Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3142

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
10/996526-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een voormalig lid van de Raad van Bestuur van verzekeraar HDI-Gerling N.V. Bewezenverklaard is dat de verdachte zijn werkgever heeft opgelicht door onder valse voorwendsels de Arubaanse verzekeringsportefeuille voor een symbolisch bedrag over te dragen aan een rechtspersoon waarin zijn vader (voormalig bestuurder van HDI) en hijzelf een meerderheidsbelang hadden. Verder heeft hij steekpenningen aangenomen van leveranciers voor ruim 570.000 euro en daartoe valse facturen opgemaakt. Doordat de leveranciers de steekpenningen aan HDI doorberekenden, heeft hij zijn werkgever ook in dit opzicht opgelicht. Ten slotte heeft hij het aldus verkregen geld witgewassen. Geëist was een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden; die eis doet naar het oordeel van de rechtbank echter geen recht aan de flagrante wijze waarop verdachte zich jarenlang ten koste van zijn werknemer verrijkt heeft. Daarom heeft de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden opgelegd. Die straf is inclusief een korting van zes maanden in verband met de schending van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996526-14

Datum uitspraak: 19 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog a/d Zaan.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16, 19 en 20 maart 2018 en 5 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. L.L.H. Roebroek en P. van de Kerkhof hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2½ jaar (de rechtbank verstaat: twee jaar en zes maanden), met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 1.000.000,00 bij wijze van voorschot, subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis bij niet-betaling.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van het onder 4 primair en 5 onder b. tenlastegelegde:

De verdachte wordt verweten:

a. het medeplegen van feitelijk leiding geven aan het vervalsen van facturen op naam

van [naam administratiekantoor] aan de leveranciers [naam evenementenbureau] en [naam bedrijf 1] (feit 4 primair).

het medeplegen van gewoontewitwassen door het verhullen van een geldbedrag van

in totaal € 603.122,59, afkomstig uit misdrijf (feit 5 onder b.).

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank deze feiten wettig en

overtuigend bewezen zal verklaren, terwijl de verdediging bepleit heeft dat de rechtbank de

verdachte van deze feiten zal vrijspreken.

Beoordeling

Ad a.

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte formeel geen bestuurder was van [naam administratiekantoor] , noch dat hij formele zeggenschap had in deze vennootschap. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte louter uit hoofde van zijn hoedanigheid als certificaathouder van de aandelen van [naam administratiekantoor] als feitelijk beleidsbepaler kan worden aangemerkt. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat de verdachte - al dan niet op grond van een taakverdeling tussen hem en zijn vader, de medeverdachte [naam medeverdachte 1] - (mede) feitelijk het beleid bepaalde in [naam administratiekantoor] .

Ad b.

De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor het onder 5 onder b. tenlastegelegde, nu niet is gebleken dat de ontvangen bedragen als zodanig zijn verhuld.

Conclusie

Het onder 4 primair en het onder 5 onder b. tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring:

Feit 1: medeplegen van oplichting van [naam verzekeringsmaatschappij 1] :

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij, samen met één of meer anderen, [naam verzekeringsmaatschappij 1] door één of meer van de in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) genoemde oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot de afgifte van ‘de Arubaanse verzekeringsportefeuille’ voor het symbolische bedrag van 1 Arubaanse gulden (hierna: AWG). De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen zal verklaren; de verdediging heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte van dit feit zal vrijspreken. Op hetgeen de verdediging hiertoe heeft aangevoerd zal de rechtbank in het navolgende, voor zover dat nodig is, nader ingaan.

Over de vraag wat is afgegeven bestaat geen discussie: het gaat hier om de portefeuille bestaande uit de verzekeringen die door tussenkomst van [naam verzekeringsmaatschappij 2] op naam en voor rekening van [naam verzekeringsmaatschappij 1] op Aruba zijn afgesloten. Vast staat eveneens dat deze portefeuille per 1 januari 2008 is overgedragen aan [naam verzekeringsmaatschappij 3] voor een bedrag van 1 AWG. Evenzeer staat vast dat de verdachte en zijn vader een aanzienlijk belang hadden als (middellijke) aandeelhouders in [naam verzekeringsmaatschappij 3] .

Eigendom van de portefeuille

Omstreden is daarentegen bij wie de eigendom van de portefeuille berustte. Volgens de verdediging zou de portefeuille eigendom van [naam verzekeringsmaatschappij 2] zijn geweest. De officieren van justitie hebben daarentegen gesteld dat de eigendom bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] berustte en hebben daarvoor onder meer verwezen naar het vonnis van de civiele kamer van deze rechtbank van 22 februari 2017 (ECLI:NL:RBROT2017:1384), gewezen tussen [naam verzekeringsmaatschappij 1] ter ene en - voor zover hier van belang - de verdachte en zijn vader [naam medeverdachte 1] ter andere zijde. In rechtsoverweging 5.30 van dat vonnis heeft de rechtbank overwogen dat het aan [naam verzekeringsmaatschappij 2] toebehorende portefeuillerecht als bedoeld in artikel 4:103 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) moet worden onderscheiden van de verzekeringsportefeuille als bedoeld in artikel 3:114 van die wet.

De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet rechtstreeks van belang is. Naar de bewoordingen van de tenlastelegging behoeft immers niet bewezen te worden dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] een portefeuille die haar in eigendom toebehoorde zou hebben afgegeven, maar veeleer en niet meer dan dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] tot afgifte van de portefeuille is bewogen. Ook al zou komen vast te staan dat [naam verzekeringsmaatschappij 2] eigenaresse van de portefeuille was, dan nog heeft te gelden dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] hoe dan ook een geldelijk belang had bij de portefeuille, bestaande uit de (netto-)opbrengsten uit de door de verzekeringsnemers betaalde premies. Afgifte van een dergelijk belang moet als afgifte van een goed in de zin van artikel 326 Sr. worden beschouwd. Aan dit oordeel draagt eveneens bij dat de Arubaanse portefeuille op de balans van [naam verzekeringsmaatschappij 1] vermeld stond. Dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] na afloop van de overdracht herverzekeraar was geworden en uit dien hoofde (ook) inkomsten uit de portefeuille genereerde, zoals de verdediging heeft gesteld, is voor de beoordeling van dit punt irrelevant. Dat geldt evenzeer voor de ten opzichte van de oude situatie beweerdelijk gestegen inkomsten uit de herverzekeringsconstructie. Ook de wijze van verkrijging van de portefeuille door [naam verzekeringsmaatschappij 1] en of daarvoor iets zou zijn betaald is in dit verband niet van belang en evenmin de omstandigheid dat de portefeuille in de jaarstukken van [naam verzekeringsmaatschappij 1] op nihil gewaardeerd werd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaring van de getuige [naam getuige 1] bij de FIOD (G08-01, p. 8); uit die verklaring blijkt evenzeer dat de waardering van een portefeuille pas relevant en actueel is op het moment van aan- of verkoop. De rechtbank verwijst in dit verband daarnaast naar de verklaring van [naam medeverdachte 2] , destijds voorzitter van de Raad van Bestuur (hierna: RvB) van [naam verzekeringsmaatschappij 1] (V01-03, p. 3), waarin deze opmerkt dat het strategisch en commercieel belang van [naam verzekeringsmaatschappij 1] bij de Arubaanse portefeuille te groot was om dat “zomaar op te geven”.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat de vaststelling in het voornoemde civiele vonnis juist is. Voor zover getuigen daarover anders hebben verklaard, moet worden vastgesteld dat zij kennelijk over onvoldoende civielrechtelijke kennis beschikten om zich hierover zelfstandig een juist oordeel te kunnen vormen. Daarenboven is geen van hen geconfronteerd met het bestaan van en het onderscheid tussen de begrippen portefeuillerecht en verzekeringsportefeuille als bedoeld in de Wft. Reeds daarom kunnen uitlatingen over de eigendom van de portefeuille in bedoelde verklaringen niet afdoen aan het voornoemde oordeel van de civiele kamer.

