Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2973

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
C/10/542541/ JE RK 18-94
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:2545
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het belang van de minderjarige bij voortzetting van duidelijkheid door middel van een gezagsbeëindiging prevaleert boven het belang van de ouders om met het gezag belast te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/542541 / JE RK 18-94

datum uitspraak: 11 april 2018

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te Rotterdam,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te Dordrecht,

[naam pleegouders] ,

hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 5 januari 2018, ingekomen bij de griffie op 9 januari 2018,

- het verweerschrift van de moeder, ingediend door mr. A.D.K. van Veen, van 27 maart 2018, ingekomen bij de griffie op 27 maart 2018.

Op 28 maart 2018 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- mr. A.D.K. van Veen, namens de moeder,

- mr. J.M.C. van Gorkum, namens de vader,

- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam 1] ,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2] .

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de moeder,

- de vader.


De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 2 september 2010 is de ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] uitgesproken.

Sinds 28 september 2010 is [naam minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

Deze maatregelen duren nog steeds voort.

[naam minderjarige] verblijft – op een kortdurende mislukte doorplaatsing rond haar eerste verjaardag na – sinds haar geboorte in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

De GI heeft zich bij brief van 20 april 2017 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogdes over [naam minderjarige] te benoemen.

De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. [naam minderjarige] is vlak na haar geboorte uit huis geplaatst wegens de instabiele thuissituatie bij de ouders. De ouders hebben hun leven nog steeds niet op orde. Zij geven beiden aan niet voor [naam minderjarige] te kunnen zorgen, maar dat op de langere termijn wel graag te willen. [naam minderjarige] verblijft inmiddels al zeven jaar in het perspectief biedende pleeggezin. Zij heeft recht op zekerheid over haar toekomstperspectief. De aanvaardbare termijn is ruimschoots overschreden. Er is geen perspectief op terugplaatsing bij de ouders. Een gezagsbeëindiging is in het belang van [naam minderjarige] en zal rust brengen, ook voor de ouders. De ouders hebben dan niet steeds verwachtingen bij de jaarlijkse verlengingen van de kinderbeschermingsmaatregelen. De Raad stelt dat het verweer van de moeder is ingegeven door emotie. De moeder denkt dat het beter met haar zou gaan als zij de zorg voor [naam minderjarige] zou dragen. De Raad begrijpt dat een gezagsbeëindiging emotioneel kan zijn, maar de bedoeling van de wetgever is dat een gezagsbeëindiging volgt als er geen perspectief meer is op een terugplaatsing. Er dient gekeken te worden vanuit het belang van [naam minderjarige] , en dat belang prevaleert boven het emotionele belang van de ouders bij voortzetting van hun gezag. Er is geen reden om na de gezagsbeëindiging iets in de omgang tussen [naam minderjarige] en de ouders te veranderen, en ook in de relatie tussen de ouders en de pleegouders zal niets veranderen.

De standpunten

De GI

De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad. De vorige gezinsvoogd is toen hij vertrok niet meer toegekomen aan het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel. De opvolgende gezinsvoogd die nu sinds 2,5 jaar is betrokken, wilde, hoewel duidelijk was dat er geen perspectief meer was op thuisplaatsing, eerst tot samenwerking met de ouders komen voordat bij de Raad het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel zou worden aangevraagd. Het was vervolgens echter lastig om tot een afspraak met de ouders te komen, dat heeft vertragend gewerkt.

In het verweerschrift van de moeder wordt gesteld dat zij meewerkt en de plaatsing van [naam minderjarige] bij de pleegouders accepteert, maar de moeder is wisselend in haar acceptatie en in haar reacties. Zij kan heel boos reageren als er iets in het rapport staat waar zij het niet mee eens is en de aanwezigheid van de gezinsvoogd bij omgangsmomenten gaf dan ook spanning. Om die reden is gekozen voor begeleiding van de bezoeken door de pleegzorgwerker. De pleegzorgwerker haalt de moeder dan op en brengt haar thuis.

