Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:3043

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
10/690218-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ter zake van uitvoer harddrugs, veroordeling medeplegen handel in strijd met artikel 2 onder B Opiumwet en deelname criminele organisatie; oplegging (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690218-17

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 september 2017, 30 november 2017 en 7 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte samen met zijn medeverdachten in de periode van 16 januari 2017 tot en met 6 juni 2017 een drugsbestellijn onder de naam “ [naam] ” heeft gerund en zich in die hoedanigheid samen met zijn medeverdachten op grote schaal heeft beziggehouden met het uitvoeren naar en het verkopen van heroïne en cocaïne in België. Voor wat betreft de te bewijzen periode haakt de officier van justitie aan bij de eerste datum waarop de drugsbestellijn werd getapt, te weten 16 januari 2017, en de datum van aanhouding van de verdachte, te weten 7 juni 2017.

4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken moet worden van alle tenlastegelegde feiten, omdat de stemherkenning van de verdachte, op basis waarvan de verdachte aan de drugsbestellijn is gekoppeld, niet mag worden gebezigd voor het bewijs. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze stemherkenning niet deugdelijk en neutraal heeft plaatsgevonden. De stemherkenning zou namelijk hebben plaatsgevonden op basis van slechts één tapgesprek. Bovendien zou er sprake zijn geweest van beïnvloeding van de verbalisanten die de stem van de verdachte menen te hebben herkend, aangezien zij op de hoogte waren van een onderzoek naar de medeverdachte [naam medeverdachte 1] op het moment dat zij een tapgesprek tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte in het kader van de stemherkenning uitluisterden.

4.3.

Beoordeling

4.3.1.

Stemherkenning

In het kader van een onderzoek naar een schietincident in Rotterdam-Zuid (onderzoek [naam onderzoek] ) is een telefoontap aangesloten op de telefoon met IMEI-nummer [nummer] en telefoonnummer [gsm-nummer 1] . Daarbij is naar voren gekomen dat de gebruikers van dit nummer zich veelal voorstellen als “ [naam] ” en dat dit nummer wordt gebruikt voor het op grote schaal verkopen van verdovende middelen in België. In het merendeel van de gesprekken dat middels deze lijn plaatsvindt wordt er immers in versluierde taal gesproken over drugs waarbij afspraken worden gemaakt over prijzen, leveringstijden en leveringslocaties. Voorts is uit onderzoek gebleken dat de genoemde [naam medeverdachte 1] één van de personen is die deze drugsbestellijn runt. Hij wordt op 2 februari 2017 op zijn privénummer gebeld door het nummer [gsm-nummer 2] . De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben de stem van deze beller herkend als de stem van de verdachte. Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft verklaard dat hij deze stem met grote regelmaat heeft horen terugkomen als een van de hoofdgebruikers van de drugsbestellijn.

De betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten is door de politie dus afgeleid uit getapte telefoongesprekken, waarin verbalisanten onder meer de stem van de verdachte (menen te) herkennen.

Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat (de resultaten van) stemherkenningen in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. Voor een categorische uitsluiting van stemherkenningen van het bewijs ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

Gezien de feilbaarheid van de menselijke waarneming en gegeven de kanttekeningen die mede daarom vanuit de wetenschap bij de betrouwbaarheid van stemherkenningen worden geplaatst, is behoedzaamheid op zijn plaats bij de waardering van de bewijskracht van stemherkenningen. De rechtbank acht bij de beoordeling van de bewijswaarde van de resultaten van de stemherkenning de volgende omstandigheden van belang:

  • -

    Wordt de stemherkenning ondersteund door andere feiten en omstandigheden of bewijsmiddelen?

  • -

    Heeft de stemherkenning op ambtseed/ambtsbelofte plaatsgevonden?

  • -

    Betwist de verdachte de stemherkenning en zo ja, op welke wijze?

  • -

    Is sprake van stemherkenning door een verbalisant die de persoon die hij meent te herkennen ook daadwerkelijk kent?

  • -

    De mate van zekerheid van de stemherkenning;

  • -

    Is er sprake van een stemherkenning door een verbalisant die vanuit zijn opsporingsfunctie de gesprekken uitluistert?

  • -

    Alertheid vanwege het doel van stemherkenning;

  • -

    De hoeveelheid uitgeluisterde gesprekken.

De rechtbank overweegt dat zij, rekening houdend met deze aandachtspunten, geen aanleiding ziet voor twijfel aan de juistheid van de stemherkenningen van de verdachte.

De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] spreken alle twee over een 100% herkenning. Daar komt nog bij dat zij uit hoofde van hun functie zeer bekend zijn met de verdachte. Zij hebben beiden geregeld met hem gesproken en zijn dus bekend met zijn stem.

Bovendien bevindt zich in het dossier steunbewijs dat het nummer [gsm-nummer 2] in gebruik was bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Ten eerste is uit onderzoek naar een aan dit nummer gekoppelde WhatsApp-account gebleken dat op de bijbehorende profielfoto (ook) de verdachte staat. Verbalisanten [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] spreken ook hier over een 100% herkenning. Ook verbalisant [naam verbalisant 4] herkent de verdachte. Ten tweede wordt er tijdens een politiecontrole op 30 mei 2017 bij de verdachte een iPhone in beslag genomen (deze bevond zich in zijn broekzak), waarbij bleek dat het aan de aangetroffen simkaart gekoppelde nummer, het nummer [gsm-nummer 2] is.

Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft de gesprekken uitgeluisterd met de gebruiker van nummer [gsm-nummer 2] , welke dus door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] herkend is als de verdachte. Verbalisant [naam verbalisant 3] relateert dat hij zeer duidelijk onmiskenbaar en met 100 procent zekerheid met grote regelmaat deze stem heeft horen terugkomen als de hoofdgebruiker van de drugsbestellijn. De rechtbank neemt bij de waardering van deze verklaring in aanmerking dat deze verbalisant heeft verklaard dat hij veruit het grootste deel van de opgenomen gesprekken van de drugsbestellijn heeft beluisterd en aldus de gebruikers van de drugsbestellijn goed heeft leren onderscheiden en dus herkennen.

Ook de juistheid van deze herkenning wordt ondersteund door andere feiten en omstandigheden. Zo stralen de privé-telefoon van de verdachte en de drugsbestellijn met grote regelmaat dezelfde, althans zeer nabij gelegen, zendmasten aan, waaronder vaak in de buurt van de woning van de verdachte. Tijdens een gesprek op 17 januari 2017 wordt bovendien een gesprek gevoerd op de drugsbestellijn en wordt op de achtergrond de voornaam van de verdachte genoemd, terwijl de drugsbestellijn op dat moment een zendmast aanstraalt in de directe omgeving van de woning van de verdachte.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte betrokken is geweest bij de drugsbestellijn.

4.3.2.

Vrijspraak feit 1: Uitvoer naar België

Op basis van het dossier is vast stellen dat er op grote schaal gebruikershoeveelheden harddrugs zijn verkocht in Sint Truiden en omgeving. Er zijn echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte deze drugs ook vanuit Nederland naar België heeft vervoerd dan wel laten vervoeren. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat de drugs al in België waren. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

4.3.3.

Bewezenverklaring en pleegperiode feiten 2 en 3

Uit de tapgesprekken blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten zich, in georganiseerd verband, bezig hebben gehouden met de handel in drugs. Uit een tapgesprek in het dossier blijkt echter niet dat de verdachte na 7 februari 2017 de drugsbestellijn nog heeft bemand, of op andere wijze nog betrokken is geweest bij de drugsbestellijn of de daaruit voortvloeiende activiteiten. Gelet hierop zal de rechtbank de pleegperiode beperken tot de periode van 16 januari 2017 tot en met 7 februari 2017.

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij in de periode van 16 januari 2017 tot en met 7 februari 2017 te Rotterdam en Roosendaal en te Sint Truiden, althans

ergens in België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, handels- en gebruikershoeveelheden van material(en) bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in de periode van 16 januari 2017 tot en met 7 februari 2017 te Rotterdam en Roosendaal en te Sint Truiden, althans ergens in België heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) verdachte en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als

bedoeld in artikel 10 vierde lid van de Opiumwet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder B en C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3.

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende drie weken deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op grote schaal heeft bezig gehouden met de handel in harddrugs. Binnen deze organisatie heeft de verdachte op meerdere momenten een leidinggevende, sturende rol gehad. Bovendien heeft de verdachte in het kader van deze rol jongeren als drugsrunners in België ingezet.

De verdachte heeft op die manier bijgedragen aan de instandhouding van de verslaving van een aanzienlijke groep gebruikers. De verdachte is met het plegen van deze feiten voorbijgegaan aan de gevaren die dergelijke verdovende middelen, naar algemene bekendheid, meebrengen voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat voorts gepaard met criminaliteit en dus veel overlast en kosten voor de maatschappij. De verdachte heeft deze gevolgen voor lief genomen en enkel zijn eigen gewin vooropgesteld. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 juli 2017. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit en het gegeven dat dit feit volgens de officier van justitie als zwaartepunt gold voor zijn eis, komt de rechtbank tot de oplegging van een aanzienlijk lagere straf dan zoals door de officier van justitie is gevorderd. Voorts is bij de bepaling van de duur van de straf rekening gehouden met de bewezenverklaring van een beduidend kortere periode van betrokkenheid bij de drugsbestellijn dan ten laste is gelegd.

Met inachtneming van de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. A.A.T. Werner en E.B.J. van Elden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 06 juni 2017 te Rotterdam en/of Roosendaal en/of 's-Gravenhage, althans ergens in Nederland en/of te Sint Truiden, althans ergens in Belgie tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) meermalen, althans eenmaal opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende heroine en/of cocaine, zijnde heroine en/of cocaine en/of MDMA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 6 juni 2017 te Rotterdam en/of Roosendaal en/of 's-Gravenhage, althans ergens in Nederland en/of te Sint Truiden, althans ergens in Belgie tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) meermalen, althans eenmaal opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende heroine en/of cocaine, zijnde heroine en/of cocaine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 06 juni 2017 te Rotterdam en/of Roosendaal en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of te Sint Truiden, althans ergens in Belgie heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) verdachte en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als

bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid van de Opiumwet.