Uit de genoemde bepaling in de Wft (3:114) volgt tevens dat het bij de verzekeringsportefeuille om een overdraagbaar vermogensbestanddeel gaat. Het “Memorandum of Understanding” tussen [naam verzekeringsmaatschappij 1] en [naam verzekeringsmaatschappij 2] van 22 november 2007 (D-101, p. 146; D-170), dat volgens de verdediging, anders dan de slechts op verzoek van de Centrale Bank van Aruba opgestelde overdrachtsovereenkomst van 21 april 2008 (D-141), de eigenlijke bedoeling van partijen weergeeft, bezigt eveneens de term ‘overdracht’ (transfer) van een verzekeringsportefeuille.

De middelen als bedoeld in artikel 326 Sr

a. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn

medeverdachte tegenover [naam verzekeringsmaatschappij 1] hebben voorgewend dat de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA) voornemens was de aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] afgegeven vergunning om op Aruba het verzekeringsbedrijf uit te oefenen in te trekken, dit in strijd met de waarheid. Dat het de verdachte is geweest die dit verhaal heeft verspreid onder personen die werkzaam waren bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] volgt uit de verklaringen van [naam medeverdachte 2] voornoemd (V01-02, p. 10, gelezen in samenhang met zijn verklaring V01-03, p. 3), [naam 1] , destijds directeur brandverzekeringen bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] (G04-01, p. 9), [naam 2] , destijds directeur motorrijtuigenverzekeringen bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] (G11-01, p. 7) en [naam 3] , destijds lid van de RvB van [naam verzekeringsmaatschappij 1] (G06-01, p. 8). Dat er geen sprake was van een dreigende intrekking van de vergunning volgt uit de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] , algemeen directeur bij [naam verzekeringsmaatschappij 2] (G14-01, p. 7), [naam getuige 3] , executive director van de CBA (AH-Aruba-06, p. 3) en [naam directeur] , eigenaar van [naam verzekeringsmaatschappij 2] (G15-01, p. 11). Ten slotte volgt uit de verklaringen van [naam getuige 2] (p. 4), [naam getuige 3] en [naam getuige 4] , belastingadviseur op Aruba en betrokken bij de oprichting van [naam verzekeringsmaatschappij 3] (G17-01, p. 3), dat de verdachte tegenover betrokkenen op Aruba, bij wie bekend moest worden verondersteld dat er van intrekking van de vergunning geen sprake was, juist het - evenzeer onware - verhaal heeft opgehangen dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] zich als verzekeraar/vergunninghouder van de Arubaanse markt wenste terug te trekken.

Uit de hiervoor genoemde verklaringen volgt verder dat de herstructurering en/of

herverzekeringsconstructie als middel om het belang van [naam verzekeringsmaatschappij 1] op Aruba zeker te stellen en

de oprichting van [naam verzekeringsmaatschappij 3] , eveneens uit de koker van de verdachte en zijn

medeverdachte afkomstig waren. In aanvulling op de genoemde bewijsmiddelen verwijst de rechtbank te dien aanzien ook naar (1) een op 5 augustus 2007 gedateerd e-mailbericht van de verdachte aan [naam medeverdachte 2] (D-088, p. 1-2), waarin hij deze structuur uit de doeken doet en (2) de verklaring van [naam directeur] (G15-01, p. 4) dat de oprichting een plan van de heren [naam medeverdachten] was.

De rechtbank acht voorts bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte

tegenover [naam verzekeringsmaatschappij 1] verzwegen hebben dat zij een meerderheidsbelang hadden in de nieuw op te richten lokale verzekeraar [naam verzekeringsmaatschappij 3] . De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat er sprake was van een meerderheidsbelang. De verdachte was naar het oordeel van de rechtbank op grond van zijn arbeidsovereenkomst met [naam verzekeringsmaatschappij 1] gehouden hiervan aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] melding te maken. Dat er aan dit aandelenbezit geen stemrecht was verbonden is, wat hier verder overigens van zij, niet relevant, reeds omdat uit na te noemen bewijsmiddelen zonder meer volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte het binnen [naam verzekeringsmaatschappij 3] voor het zeggen hadden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] (G14-01, p. 6), [naam verzekeringsmaatschappij 2] (G15-01, p. 7) en [naam getuige 5] , president-commissaris bij [naam verzekeringsmaatschappij 2] en commissaris bij [naam verzekeringsmaatschappij 3] (G23-01, p. 3). De rechtbank verwijst verder naar de volgende bewijsmiddelen: voornoemde e-mail van verdachte aan [naam medeverdachte 2] van 5 augustus 2007 (D-088, p. 2-3), waarin uitdrukkelijk een ander meerderheidsbelang wordt voorgespiegeld, terwijl uit een eerdere e-mail van 4 juni 2007 aan zijn vader, medeverdachte [naam medeverdachte 1] (D-111, p. 1) volgt dat een constructie waarbij de medeverdachte en eventueel hijzelf aandeelhouder zouden worden van het begin af aan in de bedoeling heeft gelegen. Pogingen om zijn betrokkenheid en die van de medeverdachte bij [naam verzekeringsmaatschappij 3] te verhullen, volgen verder onder meer uit (1) een e-mail aan de medeverdachte van 23 oktober 2007 (D-092, p. 1), waarin het belang van de grootste aandeelhouder [naam bedrijf 2] als ‘rookgordijn’ wordt betiteld; (2) een e-mail van 30 augustus 2007 (D-112, p. 1) waarin met veel nadruk de vraag wordt opgeworpen of het refereren aan de naam [naam medeverdachte 1] in de benaming van twee nieuw op te richten vennootschappen (holding en werkmaatschappij) “wel zo handig” is; (3) een e-mail van 25 december 2007 (D-184, p. 1), waarin als het voordeel van een constructie waarbij de vennootschap van beide verdachten [naam 4] een rol speelt in de herverzekering wordt genoemd “dat het aardig verstopt is” en (4) dat de verdachte en zijn medeverdachte “niet echt blij” worden van een verzoek van de Fortis Bank op Curaçao om de ultimate beneficial owner van [naam 4] bekend te maken, hetgeen aan de medeverdachte de weinig aan de verbeelding overlatende kwalificatie Arschlöcher ontlokt, gevolgd door de opmerking: “een mooie of[f]shore is dat” (D-195, p. 1-2).
Ten slotte verwijst de rechtbank nog naar de verklaring van de getuige [naam getuige 6] , financieel directeur van [naam verzekeringsmaatschappij 1] (G09-01, p. 8), die opmerkt dat niemand bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] wist dat verdachte en zijn medeverdachte een belang hadden in [naam verzekeringsmaatschappij 3] .