De moeder is soms heel blij met het verblijf van [naam minderjarige] bij deze pleegouders. Maar de moeder blijft ook aangeven, en dat blijkt ook uit het raadsrapport, dat zij op een gegeven moment zelf voor [naam minderjarige] wil zorgen. Als antwoord op de vraag van de rechtbank, wat de moeder dan een aanvaardbare termijn voor [naam minderjarige] vindt, geeft de GI aan dat de moeder denkt dat het goed voor [naam minderjarige] is om bij haar te komen wonen op het moment dat het goed met de moeder gaat.

[naam minderjarige] gaat er op dit moment gewoon van uit dat zij bij de pleegouders blijft opgroeien. Dat is de boodschap die zij steeds heeft gekregen. De GI bespreekt de verlengingsverzoeken dan ook nog niet met [naam minderjarige] . [naam minderjarige] is een angstig meisje, en het bespreken van een verlengingsverzoek zou voor onzekerheid zorgen. [naam minderjarige] weet nu dat zij bij de pleegouders mag wonen en als de GI de verlengingsverzoeken met haar bespreekt, krijgt zij een hele andere boodschap. Zij zou dan merken dat elk jaar over de voortzetting van het opgroeien bij de pleegouders beslist moet worden. Vanwege de rust en het ongestoorde hechtingsproces van [naam minderjarige] bij de pleegouders vindt de GI een gezagsbeëindiging noodzakelijk. Maar ook zal de gezagsbeëindiging rust en duidelijkheid geven voor beide ouders.

Verder is het lastig om beide ouders te bereiken op het moment dat er een dringende zaak is. Die dringende situaties doen zich wel voor, want [naam minderjarige] moet door haar astma meerdere malen per jaar naar de eerste hulp. Bij niet dringende zaken belt de GI eerst, en stuurt dan een brief die de ouders alleen hoeven te ondertekenen en terug te sturen. Het is in het belang van [naam minderjarige] dat medische zaken sneller geregeld kunnen worden. Maar de ouders zullen zeker betrokken blijven worden bij bijvoorbeeld zaken als de schoolkeuze.

De advocaat van de moeder

De advocaat van de moeder voert aan dat zij heeft begrepen dat de samenwerking tussen de moeder en de GI goed is, dat de moeder de afspraken nakomt en dat zij de pleegouders aardig vindt. Ook staat de moeder achter de plaatsing van [naam minderjarige] bij de pleegouders. Zij heeft al gedurende vijf verlengingen geen verweer gevoerd en de zaak niet op zitting laten komen. Daarnaast heeft de moeder bij de advocaat aangegeven dat zij [naam minderjarige] één keer in de zes weken bezoekt en dat dat is ingegeven door haar financiën. Zij staat onder bewind en krijgt beperkt leefgeld, waardoor zij niet altijd de middelen heeft om naar [naam minderjarige] af te reizen. Dat de moeder wordt gehaald en gebracht was de advocaat niet bekend. De advocaat heeft met de moeder gesproken over de opmerking in het raadsrapport, dat het beter met de moeder zou gaan als zij voor [naam minderjarige] zou zorgen. De moeder bedoelde echter dat zij het beter moet doen dan de afgelopen periode. De moeder ziet dat [naam minderjarige] op haar plek zit, misbruikt haar gezag niet en geeft toestemming voor wat nodig is. Het verzoek tot gezagsbeëindiging moet daarom worden afgewezen.

De advocaat van de vader

De advocaat van de vader stelt dat de vorige gezinsvoogd het verzoek tot onderzoek bij de Raad heeft besproken met de vader, maar dat hij heeft gezegd het verzoek niet zelf in te zullen dienen. De vader heeft de conclusie van het Haags Ambulatorium geaccepteerd in het belang van [naam minderjarige] . Een gezagsbeëindiging is in zijn opinie niet nodig in het belang van veiligheid, rust en zekerheid. De plaatsing in het pleeggezin staat namelijk niet ter discussie. [naam minderjarige] is niet onzeker over waar haar perspectief ligt. Uit het rapport blijkt niet dat er problemen zijn geweest naar aanleiding van moeizame bereikbaarheid. De vader heeft via whatsapp contact met de pleegouders en kan makkelijk toestemming geven voor bepaalde zaken. Daarnaast komen de vader en de familie vaderszijde [naam minderjarige] bij de pleegouders thuis opzoeken. Ook is er goed contact tussen de ouders onderling. Als het gezag van de ouders wordt beëindigd is het mogelijk dat deze positieve samenwerking onder druk komt te staan. Daarnaast heeft deze zaak veel overeenkomsten met de uitspraak van het Hof Arnhem (ECLI:NL:GHARL:2018:1135) waarin het Hof oordeelt dat de noodzaak tot gezagsbeëindiging ontbreekt. De advocaat van de vader verzoekt daarom het verzoek van de Raad af te wijzen.

