11 april 2018

in de zaak van

MR. JACOB HANS HUYBENS , handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AUTORECYLING SPIJKCITY B.V.,

wonende te Papendrecht,

eiser,

advocaat mr. J.H. Huybens te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat voorheen mr. E. den Hartog te Capelle aan den IJssel, thans niet langer ten processe vertegenwoordigd.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 30 januari 2017, met 8 producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident;

  • -

    het vonnis in incident van 12 juli 2017 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de zittingsagenda van 2 januari 2018;

  • -

    de oproepingsbrief van deze rechtbank van 11 oktober 2017;

  • -

    de brief van mr. Huybens van 30 januari 2018, houdende overlegging productie 9;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2018.

1.2.

Ter rolle van 15 februari 2018 heeft mr. Den Hartog zich aan de verdere behandeling van de zaak onttrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1.

Op 27 maart 1996 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autorecycling Spijkcity B.V. (hierna Spijkcity B.V.) opgericht. Auto Recycling Spijkenisse (hierna ARS) is sinds 27 maart 1996 ingeschreven als bestuurder van Spijkcity B.V. [gedaagde] is sinds diezelfde datum enig bestuurder van ARS.

2.2.

Medio 2013 is [gedaagde] in onderhandeling getreden met de heren [persoon 1] en [persoon 2] over onder meer de verkoop van de onderneming en overname van de bankschulden.

2.3.

In de periode eind 2013- begin 2014 heeft [gedaagde] op verzoek van [persoon 1] en [persoon 2] de heren [persoon 3] en [persoon 4] , werknemers van [persoon 1] en [persoon 2] , als bedrijfsleiders bij Spijkcity B.V. aangesteld.

In het uittreksel van de Kamer van Koophandel staat vermeld dat de heer [persoon 3] op 4 juni 2014 als bedrijfsleider van Spijkcity B.V. is ingeschreven en dat de heer [persoon 4] op 4 juni 2014 als gevolmachtigd directeur is ingeschreven. Voorts staat bij deze inschrijvingen vermeld dat [persoon 3] uitsluitend tekenbevoegd is met een bestuurder en dat [persoon 4] alleen/zelfstandig bevoegd is.

2.4.

[gedaagde] heeft in de periode december 2013/januari 2014 tot oktober 2015 een groot deel van de tijd in het buitenland verbleven.

2.5.

Op 25 maart 2015 heeft de Belastingdienst een ‘Rapport inzake een ingesteld boekenonderzoek’ bij Spijkcity B.V. opgemaakt, naar aanleiding van een door haar op 21 januari 2014 aangevangen onderzoek. In dit rapport staat onder meer vermeld:

“(…)

De inkopen zonder de inkopen waarover omzetbelasting in rekening is gebracht (code 2), die als voorbelasting geclaimd is bedragen: € 564.596.

In de bovengenoemde inkopen zit een post van kasuitgaven van € 108.342 waarvoor geen facturen overgelegd kunnen worden en derhalve door ons niet als inkopen meegenomen worden. (…)”.

2.6.

Tussen [gedaagde] en [persoon 1] en [persoon 2] is geen overeenstemming bereikt over de verkoop. Er heeft geen verkoop of overname van schulden plaatsgevonden.

2.7.

Op 16 februari 2016 heeft de rechtbank Rotterdam Spijkcity B.V. in staat van faillissement verklaard en mr. Huybens aangesteld tot curator.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. voor recht verklaart dat [gedaagde] als enig middellijk bestuurder van Spijkcity B.V. zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Spijkcity B.V. als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), als gevolg waarvan [gedaagde] ex artikel 2:248 BW jo. 2:11 BW jegens de boedel in het faillissement van Spijkcity B.V. hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan de curator van het bedrag van de schulden in het faillissement van Spijkcity B.V. voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, tot een bedrag van € 418.377,51, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag bij wijze van voorschot, en voor het resterende bedrag, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der voldoening;

en uitsluitend ingeval het hiervoor onder a en b gevorderde niet wordt toegewezen, althans indien het onder b gevorderde voor een bedrag lager dan € 108.352,- mocht worden toegewezen:

[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan de curator van een bedrag van € 108.352,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke kosten;

[gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, de beslagkosten en nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag der voldoening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] aansprakelijk kan worden gehouden voor het tekort van de boedel in het faillissement van Spijkcity B.V. althans voor de onttrekking aan de kas van een bedrag van € 108.352,- met rente.