Onbetwist is dat de verdachte en zijn medeverdachte de overige leden van de RvB

en van de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [naam verzekeringsmaatschappij 1] niet hebben ingelicht over de voorgenomen overdracht van de Arubaanse portefeuille. De rechtbank passeert het namens de verdachte gevoerde verweer dat er voor de verdachte ook geen verplichting bestond om de transactie te melden als niet ter zake doende. Immers, het is volstrekt helder dat de genoemde organen van [naam verzekeringsmaatschappij 1] nooit met de overdracht zouden hebben ingestemd indien zij van een juiste voorstelling van zaken waren uitgegaan, nu daartoe immers geen enkele bedrijfsmatige noodzaak of belang bestond. Zodoende heeft het niet vragen van instemming en goedkeuring in samenhang met de overige oplichtingsmiddelen wel degelijk bijgedragen aan het doen ontstaan van een onjuiste voorstelling van zaken bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] en, onder invloed daarvan, de afgifte van de Arubaanse verzekeringsportefeuille. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de verklaring van [naam medeverdachte 2] (V01-03, p. 4), waarin deze opmerkt dat er bij een juiste voorstelling van zaken wat hem betreft “helemaal geen reden” voor de overdracht was geweest. In zijn verhoren heeft [naam medeverdachte 2] zich meermalen in vergelijkbare zin uitgelaten: “Als ik wetenschap had dat de heren [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] ook betrokken waren bij de kopende partij, dan was … de hele deal … niet doorgegaan” (V01-02, p. 14) en “Als ik dit van te voren geweten had, had ik natuurlijk nooit mijn medewerking verleend” (V01-03, p. 5).
Dat de verdachte en zijn medeverdachte zich hiervan ten volle bewust waren, volgt nog uit de omstandigheid dat de medeverdachte [naam medeverdachte 1] tegenover de getuige [naam getuige 5] (G23-01, p. 2-3; zie ook [naam directeur] , G15-01, p. 12) desgevraagd “volmondig” heeft bevestigd dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] akkoord was met de herverzekeringsconstructie. Een uitlating van dezelfde strekking heeft de verdachte in de vergadering met de vertegenwoordigers van de CBA op 18 oktober 2007 gedaan (D-143, p. 2).

Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat

vrijspraak dient te volgen van het onderdeel “[verhuld/verzwegen dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)] vergoedingen/fees ontvangt/ontvangen uit hoofde van consultancy- en/of herverzekeringsovereenkomsten gesloten tussen [naam verzekeringsmaatschappij 3] en zijn/hun persoonlijke vennootschap(pen) [naam vennootschap 1] en/of [naam vennootschap 2] en/of [naam 4] en/of [naam vennootschap 3] ”, nu niet gezegd kan worden dat deze omstandigheid heeft bijgedragen aan het - onder invloed van een valse voorstelling van zaken - afgeven van de portefeuille door [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

Feiten 2 tot en met 5: medeplegen van oplichting van [naam verzekeringsmaatschappij 1] , omkoping van anderen dan ambtenaren, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen:

4.2.1.

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij samen met één of meer anderen en door één of meer van de in artikel 326 Sr genoemde oplichtingsmiddelen [naam verzekeringsmaatschappij 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal € 573.788,43 (feit 2), dat hij zich samen met een ander of anderen als lid van de RvB van [naam verzekeringsmaatschappij 1] heeft laten omkopen door het aannemen van een geldbedrag van in totaal € 455.197,01 (feit 3), dat hij in vereniging valsheid in geschrift heeft gepleegd (feit 4) en dat hij zich samen met één of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag van in totaal € 603.122, 59 (feit 5).

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken.

Op hetgeen de verdediging hiertoe heeft aangevoerd zal de rechtbank in het navolgende, voor zover dit nodig is, nader ingaan. De rechtbank zal de onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde feiten, gelet op hun onderlinge samenhang, hieronder gezamenlijk behandelen.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte was van 1 juni 2005 tot 1 januari 2012 lid van de RvB van [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

De medeverdachte [naam medeverdachte 1] , de vader van de verdachte, was van 11 mei 1993 tot en met 31 december 2005 voorzitter van de RvB van [naam verzekeringsmaatschappij 1] en van 1 januari 2006 tot en met 18 maart 2013 lid van de RvC van voornoemde vennootschap.

[naam administratiekantoor] is opgericht op 15 december 2005 met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] als enig bestuurder. Enig aandeelhouder van [naam administratiekantoor] is [naam bedrijf 3] eveneens met [naam medeverdachte 1] als enig bestuurder. De door [naam bedrijf 3] uitgegeven certificaten van aandelen van [naam administratiekantoor] zijn in handen van [naam medeverdachte 1] en/of zijn (klein)kinderen.

De verdachte had als zodanig via [naam bedrijf 3] vanaf 2006 een belang van 35% in [naam administratiekantoor] .

Op de bankrekening van [naam administratiekantoor] , bankrekeningnummer [rekeningnummer] , zijn geldbedragen ontvangen van een aantal (vaste) leveranciers van [naam verzekeringsmaatschappij 1] , te weten in totaal van [naam evenementenbureau] € 502.926,43, van [naam bedrijf 4] € 14.713,77 en van [naam bedrijf 1] € 85.482,39.

Valsheid facturen/betalen van steekpenningen:

[naam evenementenbureau] :

[naam 5] , commercieel medewerker bij [naam evenementenbureau] , heeft verklaard dat [naam evenementenbureau] sinds eind jaren negentig feesten organiseerde voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] (dat toen nog [voormalige naam verzekeringsmaatschappij 1] ). Na zijn aftreden als voorzitter van de RvB heeft [naam medeverdachte 1] hem benaderd en laten doorschemeren dat zijn opvolger verandering wilde en dat [naam evenementenbureau] geen verdere bedrijfsevenementen zou mogen organiseren voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] . [naam medeverdachte 1] vertelde hem dat hij nog steeds aan de knoppen draaide en stelde voor dat [naam administratiekantoor] voor een provisie van 15% van het door [naam evenementenbureau] aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] gefactureerde bedrag, haar invloed zou aanwenden bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] om [naam evenementenbureau] in het zadel te houden. [naam 5] aanvaardde dit voorstel uit vrees opdrachten van [naam verzekeringsmaatschappij 1] te verliezen. Vervolgens is de eerste provisie aan [naam administratiekantoor] betaald voor een personeelsfeest van [naam verzekeringsmaatschappij 1] in het Inntel in Rotterdam in 2006. Hiervoor heeft [naam administratiekantoor] een factuur gestuurd met daarop de omschrijving: bemiddelingsfee. In de daarop volgende jaren heeft [naam evenementenbureau] nog een aantal feesten georganiseerd en daarvoor volgden ook facturen van [naam administratiekantoor] . [naam 5] heeft over de bedragen op deze facturen verklaard dat deze het percentage van 15% van het factuurbedrag aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] uitmaken. Ook heeft hij aangegeven dat er nooit een contract is geweest tussen [naam administratiekantoor] en [naam evenementenbureau] . Volgens [naam 5] veranderde er feitelijk niets na de afspraak met [naam medeverdachte 1] , maar was [naam evenementenbureau] een doorgeefluik, omdat de factuur van [naam administratiekantoor] werd doorberekend aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Voorts heeft hij verklaard dat toen [naam medeverdachte 1] uit de RvC ging, hij gelijk is gestopt met de betaling van de provisie.