De pleegouders

De pleegouders zijn het eens met het verzoek van de Raad. [naam minderjarige] heeft eerst vanaf drie dagen na de geboorte tot en met haar eerste verjaardag bij de pleegouders verbleven. Omdat het een crisisplaatsing betrof, is [naam minderjarige] toen, na een geleidelijke overgang van zes weken, doorgeplaatst naar een perspectief biedend pleeggezin. Hoewel [naam minderjarige] op deze doorplaatsing dus was voorbereid, wilde zij, eenmaal doorgeplaatst, niet eten en drinken in het nieuwe pleeggezin. [naam minderjarige] is daarom heel snel weer teruggeplaatst bij de pleegouders. Zij zat vervolgens tot haar derde jaar letterlijk vastgeplakt aan de pleegmoeder. Vanaf haar derde jaar lukte het om haar langzamerhand naar de peuterspeelzaal te laten gaan, en het naar school gaan lukte een jaar later ook. Haar kwetsbaarheid blijkt wel uit deze geschiedenis.

Zwemles verloopt moeizaam door haar astma. [naam minderjarige] heeft veel medische zorg nodig en staat altijd onder controle van een kinderarts.

[naam minderjarige] heeft contact met de grootmoeder vaderszijde, en de vader belt [naam minderjarige] elke zaterdag. De pleegouders bezochten met [naam minderjarige] de vader in detentie in de afgelopen periode.

Met de grootmoeder moederszijde heeft [naam minderjarige] op dit moment geen contact meer, omdat bezoek van de moeder met de oma m.z. samen, problemen heeft gegeven. Op dit moment zit er geen regelmaat in de bezoeken tussen [naam minderjarige] en de moeder. Gemiddeld gaan de bezoeken met de moeder één keer per drie maanden door. Voor de pleegouders lijkt het alsof de moeder last heeft van de spanning van deze zitting. De moeder kon de belcontacten en het bezoek met [naam minderjarige] de afgelopen week niet nakomen. [naam minderjarige] heeft er last van als de afspraken met de moeder niet doorgaan. Om teleurstelling bij [naam minderjarige] te voorkomen als een afspraak met de moeder niet doorgaat, probeert de pleegmoeder zo laat mogelijk aan [naam minderjarige] mede te delen dat de moeder op bezoek komt. De pleegouders hopen dat de moeder minder spanning zal ervaren voor de bezoeken als het gezag zal zijn beëindigd.

De band met de ouders verandert door een gezagsbeëindiging niet volgens hun ervaring met twee andere pleegkinderen.

De pleegouders zijn blij met het regelmatige whatsapp-contact met de vader, maar vragen zich af hoe de vader steeds in staat is te whatsappen als hij gedetineerd is.

De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [naam minderjarige] zeer kort na de geboorte uit huis is geplaatst vanwege de instabiele thuissituatie bij de ouders. Bij de ouders is sprake van persoonlijke problematiek. De vader is meerdere malen gedetineerd geweest en in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast is hij niet open over zijn drugsgebruik, zijn justitieverleden en zijn huidige forensisch-psychiatrische behandeling. Bij de moeder is sprake van een patroon van onmacht om passende hulp structureel te aanvaarden en hiervan te profiteren.