4.2.

De rechtbank begrijpt dat de curator zijn vordering primair grondt op bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] .

4.3.

De curator stelt daartoe dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht en aan de deponeringsplicht en stelt hij dat het faillissement mede is veroorzaakt door de aan [gedaagde] te wijten omstandigheid dat hij het bedrijf in de periode van december 2013 tot oktober 2015 in vreemde handen heeft achtergelaten en zelf grotendeels in het buitenland verbleef. De curator stelt daarom dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en vermoed wordt dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

4.4.

Daarnaast stelt de curator dat de boedel een vordering heeft op [gedaagde] in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van Spijkcity B.V. uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in verband met verdwenen kasgelden tot een totaalbedrag van € 108.352,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de kasonttrekking, zijnde 31 augustus 2015. Uit de onderzoeksrapportage van de Belastingdienst van 25 maart 2015, en uit de rapportage en het opgemaakte overzicht (‘visualisatie’) van de grootboekmutaties van het door de boedel ingeschakelde accountantskantoor blijkt dat een bedrag van € 108.352,- niet is aangetroffen in de boedel en zonder rechtsgrond uit de kas is opgenomen, waardoor ARS dan wel [gedaagde] is verrijkt en de boedel is verarmd, aldus de curator.

4.5.

[gedaagde] betwist de te late deponering en het uitblijven van deponering van de jaarrekeningen niet, maar voert aan dat hij meende de onderneming in goede handen te hebben achtergelaten nu hij machtigingen had afgegeven aan het Accountantsbureau Plus - de accountant waarvan [persoon 1] en [persoon 2] gebruik van maakten - die erop neer kwamen dat zij volledig verantwoordelijk waren voor de vennootschap. [gedaagde] stelt dat hij er daarom vanuit ging dat hij het goed geregeld had.

4.6.

Ook ten aanzien van het door de curator gemaakte verwijt dat gebleken is dat Spijkcity B.V. geen (adequate) voorraadadministratie heeft gevoerd, met als gevolg dat er geen doorlopend overzicht bestond in de samenstelling en opbouw van de voorraad, beroept [gedaagde] zich op de aan Accountantsbureau Plus verstrekte machtigingen.

[gedaagde] voert terzake aan dat er in 2013 wel een voorraadadministratie was, maar dat er toen de heren [persoon 1] en [persoon 2] op het toneel kwamen - die [persoon 4] en [persoon 3] aanstelden om het bedrijf te runnen - met de cijfers is gerommeld, waaronder ook die van de voorraadadministratie.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2:11 BW is neergelegd dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

4.8.

Voorts is in artikel 2:248 BW bepaald dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW of de publicatieplicht van artikel 2:394 BW onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur opleveren, omdat het niet voldoen aan deze verplichtingen - gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt - erop wijst dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult. Een onbelangrijk verzuim wordt daarbij niet in aanmerking genomen. Daarvan is sprake indien het niet voldoen aan de genoemde verplichtingen er in de omstandigheden van het geval niet op wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het gaat om een overschrijding van de in artikel 2:394 lid 3 BW gegeven termijn voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).

Publicatieplicht

4.9.

Een rechtspersoon is op grond van het bepaalde in artikel 2:394 lid 3 BW verplicht binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening te hebben gepubliceerd.

Uit het overgelegde uittreksel van de gegevens van de Kamer van Koophandel van 16 februari 2016 kan worden opgemaakt dat de jaarrekening over het boekjaar 2013 niet tijdig (namelijk pas op 1 juli 2015) is gedeponeerd en dat de jaarrekening over 2014 - die uiterlijk op 31 januari 2016 had moeten worden gedeponeerd - helemaal niet is gedeponeerd.

