Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3074

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
ROT-16_07078
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering maatwerkvoorschriften vast te stellen ten behoeve van een zorgboerderij. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet onevenredig in zijn woongenot wordt geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/7078

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

gemachtigde: mr. R.F.H. Tamboenan,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, thans gemeente Hellevoetsluis, verweerder,

gemachtigde: mr. F.C.S. Warendorf.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghoudster]

gemachtigde: mr. D.N.J. van Horssen

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: Activiteitenbesluit) ten behoeve van het plan [titel] te Oudenhoorn afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door H. Boschloo, drs. N. de Jong, S. Yavuzylgitoglu en J.A.M. Kool. Namens vergunninghoudster is haar gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Het plan [titel] (hierna: het plan), gelegen aan de [locatie] in Oudenhoorn, omvat een zorgboerderij met 10 wooneenheden voor bewoners met een verstandelijke beperking. Omdat het plan onder het Activiteitenbesluit valt moet worden voldaan aan de artikelen die aan deze uitspraak zijn gehecht.

3. Eiser heeft verweerder verzocht om op grond van artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften voor het onderhavige plan te stellen waardoor de hinder ter plaatse voor de omliggende woningen zoveel mogelijk wordt voorkomen.

In het eerste lid van artikel 2:17 zijn de standaard geluidgrenswaarden opgenomen. Deze grenswaarden zijn 5 dB hoger dan de richtwaarden die voor een goede ruimtelijke ordening gelden. Nu verweerder in het kader van de omgevingsvergunning heeft aangegeven dat voldaan kan worden aan de richtwaarden voor een goede ruimtelijke ordening ligt het voor de hand dat verweerder op grond van het eerste lid van artikel 2.20 een maatwerkvoorschrift stelt, waarin bepaald is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau niet meer mogen bedragen dan de waarden die in tabel 1 opgenomen zijn, aldus eiser.

3.1.

Eiser heeft in zijn verzoek verder aangevoerd dat het voor de hand ligt dat verweerder op grond van het vijfde lid van artikel 2.20 door middel van een maatwerkvoorschrift het gebied aanwijst waar de bewoners op het buitenterrein mogen verblijven (mits niet dichter bij de woning van eiser). Anders zal immers niet voldaan kunnen worden aan de criteria van een goede ruimtelijke ordening. In het door verweerder bij de vaststelling van de omgevingsvergunning gehanteerde akoestisch onderzoek van de DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) is gesteld dat de bewoners maximaal vier uur gedurende de dag- en twee uur gedurende de avondperiode op het buitenterrein aanwezig zijn. Indien de bewoners in de dag- en/of avondperiode langer op het buitenterrein verblijven, is dat in strijd met de door verweerder aangevoerde uitgangspunten en zal niet voldaan worden aan de criteria voor een goede ruimtelijke ordening. Hierom verzoekt eiser verweerder om op grond van het vijfde lid van artikel 2.20 door middel van een maatwerkvoorschrift te bepalen dat de bewoners maximaal vier uur gedurende de dag- en twee uur gedurende de avondperiode op het buitenterrein mogen verblijven.

4. Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek van eiser afgewezen omdat de grenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet worden overschreden.

Verweerder heeft in dit verband gesteld dat, zoals in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a aangegeven, het eerste lid van artikel 2.17 niet van toepassing is op stemgeluid. Aangezien stemgeluid in deze inrichting de enige relevante geluidbron is, heeft het verlagen van de norm van het Activiteitenbesluit door middel van het stellen van een maatwerkvoorschrift geen zin. Voorts bestaat er geen norm voor stemgeluid in het Activiteitenbesluit zodat het niet mogelijk is om gedragsmaatregelen en technische voorzieningen op te leggen voor het reguleren van stemgeluid.

5. Bij het bestreden besluit stelt verweerder dat in het licht van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit dient te worden bezien of het betreffende terrein van de inrichting als een binnen- of buitenterrein dient te worden aangemerkt. Verweerder wijst er in dit verband op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met name de situering van het terrein aan de straat of andere openbare ruimte van belang acht. Indien hiervan sprake is, mag worden aangenomen dat het van het terras/tuin afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Zie onder meer de uitspraken

ECLI:NL:RVS:2010:BL8735, ECLI:NL:RVS:2010:BM8794, ECLI:NL:RVS:2011:BP6308 en ECLI:NL:RVS:2011:BP9592.