De rechtbank heeft - anders dan de verdediging - geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 5] te twijfelen, nu deze niet op zichzelf staat, maar steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de vertegenwoordigers van [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 1] en de daarin omschreven modus operandi.

[naam 6] :

[naam 6] heeft verklaard dat de verdachte hem het voorstel deed dat [naam 6] ICT- en consultancydiensten voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] zou verrichten op het terrein van industriële verzekeringen. [naam 6] bezat daarvan onvoldoende kennis en wilde de opdracht teruggeven. De verdachte stelde vervolgens voor dat [naam 6] die ontbrekende kennis zou inkopen bij hem en zijn vader, tegen een provisie van 10% van het aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] gefactureerde bedrag, te betalen aan [naam administratiekantoor] . [naam 6] is ingegaan op het hem gedane aanbod en vervolgens facturen aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] gestuurd, waarin - niet zichtbaar - de opslag voor [naam administratiekantoor] was opgenomen. Het aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] gefactureerde bedrag zou volgens [naam 6] 10% lager zijn geweest als niet aan [naam administratiekantoor] had moeten worden betaald. Over de door [naam administratiekantoor] aan [naam 6] verstuurde facturen heeft [naam 6] verklaard dat hij nooit zakelijk contact heeft gehad met [naam medeverdachte 1] , het niet duidelijk was welke diensten aan deze facturen ten grondslag lagen en dat de omschrijving op de facturen van [naam administratiekantoor] niet juist was.

[naam bedrijf 1] :

Uit een onderzoeksrapport dat in opdracht van [naam bedrijf 1] is opgesteld komt naar voren dat [naam administratiekantoor] zonder tegenprestatie een provisie van 8 % over de door [naam bedrijf 1] geleverde bestellingen van kantoormeubilair ontving en dat er door een oud-medewerker van [naam bedrijf 1] een ontoelaatbare afspraak over kickbackbetalingen was gemaakt met de verdachte. Toen dit - na ontdekking daarvan - door twee medewerkers van [naam bedrijf 1] tijdens een gesprek met de verdachte aan de orde werd gesteld en tegen hem werd gezegd dat [naam bedrijf 1] hiermee zou stoppen, dreigde de verdachte alle betrekkingen tussen [naam verzekeringsmaatschappij 1] en [naam bedrijf 1] te verbreken.

Tegenprestatie?

De rechtbank is van oordeel dat de mede door de verdachte gemaakte afspraken met de onderhavige leveranciers over de door deze leveranciers te betalen bedragen niet zijn gebaseerd op reële economische (tegen)prestaties van de zijde van [naam administratiekantoor] en dat de door de drie leveranciers aan [naam administratiekantoor] in dat kader gedane betalingen moeten worden aangemerkt als steekpenningen.

Aan de (schriftelijke) verklaring van [naam 7] dat [naam medeverdachte 1] conceptueel heeft meegedacht bij het organiseren van feesten door [naam evenementenbureau] en dat er in zoverre werkzaamheden ten behoeve van [naam evenementenbureau] zijn verricht, hecht de rechtbank niet de waarde die de verdediging daaraan hecht. Uit deze verklaring blijkt immers dat deze niet berust op eigen wetenschap van [naam 7] , maar op hetgeen [naam 5] aan hem zou hebben verteld. [naam 5] , die indertijd als commercieel manager nauw betrokken was bij het organiseren van dergelijke feesten en de contacten onderhield met [naam medeverdachte 1] en de verdachte, heeft bovendien verklaard dat na het oprichten van [naam administratiekantoor] - behoudens de te betalen provisie - niets veranderde in de reeds bestaande verhouding met [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Daarnaast is in het dossier niets te vinden waaruit blijkt waaruit die beweerde werkzaamheden zouden hebben bestaan. Dat ten aanzien van [naam evenementenbureau] geen daadwerkelijke tegenprestatie is geleverd volgt tot slot uit de schriftelijke verklaring van [naam medeverdachte 1] op vragen van de FIOD, waarin hij stelt dat [naam evenementenbureau] de opdracht niet dreigde kwijt te raken gedurende de looptijd van de afspraak tussen hem en [naam evenementenbureau] , waardoor er door [naam administratiekantoor] of door hem geen actie hoefde te worden ondernomen.

De rechtbank overweegt verder dat de uiteindelijke opdrachtverlening aan [naam 6] bedrijfseconomisch gezien onlogisch en objectief onverklaarbaar is, omdat [naam 6] juist de kennis op het terrein van industriële verzekeringen ontbeerde, reden waarom zij de opdracht in eerste instantie niet wilde hebben. Dat [naam medeverdachte 1] [naam 6] heeft geadviseerd op voornoemd gebied blijkt voorts niet uit de verklaringen van [naam 6] , in tegendeel. Ook blijkt uit het dossier niet dat en op welke wijze in dat kader werkzaamheden zijn verricht.

Hetzelfde geldt ten aanzien van [naam bedrijf 1], waarbij de rechtbank nog opmerkt dat niet valt in te zien dat [naam medeverdachte 1] over relevante expertise beschikte op het terrein van kantoorinventarissen.

Uit de afgelegde verklaringen van de leveranciers volgt dat zij met het betalen van zogenaamde fees aan [naam administratiekantoor] akkoord gingen om hun opdrachten van [naam verzekeringsmaatschappij 1] te kunnen continueren dan wel uit vrees deze te zullen verliezen. Dat door [naam administratiekantoor] daadwerkelijk bemiddelings- of advieswerkzaamheden verricht zijn, zoals op de door [naam administratiekantoor] aan de leveranciers gestuurde facturen vermeld staat, is niet gebleken.

In dat verband zij nog opgemerkt dat [naam medeverdachte 1] , ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft nagelaten inzichtelijk te maken waaruit de feitelijk verrichte bemiddelings- en/of advieswerkzaamheden zouden hebben bestaan.

De rechtbank merkt voorts op dat niet aannemelijk is dat een fee in de vorm van een vast percentage wordt berekend, indien daadwerkelijk sprake zou zijn van reële en feitelijke werkzaamheden van de zijde van [naam administratiekantoor] . Daarmee zou immers voorbij worden gegaan aan het feit dat werkzaamheden in bijvoorbeeld de vorm van advies in een sterk wisselende aard, frequentie en intensiteit kunnen plaatsvinden, waarbij het - mede om die reden - gebruikelijk is om dergelijke werkzaamheden op uur-basis te factureren. Het ligt onder die omstandigheden derhalve bepaald niet voor de hand dat in plaats daarvan voor een vast percentage wordt gekozen. Wat daarnaast opvalt, is dat de betreffende afspraken in geen van de genoemde gevallen zijn vastgelegd in schriftelijke en ondertekende contracten, zodat deze voor derden niet zichtbaar of controleerbaar zijn.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de - van elkaar onafhankelijke - bewijsmiddelen met betrekking tot [naam evenementenbureau] , [naam 6] en [naam bedrijf 1] reeds gelet op de sterk overeenkomende modus operandi elkaar wederzijds versterken.