[gedaagde] heeft geen redenen aangevoerd die de overschrijdingen van deze termijn rechtvaardigen. Dat hij meende door het verstrekken van machtigingen aan het Accountantsbureau Plus de onderneming goed achter te hebben gelaten, ontslaat hem niet van de op hem in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder rustende verplichtingen jegens de vennootschap. Bovendien zijn de overschrijdingen niet gering. De termijn voor openbaarmaking van de jaarrekening over 2013 is ruim overschreden, nu deze jaarrekening pas op 1 juli 2015 is gedeponeerd. Daarbij komt dat in het overgelegde uittreksel uit het handelsregister gehouden door de Kamer van Koophandel staat vermeld dat de jaarrekening over 2014 in het geheel niet is gedeponeerd. Deze gegevens zijn door [gedaagde] niet betwist. Gelet op het vorenstaande en de hogere eisen die moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een onbelangrijk verzuim, zodat het bestuur niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Daarmee staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld.

Boekhoudplicht

4.10.

[gedaagde] heeft eveneens niet voldaan aan de boekhoudplicht. Volgens art. 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Voor het antwoord op de vraag of de boekhouding voldoet aan de daaraan te stellen eisen, kunnen ook andere elementen daarvan van belang zijn dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten (zie HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932).

4.11.

Niet in geschil is dat de administratie niet aan de hieraan te stellen eisen van artikel 2:10 BW voldoet. [gedaagde] erkent dat er na 2013 geen deugdelijke administratie is gevoerd en stelt dat er gerommeld is met de cijfers van - onder meer - de voorraadadministratie. Ook heeft [gedaagde] ter zitting in aanvulling hierop verklaard dat hij reeds in een vroeg stadium - door een controle van de Belastingdienst - ervan op de hoogte kwam dat er een substantieel geldbedrag uit de kas was onttrokken.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat [gedaagde] niet alleen niet heeft voldaan aan de publicatieplicht, maar eveneens niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht, zodat ook op die grond sprake is van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling.

4.13.

Op grond van artikel 2:248 lid 2 BW wordt onbehoorlijke taakvervulling vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn, indien het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld wegens schending van artikel 2:394 BW dan wel artikel 2:10 BW. Het is aan [gedaagde] om aannemelijk te maken dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement van Spijkcity B.V. zijn geweest.

[gedaagde] voert aan dat niet de veronderstelde onbehoorlijke taakvervulling een oorzaak van het faillissement was, maar dat het faillissement te maken had met de verslechterde economie. Er werden minder auto’s verkocht, hetgeen resulteerde in minder aanbod voor de recyclingbedrijven, kleiner wordende marges en dalende omzetten. [gedaagde] wijst in dit verband ook op de afhankelijkheid van Spijkcity B.V. van de staalprijzen en de omstandigheid dat Spijkcity B.V. eerst 20 cent per kilo kreeg aangevuld met een premie van € 250,-, maar dat die premie is teruggezakt tot € 34,-. Ook wijst [gedaagde] op de omstandigheid dat er door de heren [persoon 3] en [persoon 4] vijftien nieuwe mensen werden aangenomen bij Spijkcity B.V., hetgeen in de ogen van [gedaagde] economisch gezien onverantwoord was en wijst hij op het door hen gevoerde wanbeleid. [gedaagde] voert in dit verband aan dat zij verantwoordelijk zijn voor de onrechtmatige kasonttrekkingen, het ontbreken van een kloppende voorraadadministratie en het niet tijdig - via accountantsbureau Plus - doen deponeren van de jaarrekeningen.

4.14.

Dat de economische situatie in de periode voorafgaande aan het faillissement dermate slecht was, dat deze een belangrijke oorzaak was van het faillissement is op geen enkele wijze door [gedaagde] met stukken onderbouwd, terwijl het aannemen van nieuw personeel formeel gezien een omstandigheid is die voor rekening van [gedaagde] als bestuurder komt en hem dus niet disculpeert.