Daarnaast kan het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de mate van beslotenheid van het buitenterrein naar de mening van verweerder als indicatie dienen of er al dan niet sprake is van een binnenterrein. Indien een terrein is omsloten door bebouwing zal het omgevingsgeluid in beginsel veel lager zijn, zodat het stemgeluid van bijvoorbeeld het terras eerder zal leiden tot overlast en de beoordeling van dergelijke situaties in overeenstemming met artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit dient te geschieden.

Verweerder is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat er in het onderhavige geval sprake is van zowel een binnen- als een buitenterrein. De (moes)tuin aan de achterzijde van het gebouw grenst voor een groot gedeelte aan een openbare weg, namelijk aan het [locatie 2] . Dit is een fietspad tussen [plaatsnamen] waarop bromfietsen ook zijn toegestaan. Dit terrein is niet omsloten, zodat kan worden gesteld dat het eventuele geluid afkomstig van dit terrein zal opgaan in het omgevingsgeluid. Het gedeelte van de tuin nabij het gebouw en het terras aan de zijkant tussen [2 woningen] grenst niet aan de straat of andere openbare ruimte, zodat de conclusie kan worden getrokken dat hier sprake is van een binnenterrein.

Het stemgeluid afkomstig van dit binnenterrein dient te voldoen aan de geluidsnormen zoals gesteld in tabel 2.17a van artikel 2.17, eerste lid van het Activiteitenbesluit. Verweerder merkt in dit verband op dat in het kader van de totstandkoming van de omgevingsvergunning voor het desbetreffend perceel reeds een akoestisch onderzoek door de DCMR is uitgevoerd naar de geluidbelasting van het menselijk stemgebruik (“ [rapport] ” van 27 mei 2015). Dit onderzoek is door verweerder aan de bezwaarprocedure toegevoegd en is aan eiser toegezonden.

Uit dit onderzoek blijkt dat er geen normen worden overschreden. Uit de berekening blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van het stemgeluid van de bewoners op 10 meter van de grens van het bedrijf ten hoogste 36 dB(A) bedraagt in de dag- en avondperiode, terwijl de toegestane norm 50 dB(A) respectievelijk 45 dB(A) is. Het maximaal geluidniveau ten gevolge van het stemgeluid van de bewoners op 10 meter van de grens van het bedrijf bedraagt maximaal 58 dB(A) in de dag- en avondperiode, terwijl de toegestane norm 70 dB(A) respectievelijk 65 dB(A) is. In bijlage 2 van het onderzoek blijkt zelfs dat, bezien vanuit de percelen [2 woningen] , uitgekomen wordt op de volgende normen: voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 20 dB(A) in de dag- en avondperiode en voor het maximaal geluidniveau maximaal 43 dB(A) in de dag- en avondperiode.

Verweerder is, gelet op het vorenstaande, tot de conclusie gekomen dat de geluidnormen niet worden overschreden zodat het verzoek tot het stellen van maatwerkvoorschriften (nog steeds) terecht is afgewezen.

6. Eiser meent dat het terrein in het plan geheel moet worden aangemerkt als een binnenterrein, zodat op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden.

6.1.

De rechtbank heeft ter zitting aan de hand van een overzichtskaart, waarbij partijen hun opvatting hebben kunnen geven, vastgesteld dat het plan voorziet in zowel een binnen- als een buitenterrein. Enkel het gedeelte van de tuin van de inrichting nabij het gebouw en het terras aan de zijkant tussen [2 woningen] dienen naar het oordeel van de rechtbank als binnenterrein aangemerkt te worden.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het opleggen van gedragsmaatregelen en technische voorzieningen voor het reguleren van stemgeluid, als weergegeven onder r.o. 3.1., nodig is om te kunnen voldoen aan de criteria voor een goede ruimtelijke ordening.

7.1.

De rechtbank overweegt dat de eis van een “goede ruimtelijke ordening” slechts van belang is in het kader van de procedure over de omgevingsvergunning. Voor het besluit om al dan niet maatwerkvoorschriften op te leggen is de eis van een goede ruimtelijke ordening niet relevant. De vraag of er een maatwerkvoorschrift moet worden opgelegd, speelt als vastgesteld is dat de algemene normen van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn in de concrete situatie.

Uit het dossier en de ter zitting gegeven toelichting op de situatie volgt dat een aanzienlijk deel van het terrein van het plan niet omsloten is en aan de openbare weg is gelegen. Daardoor moet dat deel worden beoordeeld als een buitenterrein waarvoor geen normen gelden voor het stemgeluid.

Voor het deel van de inrichting dat als binnenterrein te bestempelen is, ligt het stellen van maatwerkvoorschriften in de rede als een akoestisch rapport daartoe aanleiding geeft, of als uit de praktijk (toezicht) blijkt dat er niet kan worden voldaan aan de algemene norm.