De rechtbank komt op grond van het vorenoverwogene dan ook tot het oordeel dat de omschrijvingen op de facturen van [naam administratiekantoor] aan voornoemde leveranciers betreffende bemiddelings- en/of advieswerkzaamheden in strijd met de waarheid en dus vals zijn. Deze facturen waren kennelijk louter bedoeld om de ware aard van de betalingen te verhullen en om derden te misleiden. Het moest er immers op lijken alsof tegenover deze betalingen reële en legale tegenprestaties stonden en daartoe zijn de betreffende facturen (onder meer richting de accountant en de fiscus: zie D-373 en D-374) ook gebruikt.

Doorbelasting aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] :

Uit de in dit vonnis gebezigde bewijsmiddelen volgt dat voornoemde drie leveranciers de door hen aan [naam administratiekantoor] betaalde steekpenningen hebben doorberekend aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] . De stelling van de verdediging dat zijdens [naam administratiekantoor] en/of de verdachte zou zijn bedongen dat een dergelijke doorberekening niet zou plaatsvinden dan wel dat de aan [naam administratiekantoor] verrichte betalingen ten laste zouden komen van het eigen resultaat van de leveranciers vindt geen steun in het dossier. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat als dat het geval was geweest, het temeer in de rede zou hebben gelegen een dergelijke afspraak schriftelijk vast te leggen.

Dat op een factuur van [naam administratiekantoor] aan [naam bedrijf 1] een aantekening is aangetroffen met als omschrijving ‘boeken ten laste van project [code project] ’, een projectcode die [naam bedrijf 1] aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] heeft toegekend, maakt dit niet anders. Afgezien van het feit dat niet bekend is door wie deze aantekening is geplaatst, gaat het daarbij slechts om één enkele factuur betreffende één leverancier, terwijl uit de betreffende formulering bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet valt af te leiden dat geen doorberekening zou plaatsvinden. Bovendien staat hier tegenover dat [naam bedrijf 1] in een brief van 20 juni 2006 (D-061) aan [naam administratiekantoor] schrijft dat het bedrag van de facturen van [naam administratiekantoor] steeds zal worden uitgekeerd door [naam bedrijf 1] na ontvangst van de betaling van de desbetreffende levering door [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Dit wijst erop dat [naam bedrijf 1] kennelijk eerst betaling van die bedragen door [naam verzekeringsmaatschappij 1] verlangde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte ook wetenschap gehad van de doorbelasting van de aan [naam administratiekantoor] te betalen bedragen aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Dat leidt de rechtbank af uit een e-mail van de verdachte aan [naam medeverdachte 1] d.d. 28 november 2006 (D-058) waarin de verdachte schrijft dat [naam 6] een onderzoek voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] zal doen en dat in de totaalprijs voor dit onderzoek de [naam administratiekantoor] -commissie ter hoogte van 15% zit. [naam medeverdachte 1] moet dus niet vergeten een factuur voor dat bedrag te sturen, zo schrijft de verdachte hem.

Het is overigens in de visie van de rechtbank ook niet aannemelijk dat commerciële bedrijven deze kosten voor eigen rekening zouden willen nemen als zij deze kunnen doorberekenen aan hun opdrachtgevers.

Betalingen aan [naam administratiekantoor] niet bekend bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] :

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat door [naam administratiekantoor] met de betrokken leveranciers gemaakte afspraken, de in dat kader betaalde bedragen en de doorbelasting daarvan door de leveranciers aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] , bekend waren bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

Dit volgt reeds uit de verklaringen die door de leveranciers zijn afgelegd. Verder hebben [naam medeverdachte 2] (voorzitter van de RvB), [naam 8] (destijds voorzitter van de RvC), [naam 1] (destijds lid van de RvB) en [naam 9] (bedrijfsjurist [naam verzekeringsmaatschappij 1] ) verklaard dat zij hiervan niet op de hoogte waren.

Bovendien acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] (had zij wel wetenschap gehad) met een doorberekening zou hebben ingestemd, nu hiermee geen enkel zakelijk of economisch belang van [naam verzekeringsmaatschappij 1] was gediend. Verdere aanknopingspunten voor het bewust achterhouden van die prijsafspraken voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] zijn onder andere te vinden in een e-mailwisseling in de periode van 5 januari tot en met 7 januari 2006 tussen de verdachte en [naam 6] (D-279) waarin de verdachte aangeeft dat [naam 10] (werkzaam bij [naam verzekeringsmaatschappij 1] ) niets mocht weten van de ‘achterkant’ daarmee kennelijk doelend op de prijsafspraken. De rechtbank wijst in dat verband op de inhoud van het e-mailverkeer van 14 mei 2007 (D-059) tussen de verdachte en [naam 6] , handelend over een verborgen administratieve opslag van 25% voor administratie, debiteurenrisico, projectcontrole en [naam administratiekantoor] .

De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat de meergenoemde prijsafspraken tussen de leveranciers en [naam administratiekantoor] en de wijze waarop daaraan vorm en inhoud werd gegeven, enkel dienden om [naam verzekeringsmaatschappij 1] , zonder dat zij dit wist, te laten opdraaien voor de steekpenningen die aan [naam administratiekantoor] werden betaald.

De rechtbank merkt volledigheidshalve ten aanzien van het onder feit 2 met betrekking tot [naam 6] genoemde bedrag (€ 8.362,00 euro) op dat zij twee kennelijke invoerfouten heeft geconstateerd in de tabel op pagina 42 van het proces-verbaal 5-OPV en de onderliggende spreadsheet (D-306), hetgeen onder de bewijsmiddelen 60 en 59 wordt toegelicht. Het totaalbedrag dat door [naam verzekeringsmaatschappij 1] is afgegeven in het kader van de door [naam 6] aan [naam administratiekantoor] betaalde opslagen bedraagt € 8.382,00 en geen € 8.362,00, zoals in de dagvaarding onder feit 2 is genoemd. De rechtbank zal het tenlastegelegde bedrag van € 8.362,00, nu dit minder is dan € 8.382,00 bewezen verklaren.

Rol van de verdachte in [naam administratiekantoor] :

Uit de door de verdachte verzonden e-mails met bijgevoegde [naam administratiekantoor] -facturen van 19 juli 2007 (D-072, 21-23) leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat [naam administratiekantoor] een bemiddelingscommissie van € 19.487,00 aan [naam evenementenbureau] in rekening had gebracht. Blijkens de e-mails van 24 juni 2006 en 26 en 28 november 2006 (D-057 tot en met D-059) heeft de verdachte voorts een sturende rol gehad ten aanzien van het door [naam administratiekantoor] aan [naam 6] in rekening gebrachte opslagpercentage. De rechtbank wijst in dat kader ook op de e-mails van 15 tot en met 17 december 2006 (D-371) tussen de verdachte en [naam 6] en die van 16 september 2007 tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] (D-283). Hieruit komt bovendien naar voren dat de verdachte actief betrokken is geweest bij de factuurstroom van [naam administratiekantoor] naar [naam 6] en daarmee bij de aan [naam administratiekantoor] te verrichten betalingen.