[naam minderjarige] laat in het huidige pleeggezin – waar zij op een kortdurende mislukte doorplaatsing rond haar eerste verjaardag na, sinds haar geboorte verblijft – een positieve ontwikkeling zien. Uit het onderzoek van het Haags Ambulatorium in 2014 blijkt dat [naam minderjarige] zich binnen het pleeggezin heeft gesetteld en een duidelijke hechtingsrelatie heeft met de pleegouders. Het wordt daarom niet in het belang van [naam minderjarige] geacht haar weg te halen uit het pleeggezin. Er is nooit actief gewerkt aan een thuisplaatsing, omdat de persoonlijke situatie van de ouders dit niet toeliet.

De rechtbank is van oordeel dat [naam minderjarige] én de ouders duidelijkheid dienen te krijgen over [naam minderjarige] ’s toekomstperspectief. De duidelijkheid die [naam minderjarige] tot dusver wordt geboden is in feite een schijnduidelijkheid, nu [naam minderjarige] zich er nog niet van bewust is dat ieder jaar over de verlenging wordt beslist. Voor [naam minderjarige] zal het werkelijke veiligheid, duidelijkheid en rust geven wanneer zij weet dat zij bij de pleegouders mag en kan blijven wonen, doordat zij nooit geconfronteerd zal worden met een jaarlijks verlengingsverzoek. Dat kan alleen worden bewerkstelligd door een gezagsbeëindiging. Zonder gezagsbeëindiging zal [naam minderjarige] , naarmate zij ouder wordt, steeds meer betrokken gaan worden bij de verlengingsverzoeken, en zich ook steeds bewuster worden van wat die verzoeken met de ouders doen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de kwetsbaarheid waar [naam minderjarige] rond haar eerste verjaardag al blijk van heeft gegeven, en dat zij ook nu nog een wat angstig meisje is. Het belang van [naam minderjarige] bij voortzetting van duidelijkheid en een ongestoorde hechtingsrelatie met de pleegouders prevaleert boven het belang van de ouders om met het gezag belast te blijven.

De rechtbank heeft er hierbij ook op gelet dat voor beide ouders geldt dat zij over het algemeen meewerken aan toestemmingsverklaringen, maar dat zij soms moeizaam bereikbaar zijn. Het is echter van belang, met name in nood, dat er snel beslissingen worden genomen. Ook daarom is een gezagsbeëindiging passend.

Wat de situatie van de moeder betreft valt het de rechtbank op dat de moeder beseft dat ze [naam minderjarige] ermee zou belasten als zij tegenover [naam minderjarige] zou uitspreken dat zij de hoop heeft ooit voor [naam minderjarige] te kunnen zorgen. Dat de moeder dit beseft en daar naar handelt valt te prijzen, maar zolang de moeder die hoop koestert lijkt de moeder ook gebukt te gaan onder de spanning die dat oproept. En die spanning lijkt weer negatief en in het nadeel van [naam minderjarige] uit te werken op de mogelijkheden van de moeder om de bezoekafspraken structureel na te komen.

Gelet op al het vorenstaande is de aanvaardbare termijn voor een thuisplaatsing in casu al zeer ruimschoots verstreken. Er is geen perspectief op thuisplaatsing. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan. En niet alleen is aan dit criterium voldaan, ook blijkt uit al het vorenstaande dat er in casu geen aanknopingspunt is tot het oordeel te kunnen komen dat in deze specifieke situatie gezagsbeëindiging niet gerechtvaardigd zou zijn. Integendeel ziet de rechtbank juist de noodzaak om het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toe te wijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [naam minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De voogdij kan het beste worden belegd bij de GI, zodat een neutrale instelling de beslissingen kan nemen. Daarbij is het van belang dat er aandacht is voor de contactmomenten tussen [naam minderjarige] en de ouders. Ook de pleegouders hebben aangegeven dat zij het prettiger vinden als de GI met de voogdij wordt belast. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, van het BW worden de ouders van wie het gezag is beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat de ouders het bewind voerden over het vermogen van de minderjarige.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder] , en [naam vader] , geboren op [geboortedatum vader] te [geboorteplaats vader] ( [geboorteland vader] ) over [naam minderjarige] ;

benoemt tot voogdes over [naam minderjarige] de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Dordrecht;

veroordeelt de ouders aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [naam minderjarige] te doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Geus, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.R. van Staveren als griffier en in het openbaar uitgesproken op

11 april 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.