Gelet op het akoestisch onderzoek van de DCMR van 27 mei 2015 is de rechtbank van oordeel dat geen van deze situaties zich hier voordoet. De uitgangspunten in het akoestisch onderzoek, zoals de verwachte verblijftijd van bewoners in de middag en avond, hoeven niet nog eens als norm voorgeschreven te worden. Het akoestisch onderzoek maakt immers deel uit van de omgevingsvergunning. Gelet op het akoestisch onderzoek veroorzaakt het stemgeluid op het binnenterrein geen onaanvaardbare geluidsoverlast. In het geval vergunninghoudster zich in het kader van de bedrijfsvoering niet houdt aan de verleende omgevingsvergunning – waarvan het geluidsonderzoek deel uitmaakt – staat het eiser vrij verweerder te verzoeken om handhavend op te treden. Het vorenstaande betekent evenwel niet dat, zodra er sprake is van een (marginale) afwijking van de uitgangspunten op basis waarvan het akoestische rapport is vastgesteld, dit dan ook per definitie met zich brengt dat er een overschrijding van de geluidsnorm van het Activiteitenbesluit plaatsvindt. De rechtbank overweegt verder dat eiser in deze procedure aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat het meergenoemde akoestisch onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan dan wel overigens onjuistheden bevat. Nu eiser evenmin met behulp van bijvoorbeeld een deskundig tegenonderzoek heeft onderbouwd dat de conclusie van het akoestisch onderzoek, dat aan de geluidsnormen zal worden voldaan, geen stand houdt, heeft verweerder het naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet nodig hoeven achten aan vergunninghoudster gedragsmaatregelen dan wel technische voorzieningen voor het reguleren van het stemgeluid op te leggen.

8. Eiser vindt dat, ook in het geval gesteld kan worden dat er wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit, hij nog steeds onaanvaardbare geluidsoverlast zal ervaren. Voorts wijst hij op artikel 2.1. van het Activiteitenbesluit. Daarin is een zorgplicht opgenomen. Ook op grond van dit artikel kunnen maatwerkvoorschriften opgelegd worden, aldus eiser.

Eiser is verder van mening dat het feit dat stemgeluid in deze inrichting de enige relevante geluidbron is, niets afdoet aan het feit dat hij last zal hebben van stemgeluiden van de personen op het buitenterrein, zeker als deze personen dichter bij zijn woning op het buitenterrein verblijven. Het stellen van maatwerkvoorschriften als door hem verlangd heeft in zijn geval wel degelijk zin, aldus eiser.

8.1.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van de zorgplicht als bedoeld in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit alleen tot de mogelijkheden behoort als een aspect niet uitputtend in het Activiteitenbesluit is geregeld (zie § 6.5 Nota van toelichting, Staatsblad 2007, nummer 415). Nu geluid en meer specifiek stemgeluid juist uitputtend in artikel 2.17 en artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit, is geregeld, heeft verweerder zich in dit geval terecht niet bevoegd geacht op basis van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit vanwege het aspect “geluid” aan vergunninghoudster maatwerkvoorschriften op te leggen.

Evenals in de situatie dat het pand aan de [locatie] door een (groot) gezin zou worden bewoond, zal eiser mogelijk als gevolg van de verleende omgevingsvergunning in zijn tuin enig stemgeluid van de bewoners van de zorgboerderij kunnen waarnemen. Het kan zijn dat eiser hierdoor niet een zo hoog mogelijk niveau van woongenot ervaart. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op basis van het akoestische onderzoek van de DCMR van 27 mei 2015 in objectieve zin in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet onevenredig in zijn woongenot wordt geschaad. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om voorschriften als bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid van het Activiteitenbesluit vast te stellen.

Conclusie

9. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en

mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage wettelijk kader (Activiteitenbesluit)

In artikel 2.17, aanhef eerste lid, sub a, is bepaald dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel 2.17a

07:00–19:00 uur

19:00–23:00 uur

23:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

In artikel 2.18, eerste lid, aanhef, onder a, is bepaald dat bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20, blijft buiten beschouwing het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

In artikel 2.20 staat het volgende:

1. In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax vaststellen.

(…)

4 Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de plaats waar de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, dan wel 2.19a, voor een inrichting gelden.

5 Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

6 In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, dan wel 2.19a kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.

7 Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen ter beperking van het geluid als gevolg van werkzaamheden en activiteiten bij een inrichting als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid.

(…)