De rechtbank overweegt verder dat verdachtes eerste reactie jegens de medewerkers van [naam bedrijf 1] -nadat aldaar was ontdekt dat sprake was van betaling van steekpenningen door [naam bedrijf 1] - dat hij alle betrekkingen tussen [naam verzekeringsmaatschappij 1] en [naam bedrijf 1] zou verbreken, niet anders bedoeld kan zijn dan om deze medewerkers te bewegen tot continuering van de betaling van steekpenningen aan [naam administratiekantoor] . Opvallend is voorts dat kort hierna een nieuwe overeenkomst is gesloten tussen [naam bedrijf 1] en [naam administratiekantoor] , waarbij sprake is van een kortingspercentage van 8%, een percentage dat overeenkomt met het percentage van de steekpenningen dat in de jaren daarvoor door [naam bedrijf 1] was betaald.

De verdachte is tot slot ook actief betrokken geweest bij de contacten met de accountant, betreffende de aangifte omzetbelasting september 2007 van [naam administratiekantoor] (D-373) en heeft per e-mail zowel het inkoop- als het verkoopboek van [naam administratiekantoor] verstrekt aan de accountant (D-374).

De rechtbank is op grond van het bovenstaande en de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte een essentiële rol heeft vervuld bij de door de betrokken leveranciers aan [naam administratiekantoor] betaalde steekpenningen alsmede bij het verborgen houden voor en doorberekenen daarvan aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] , waardoor [naam verzekeringsmaatschappij 1] is opgelicht.

De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring ten aanzien van de laatste facturen van [naam evenementenbureau] (D-302 t/m D-305), welke een periode betreffen waarin de verdachte niet meer in dienst was van [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Het verweer dat het medeplegen van oplichting is gestopt louter door de beëindiging van verdachtes dienstverband gaat immers niet op.

Aannemen steekpenningen

De verdachte heeft als lid van de RvB, met zijn medeverdachten, een bedrag van in totaal € 455.197,01 aan steekpenningen aangenomen. Hij bezat immers als certificaathouder via [naam bedrijf 3] 35% van het aandelenkapitaal en zijn vader, [naam medeverdachte 1] , was enig bestuurder hiervan. De verdachte ontving op zijn bankrekening ook geldbedragen uit [naam administratiekantoor] en had zodoende dus ook een economisch belang in [naam administratiekantoor] . De verdachte heeft de ontvangst van dit geld in strijd met de goede trouw tegenover zijn werkgever verzwegen, terwijl de verdachte als normadressaat als bedoeld in artikel 328ter Sr gehouden was om dit te melden aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

Gewoontewitwassen

Het door [naam administratiekantoor] van de voornoemde leveranciers ontvangen bedrag van in totaal

€ 603.122,59 is van misdrijf afkomstig. Dit bedrag is verkregen door een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen, namelijk de door [naam administratiekantoor] (in vereniging) gepleegde valsheid in geschrift. Gelet hierop en gelet op de uitkeringen van geldbedragen in de tenlastegelegde periode van de bankrekening van [naam administratiekantoor] aan de verdachte, [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] , [naam 12] en aan derden en de contante opnames van die bankrekening komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 5 onder a. tenlastegelegde.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen zijn het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen van oplichting, het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van omkoping van anderen dan ambtenaren, het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift en het onder 5 onder a ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot met 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2007 tot en met 21 april 2008 te Rotterdam en Noordwijk en Oranjestad Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [naam verzekeringsmaatschappij 1] heeft bewogen tot de afgifte van de Arubaanse verzekeringsportefeuille, en de daaraan ten grondslag liggende verzekeringspolissen van [naam verzekeringsmaatschappij 1] voor een (symbolisch) bedrag van 1,00 AWG (D-141 p. 3), hebbende hij, verdachte, en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- voorgewend dat de Centrale Bank van Aruba de vergunning voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] tot het uitoefenen van het schadeverzekeringsbedrijf zou intrekken, en

- voorgewend dat herstructurering en/of een herverzekeringsconstructie noodzakelijk was om het belang van [naam verzekeringsmaatschappij 1] in die verzekeringsportefeuille te doen behouden, en

- het alternatief aangedragen om de verzekeringsportefeuille in een nieuwe

verzekeringsmaatschappij genaamd [naam verzekeringsmaatschappij 3]

onder te brengen, en

- verhuld/verzwegen dat hij, verdachte, en zijn mededader een meerderheidsbelang hadden in [naam verzekeringsmaatschappij 3] en

- een overeenkomst tot overdacht van de Arubaanse verzekeringsportefeuille met [naam verzekeringsmaatschappij 3] gesloten zonder dat de voltallige raad van bestuur van [naam verzekeringsmaatschappij 1] hiermee heeft ingestemd en/of de raad van commissarissen van [naam verzekeringsmaatschappij 1] om goedkeuring is gevraagd,

waardoor die [naam verzekeringsmaatschappij 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 11 april 2013 te Rotterdam en Noordwijk en Leiden en Waddinxveen en Baarn, tezamen en in vereniging met anderen

meermalen, telkens met het oogmerk om zich en anderenwederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [naam verzekeringsmaatschappij 1] telkens heeft bewogen tot de afgifte van

- een totaalbedrag van (circa) 502.926,43 euro ( [naam evenementenbureau] ) en

- een totaalbedrag van (circa) 8.362,- euro ( [naam 6] ) en

- een totaalbedrag van (circa) 62.500,- euro ( [naam bedrijf 1] ),

,hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in

strijd met de waarheid telkens

- facturen ten name van

- [naam bedrijf 5] en [naam evenementenbureau]

(als opgenomen in 5-OPV-001 p. 40) en

- [naam bedrijf 4] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 42) en

- [naam bedrijf 1] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 43 en 44),

opgemaakt en laten opmaken, en

- op die facturen te hoge/opgehoogde factuurbedragen

vermeld en laten vermelden, en

- verhuld/verzwegen dat een opslag ten behoeve van [naam administratiekantoor] in de

factuurbedragen was inbegrepen, en

- die facturen aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] ter attentie van [naam verdachte] toegezonden en/of

doen toekomen, en

- die facturen voor betaling geaccordeerd en aan de afdeling Financiële

Administratie van [naam verzekeringsmaatschappij 1] toegezonden en/of doen toekomen,

waardoor die [naam verzekeringsmaatschappij 1] telkens werd bewogen tot

bovenomschreven afgiften.

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 1 januari 2012 te Rotterdam en Leiden en Noordwijk,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, anders dan als ambtenaar, namelijk als lid van de raad van bestuur van

[naam verzekeringsmaatschappij 1] , naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten,

giften, namelijk geldbedragen te weten:

- een totaal bedrag van 355.000,85 euro ( [naam evenementenbureau] ) (5-OPV-001 p. 16) en

- een totaal bedrag van 14.713,77 euro ( [naam 6] ) (5-OPV-001 p. 16), en

- een totaal bedrag van 85.482,39 euro ( [naam bedrijf 1] ) (5-OPV-001 p. 17/18),

heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

4.