Dit geldt eveneens voor het door [gedaagde] gevoerde argument dat niet hij maar de heren [persoon 3] en [persoon 4] verantwoordelijk zijn voor - kort gezegd - de misstanden binnen Spijkcity B.V., nu zij in de betreffende periode de onderneming feitelijk bestuurden. Ook dit kwalificeert als een omstandigheid die [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder kan worden aangerekend, nu [gedaagde] de onderneming in handen van derden heeft achtergelaten, naar het buitenland is vertrokken en volgens zijn verklaring van januari 2014 tot en met oktober 2015 daar grotendeels is verbleven en - door onvoldoende deugdelijke controle uit te voeren - daarmee een situatie heeft gecreëerd waarin deze derden aldus konden handelen. Daar komt bij dat [gedaagde] heeft verklaard dat hij reeds in een vroeg stadium ervan op de hoogte kwam dat er een substantieel bedrag aan de kas was onttrokken. [gedaagde] heeft niet inzichtelijk gemaakt welke pogingen hij vervolgens heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de administratie weer op orde kwam. Hij voert aan aangifte te hebben gedaan van de kasonttrekking, maar bescheiden ter onderbouwing van zijn relaas zijn niet door [gedaagde] overgelegd. Nu [gedaagde] ervoor heeft gekozen om de heren [persoon 4] en [persoon 3] niet in vrijwaring te dagvaarden, hoewel dit hem bij vonnis in incident is toegestaan, kan de rechtbank de (rechts)verhouding tussen die partijen niet vaststellen.

Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat hij nauwelijks nog invloed kon uitoefenen op zijn onderneming. [gedaagde] wist derhalve niet alleen van de misstanden binnen Spijkcity B.V., maar heeft ook nagelaten om adequate maatregelen te treffen. Geen redelijk handelend bestuurder zou onder die omstandigheden aldus gehandeld hebben. Dit betekent dat deze omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als disculperende omstandigheden.

4.15.

[gedaagde] is er daarom niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat deze door hem gestelde feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement.

De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort in het faillissement van Spijkcity B.V.

De vraag of [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt door de gestelde kasonttrekking behoeft daarom geen bespreking.

4.16.

[gedaagde] heeft met een beroep op artikel 2:248 lid 4 BW aangevoerd dat het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is, gematigd dient te worden, nu hij financieel niet in staat is om dit bedrag te betalen. Ook voert [gedaagde] aan dat hij hartpatiënt is en daarom de onderneming wellicht niet de aandacht heeft kunnen geven die deze nodig had.

Ingevolge artikel 2:248 lid 4 BW kan de rechter het bedrag waarvoor de bestuurder(s) aansprakelijk zijn verminderen indien dit hem bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. Andere gronden voor matiging kent dit artikel niet.

De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden kwalificeren niet als gronden voor matiging op de voet van artikel 2:248 lid 4 BW. De aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling geven daartoe ook geen aanleiding, terwijl van andere oorzaken van het faillissement niet is gebleken.

4.17.

De vorderingen van de curator onder a. en b. zullen dan ook worden toegewezen. Nu [gedaagde] ter comparitie de door de curator in het financieel verslag opgevoerde schulden heeft erkend, zal het volledige door de curator gevorderde bedrag bij voorschot worden toegewezen. De onbetwiste rente over het voorschot zal worden toegewezen als gevorderd.

4.18.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden gematigd tot een bedrag van € 3.866,89, nu onvoldoende is gebleken dat de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten - die ook niet met bescheiden zijn onderbouwd - naar hun omvang redelijk zijn.

4.19.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de curator begroot op:

- € 1.258,-- aan vastrecht

- € 82,02 aan dagvaardingskosten

- € 5.160,--aan salaris voor de advocaat (2 punten x tarief VII à € 2.580,-).

Totaal € 6.500,02

4.20.

De curator vordert [gedaagde] eveneens te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 701,47 (waarvan € 287,- aan vastrecht en € 414,47 aan overige verschotten) en € 2.580,- aan salaris advocaat (1 rekest x tarief VII à € 2.580,-).

4.21.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autorecycling Spijkcity B.V. als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 en lid 2 BW, als gevolg waarvan [gedaagde] jegens de boedel in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autorecycling Spijkcity B.V. hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator het bedrag van de schulden van Spijkcity B.V. voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, op te maken bij staat;

veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de curator te betalen een bedrag van € 422.244,40 - waarvan een bedrag van € 418.377,51 bij wijze van voorschot - vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 418.377,51 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 6.500,02;

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 701,47 aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris voor de advocaat;

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze nakosten vanaf deze termijn tot de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

1182/2053