Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3121

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
545515 / HA RK 18-187
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Niet de rechter, maar de administratie en de zittingscoördinatoren van de rechtbank hebben de (proces)beslissing genomen om de behandeling van het beroep van verzoeker op de zitting van 26 april 2018 te plannen (en dus niet eerder). Op grond daarvan kan de vrees voor vooringenomenheid van de rechter niet worden gerechtvaardigd. Ten aanzien van de door verzoeker in zijn brieven van 6 en 9 maart 2018 vermelde wrakingsgronden is de rechtbank op grond van artikel 8:16, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht van oordeel dat deze buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Verzoeker had deze gronden tegelijk moeten voordragen met hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn wrakingsverzoek van 19 februari 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 545515 / HA RK 18-187

Beslissing van 28 maart 2018

op verzoek van

[naam verzoeker],

wonende aan de [adres],

hierna: verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. J.F. Frankruijter, rechter in team bestuur 3 rechtbank Rotterdam,

hierna: de rechter.

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij deze rechtbank is in behandeling het door eiser ingestelde beroep van 25 september 2017 gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de korpschef van Politie, de politiechef van eenheid Amsterdam (hierna: verweerder) op het verzoek van verzoeker van 31 juli 2017 om verzoeker te doen toekomen alle stukken die ten grondslag liggen aan de registratie van zijn persoon in het politiecomputersysteem HKS.

Deze procedure draagt als kenmerk ROT 17/5715.

In genoemde procedure heeft verweerder – na het instellen van het beroep door verzoeker – alsnog een besluit genomen op 20 oktober 2017. Verzoeker heeft op 25 oktober 2017 bij brief laten weten dat hij zijn beroep handhaaft, omdat hij het gedeeltelijk oneens is met dit genomen besluit. Verzoeker heeft gesteld dat de door hem ontvangen stukken niet compleet zijn.

Bij brief van 26 oktober 2017 heeft de rechtbank verzoeker en verweerder laten weten dat het door verzoeker op 25 september 2017 ingestelde beroep eveneens wordt opgevat als een

beroep tegen het nieuwe besluit van 20 oktober 2017.

Op 16 januari 2018 heeft de rechtbank in voornoemde procedure een brief verzonden aan verzoeker en verweerder om hen in de gelegenheid te stellen te reageren op het voornemen om het beroep van verzoeker op donderdag 26 april 2018 te Rotterdam te behandelen, met als kenmerk “zaaknummer ROT 17/5715 WET FRAN”.

Bij brief van 19 februari 2018 heeft verzoeker de wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hiervoor omschreven beroepsprocedure, waarin zich onder meer bevinden alle hiervoor genoemde processtukken. Verzoeker, de rechter, alsmede de verweerder, zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren.

De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 8 maart 2018.

Op de rechtbank is op 9 en 14 maart 2018 binnengekomen een tweetal brieven van verzoeker van 6 maart 2018 respectievelijk 9 maart 2018 met aanvullende gronden voor het onderhavige wrakingsverzoek. De rechter heeft op eerstgenoemde brief gereageerd bij e-mail van 13 maart 2018.

Ter zitting van 14 maart 2018, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoeker en de rechter beide, conform hun eerdere berichten, niet verschenen. Namens de verweerder is eveneens niemand verschenen.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1.

Het verzoek

2.1.1.

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven:

Bij de stukken van de procedure ROT 17/5715 staat achter het zaaknummer het woord WET FRAN. Als dat betekent dat mr. Frankruijter deze zaak als rechter behandelt, dan geef ik bij deze aan dat ik dat niet wil. Ik wraak mr. Frankruijter. Ik heb geen vertrouwen in hem gelet op het feit dat deze procedure allang had moeten voorkomen op zitting.

2.2

De reactie van de rechter

2.2.1.

De rechter heeft per e-mail van 8 maart 2018 te kennen gegeven, dat hij niet in de wraking berust.

2.2.2.

Ter onderbouwing heeft de rechter het volgende aangevoerd - verkort weergegeven:

Op het moment dat de heer Plomp bij brief van 19 februari 2018 het wrakingsverzoek indiende, was er van enige inhoudelijke betrokkenheid van mij bij zijn zaak geen sprake. Het verzoek is namelijk ingediend in de fase, waarin enkel de administratie en de zittingscoördinatoren het zaaksdossier in behandeling hebben. Op 16 februari 2018 is een vooraankondiging naar de heer Plomp gestuurd, waarna hij mij gewraakt heeft.

Nu uit het voorgaande kan volgen dat van enige inhoudelijke betrokkenheid van mij bij de zaak van de heer Plomp nog geen sprake was, dient reeds daarom het wrakingsverzoek te worden afgewezen.

Het voorgaande betekent naar mijn mening dat ook de grond van het verzoek tot wraking niet zou kunnen slagen, nu die grond veronderstelt dat ik een rol heb gespeeld in de door de heer Plomp ervaren (te) lange duur van zijn procedure.

3 De beoordeling

3.1.

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2.

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.5.

De wrakingskamer overweegt als volgt.

Niet de rechter, maar de administratie en de zittingscoördinatoren van de rechtbank hebben de (proces)beslissing genomen om de behandeling van het beroep van verzoeker op de zitting van 26 april 2018 te plannen (en dus niet eerder). Op grond daarvan kan de vrees voor vooringenomenheid van de rechter niet worden gerechtvaardigd.

3.7.

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

3.8

Ten aanzien van de door verzoeker in zijn brieven van 6 en 9 maart 2018 vermelde wrakingsgronden is de rechtbank op grond van artikel 8:16, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht van oordeel dat deze buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Verzoeker had deze gronden tegelijk moeten voordragen met hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn wrakingsverzoek van 19 februari 2018.

4 De beoordeling

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. J.F. Frankruijter.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.C. Santema, voorzitter, mrs. M. Fiege en H.J.M. van der Kaaij, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2018 in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier.

Verzonden op:

aan:

- [naam verzoeker]

- mr. J.F. Frankruijter

- korpschef van Politie, de politiechef van eenheid Amsterdam