Subsidiair

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2006 tot en met 30 april 2013 te Rotterdam en Leiden en Noordwijk ,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, facturen ten name van [naam administratiekantoor] gericht aan:

- [naam evenementenbureau] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 47/48) en - [naam bedrijf 4] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 48) en

- [naam bedrijf 1] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 49),

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders toen en daar

valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op die facturen voorgedaan dat [naam administratiekantoor] bemiddelings- en/of advieswerkzaamheden heeft verricht

terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden niet hebben plaatsgevonden en sprake was van steekpenningen/kickbacks, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/door anderen te doen gebruiken.

5.

hij tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 28 januari 2016 te Rotterdam en Leiden en Noordwijk, tezamen en in vereniging met anderen,

een voorwerp, te weten een totaalbedrag van 603.122,59 euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet, en van genoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van oplichting;

2.

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

3.

medeplegen van, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met de goede trouw in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

4.

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

5.

medeplegen van gewoontewitwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte bekleedde van 1 juni 2005 tot 1 januari 2012 functies bij verschillende werkmaatschappijen van [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Hij was in diezelfde periode ook lid van de Raad van Bestuur van [naam verzekeringsmaatschappij 1] . De verdachte heeft in deze hoedanigheid gedurende een periode van meerdere jaren op geraffineerde wijze aanzienlijke geldbedragen onttrokken aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

In 2008 heeft hij onder valse voorwendselen [naam verzekeringsmaatschappij 1] ertoe te bewogen haar Arubaanse verzekeringsportefeuille over te dragen aan een, mede door de verdachte, nieuw opgerichte verzekeringsmaatschappij ( [naam verzekeringsmaatschappij 3] ). De verzekeringsportefeuille werd overgedragen voor 1 AWG, terwijl het om een winstgevende portefeuille ging die aanzienlijk meer waard was. Omdat de verdachte als aandeelhouder een aanmerkelijk belang had in [naam verzekeringsmaatschappij 3] kon hij aldus de Arubaanse portefeuille (deels) in handen krijgen zonder ervoor te hoeven betalen. De verdachte heeft hiermee op berekenende wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat een bedrijf in zijn bestuurders moet kunnen stellen en heeft door zijn handelen [naam verzekeringsmaatschappij 1] ernstig benadeeld.

In de jaren 2006 tot en met 2013 zijn bij een drietal leveranciers van [naam verzekeringsmaatschappij 1] via verschillende valse facturen steekpenningen in rekening gebracht. Deze facturen waren afkomstig van [naam administratiekantoor] , een eind 2005 opgerichte onderneming, waarin de verdachte als certificaathouder een aanmerkelijk belang had en waaruit hij ook betalingen ontving. De leveranciers hebben de steekpenningen aan [naam administratiekantoor] betaald om zeker te stellen dat zij opdrachten mochten blijven uitvoeren voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] . Het ging hierbij om bedragen van in totaal ruim een half miljoen euro. De verdachte heeft er als bestuurder van [naam verzekeringsmaatschappij 1] voor gezorgd dat [naam verzekeringsmaatschappij 1] de facturen van de leveranciers betaalde, waarbij voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] verborgen was dat deze facturen waren opgehoogd met het, door de leveranciers aan [naam administratiekantoor] betaalde, bedrag aan steekpenningen. Het betalen van steekpenningen, zeker op een zo grote schaal als hier het geval was, ontwricht het normale handelsverkeer, vervalst de concurrentieverhoudingen en gaat veelal gepaard met het plegen van andere misdrijven. Die andere misdrijven waren in dit geval het op grote schaal valselijk opmaken van facturen om te maskeren dat steekpenningen werden betaald en ontvangen, alsmede het met deze constructie oplichten van [naam verzekeringsmaatschappij 1] .

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen door de door [naam administratiekantoor] ontvangen steekpenningen te gebruiken voor (privé-)aankopen en/of over te boeken en/of contant op te nemen. Het witwassen van de crimineel verkregen geldbedragen vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

28 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Dat zou overigens voor iemand die een maatschappelijke positie bekleedde zoals verdachte voor zich behoren te spreken.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank rekent de verdachte zijn egoïstisch en hebzuchtig gedrag zeer zwaar aan. Hij had een goede betrekking als lid van de Raad van Bestuur en ontving in deze positie van [naam verzekeringsmaatschappij 1] ook een aantal bonussen bovenop zijn salaris. Kennelijk was dat voor hem niet genoeg. Zoals hij zelf ten tijde van de overdracht van de Arubaanse verzekeringsportefeuille in een e-mailbericht aan zijn vader [naam medeverdachte 1] schrijft, lijkt het adagium te zijn geweest: “meepakken wat je pakken kunt”.

De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat de verdachte met het plegen van de bewezenverklaarde feiten gedurende een lange periode, bij herhaling en op flagrante wijze misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en dat hij de bij hem op grond van zijn functie(s) veronderstelde integriteit in hoge mate heeft geschonden. Bestuurders hebben in een bedrijf als geen ander een voorbeeldfunctie te vervullen, hetgeen de verdachte op grove wijze heeft veronachtzaamd. De verdachte heeft er niettemin op geen enkel moment blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen te willen inzien. De rechtbank acht dit zeer zorgelijk. Door zijn handelwijze heeft de verdachte voorts de integriteit van het financieel en economisch verkeer, en het verzekeringsbedrijf in het bijzonder, aangetast. Dergelijk gedrag van topbestuurders van bedrijven, die hun functie misbruiken teneinde zichzelf te verrijken, roept in de samenleving in toenemende mate reacties van afkeuring en verontwaardiging op.

De bewezenverklaarde feiten zijn, mede gelet op de hoedanigheid waarin de verdachte deze heeft gepleegd, dermate ernstig dat daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de omvang van het bedrag waarmee de door de verdachte gepleegde fraude gepaard is gegaan, de lange periode waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden en de houding van de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de duur van de door de officieren van justitie gevorderde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar passend en geboden.

Redelijke termijn

De rechtbank constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop de verdachte in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd - 20 mei 2014 - en het vonnis van de rechtbank op 19 april 2018, is ongeveer vier jaar verstreken. Derhalve is sprake van een overschrijding van bijna twee jaar.

Hierdoor is een vermindering van de op te leggen straf op haar plaats. Rekening houdend met de omvang van het onderzoek enerzijds, en in aanmerking genomen de vele onderzoekswensen van de verdediging anderzijds, acht de rechtbank een strafvermindering van zes maanden passend.

Dit leidt ertoe dat een gevangenisstraf zal worden opgelegd van 3 jaar en 6 maanden.

8 Schadevergoedingsmaatregel

[naam verzekeringsmaatschappij 1] heeft verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde oplichting bij wijze van voorschot op de volledige toekenning van het in de schadestaatprocedure vast te stellen schadebedrag tot een bedrag van

€ 2.550.000,00, althans € 1.000.000,00.

8.1.

Standpunt officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot de toewijzing van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 1.000.000,00, bij wijze van voorschot.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af te zien wegens de door haar bepleite vrijspraak en het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de verdachte, mede gezien de hoogte van het voornoemde bedrag.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank wijst af het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gelet op de complexiteit van de vordering. Dit geldt temeer nu de bepaling van de omvang van het schadebedrag nog onderwerp van geschil is in een lopende civielrechtelijke procedure.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57, 225, 326, 328ter, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 primair en 5 onder b. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 onder a. ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


wijst af de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. R. Brand en A. van Luijck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juni 2007 tot en met 21 april 2008 te Rotterdam en/of Noordwijk en/of

Oranjestad Aruba en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een

samenweefsel van verdichtsels

[naam verzekeringsmaatschappij 1]

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van

de Arubaanse verzekeringsportefeuille, en/of de daaraan ten grondslag liggende

verzekeringspolissen van [naam verzekeringsmaatschappij 1] voor een (symbolisch) bedrag van 1,00 AWG (D-141

p. 3), in elk geval van enig goed,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid (telkens)

- voorgewend dat de Centrale Bank van Aruba de vergunning voor [naam verzekeringsmaatschappij 1] tot het

uitoefenen van het schadeverzekeringsbedrijf zal intrekken, en/of

- voorgewend dat herstructurering en/of een herverzekeringsconstructie

noodzakelijk is om het belang van [naam verzekeringsmaatschappij 1] in die verzekeringsportefeuille te

doen behouden, en/of

- het alternatief aangedragen om de verzekeringsportefeuille in een nieuwe

verzekeringsmaatschappij genaamd [naam verzekeringsmaatschappij 3]

onder te brengen, en/of

- verhuld/verzwegen dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (een)

meerderheidsbelang/ aande(e)l(en)/ zeggenschap hebben in [naam verzekeringsmaatschappij 3] en/of

vergoedingen/fees ontvangt/ontvangen uit hoofde van consultancy- en/of

herverzekeringsovereenkomsten gesloten tussen [naam verzekeringsmaatschappij 3] en zijn/hun persoonlijke

vennootschap(pen) [naam vennootschap 1] en/of [naam vennootschap 2] en/of [naam 4] en/of [naam vennootschap 3] , en/of

- een overeenkomst tot overdacht van de Arubaanse verzekeringsportefeuille met

[naam verzekeringsmaatschappij 3] gesloten zonder dat de voltallige raad van bestuur van [naam verzekeringsmaatschappij 1] hiermee

heeft ingestemd en/of de raad van commissarissen van [naam verzekeringsmaatschappij 1] om goedkeuring is

gevraagd,

waardoor die [naam verzekeringsmaatschappij 1] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte(n);

2.

hij

op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juni 2006 tot en met 11 april 2013 te Rotterdam en/of Noordwijk en/of Leiden

en/of Waddinxveen en/of Baarn en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een

samenweefsel van verdichtsels

[naam verzekeringsmaatschappij 1]

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van

- een totaalbedrag van (circa) 502.926,43 euro ( [naam evenementenbureau] ) en/of

- een totaalbedrag van (circa) 8.362,- euro ( [naam 6] ) en/of

- een totaalbedrag van (circa) 62.500,- euro ( [naam bedrijf 1] ),

althans enig(e) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid (telkens)

- één of meer factu(u)r(en) ten name van

- [naam bedrijf 5] en/of [naam evenementenbureau]

(als opgenomen in 5-OPV-001 p. 40) en/of

- [naam bedrijf 4] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 42) en/of

- [naam bedrijf 1] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 43 en 44),

opgemaakt en/althans laten opmaken, en/of

- op die factu(u)r(en) (een) te ho(o)g(e)/opgehoogd(e) factuurbedrag(en)

vermeld en/althans laten vermelden, en/of

- verhuld/verzwegen dat een opslag ten behoeve van [naam administratiekantoor] in de/het

factuurbedrag(en) is inbegrepen, en/of

- die factu(u)r(en) aan [naam verzekeringsmaatschappij 1] ter attentie van [naam verdachte] toegezonden en/of

doen toekomen, en/of

- die factu(u)r(en) voor betaling geaccordeerd en aan de afdeling Financiële

Administratie van [naam verzekeringsmaatschappij 1] toegezonden en/of doen toekomen,

waardoor die [naam verzekeringsmaatschappij 1] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte(n);

3.

hij

op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juni 2006 tot en met 1 januari 2012 te Rotterdam en/of Leiden en/of

Noordwijk en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

anders dan als ambtenaar, namelijk als lid van de raad van bestuur van

[naam verzekeringsmaatschappij 1] ,

naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van

zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (een)

gift(en) en/of belofte(n), namelijk enig(e) geldbedrag(en) te weten:

- een totaal bedrag van (circa) 355.000,85 euro ( [naam evenementenbureau] ) (5-OPV-001

p. 16) en/of

- een totaal bedrag van (circa) 14.713,77 euro ( [naam 6] ) (5-OPV-001 p. 16),

en/of

- een totaal bedrag van (circa) 85.482,39 euro ( [naam bedrijf 1] ) (5-OPV-001 p. 17/18),

heeft aangenomen en dit/deze aannemen(s) in strijd met de goede trouw heeft

verzwegen tegenover zijn werkgever/lastgever;

4.

[naam administratiekantoor]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 april 2006 tot en met 30 april 2013 te Rotterdam en/of Leiden en/of

Noordwijk en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

één of meer factu(u)r(en) ten name van [naam administratiekantoor] gericht aan:

- [naam evenementenbureau] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 47/48) en/of

- [naam bedrijf 4] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 48) en/of

- [naam bedrijf 1] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 49),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, althans valselijk heeft

doen opmaken of heeft doen vervalsen,

immers heeft/hebben die [naam administratiekantoor] en/of haar mededader(s) toen en daar

valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die

factu(u)r(en) voorgedaan dat [naam administratiekantoor] bemiddelings- en/of

advieswerkzaamheden heeft verricht

(terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden niet hebben plaatsgevonden en/of

sprake was van steekpenningen/kickbacks),

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander en/of andere (rechts)perso(o)n(en),

althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in

vereniging met een ander en/of andere (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 april 2006 tot en met 30 april 2013 te Rotterdam en/of Leiden en/of

Noordwijk en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

één of meer factu(u)r(en) ten name van [naam administratiekantoor] gericht aan:

- [naam evenementenbureau] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 47/48) en/of

- [naam bedrijf 4] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 48) en/of

- [naam bedrijf 1] (als opgenomen in 5-OPV-001 p. 49),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, althans valselijk heeft

doen opmaken of heeft doen vervalsen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar

valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die

factu(u)r(en) voorgedaan dat [naam administratiekantoor] bemiddelings- en/of

advieswerkzaamheden heeft verricht

(terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden niet hebben plaatsgevonden en/of

sprake was van steekpenningen/kickbacks),

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken;

5.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juni 2006 tot en met 28 januari 2016 te Rotterdam en/of Leiden en/of

Noordwijk en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

a.

(telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa)

603.122,59 euro, althans enig(e) geldbedrag(en),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit

een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

en/of

b.

(telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa)

603.122,59 euro, althans van enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft

verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit

een gewoonte heeft/hebben gemaakt;