Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2913

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
C/10/529267 / HA ZA 17-592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg franchiseovereenkomst. Geen hoofdelijke aansprakelijkheid van franchisenemer in privé. Artikel 1:88 lid 1 sub c BW mist toepassing op grond van het bepaalde in lid 5 van dat artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/529267 / HA ZA 17-592

Vonnis van 28 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLIMSOLL MANAGEMENT CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.J. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SEMATH MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Alblasserdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. A.Th. de Haan te Alblasserdam,

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Plimsoll respectievelijk als Semath B.V. en [gedaagde sub 2] dan wel als Semath c.s. voor hen gezamenlijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 mei 2017, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met productie,

  • -

    de brieven van deze rechtbank van 6 september en 27 september 2017 waarbij een comparitie respectievelijk agenda voor comparitie is bepaald,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie gehouden 6 december 2017, met daaraan gevoegd de comparitieaantekening van beide advocaten voornoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Plimsoll houdt zich bezig met ‘Executive Search’ ten behoeve van de internationale logistieke en maritieme sector. Plimsoll heeft hiervoor in 2011 een eigen systematiek ontwikkeld die zich kenmerkt door: het gebruik van de handelsnaam Plimsoll Management Consultancy; het gebruik van huisstijl, website en diverse software applicaties, inclusief content, bestaande uit bestand van ondernemingen en personen; aard dienstverlening (‘retained executive research’) en de daarbij behorende processen en voorwaarden; de doelgroep en het opdrachtniveau.

2.2.

Enig aandeelhouder/bestuurder van Plimsoll is de heer [persoon ] .

2.3.

Semath B.V. is opgericht op 27 februari 2003. Semath B.V. houdt zich bezig met advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering. Zij richt zich daarbij met name op de sectoren wegtransport, offshore, scheepsnieuwbouw en –reparaties en maritieme toeleveranciers.

2.4.

[gedaagde sub 2] is enig aandeelhouden/bestuurder/directeur van Semath B.V.

2.5.

Op 1 maart 2012 sluiten partijen een franchise overeenkomst (hierna: de overeenkomst). Daarin is – voor zover relevant – het navolgende bepaald:

“ Ondergetekenden

I. Plimsoll management consultancy bv (…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [persoon ] , verder te noemen Franchise Gever (FG),

en

II. De heer [gedaagde sub 2] (…), handelend in privé, dan wel via de besloten vennootschap Semath management bv (…), gezamenlijk verder te noemen Franchise Nemer (FN)

(…)

Artikel 3 Financiele vergoedingen

3.1

FN betaalt bij de ondertekening van deze overeenkomst aan FG een entreegeld van € 10.000, hetgeen FG verklaart te hebben ontvangen, onder meer ter compensatie van de kosten verbonden aan het onder artikel 1sub. 1.1-1.7 genoemde (zie tevens Bijlage V —Aanpassingen)

3.2

FN verbindt zich maandelijks een bedrag van € 1.500 te betalen, betaalbaar uiterlijk op de laatste werkdag van de betreffende maand als periodieke basisvergoeding voor de verstrekking van de in artikel 1sub. 1.8-1.16 genoemde diensten aan EG over die periode. (zie tevens Bijlage V —Aanpassingen)

3.3

FG en FN verbinden zich de volgende resultaatafhankelijke royalties te betalen als percentage van het door de klant aan FG of FN betaalde honorarium, na aftrek van kosten derden:

a. Getekende opdracht van klant aan FG, doorgegeven aan FN : 25% door FN aan EG

b. Lead van FG aan FN leidend tot opdracht : 5% door FN aan FG

c. Getekende opdracht van klant aan FN, doorgegeven aan FG : 25% door FG aan FN

d. Getekende opdracht van klant aan FN, doorgegeven aan collega FN : 25% door FN aan FN

e. Getekende opdracht van klant aan FN, uitgevoerd door FN : 5% door FN aan FG

(strekt in mindering op de som van de periodieke basisvergoedingen in het lopende boekjaar tot

50% van het jaarlijks totaal van die vergoedingen als bedoeld onder sub 3.2)

f. Kandidaat geplaatst door FN vanuit database : 5% door FN aan FG

g. Kandidaat van FN in database, geplaatst door FG of collega FN : 5% door FG

h. Voor grensoverschrijdende opdrachten (al dan niet via Experts for Experts partners) kunnen

afwijkende voorwaarden cq honorarium verdelingen gelden, ad hoc tevoren overeen te komen.

(…)

Artikel 8 Duur, beeindiging cq ontbinding van de franchise

8.1

De franchiseovereenkomst wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11, gesloten voor een periode van vijf jaren met een optie aan de zijde van FN voor een daarop volgende verlenging met vijf jaren. (zie tevens Bijlage V — Aanpassingen)

8.2

Indien FN van deze optie gebruik wil maken, dient hij zulks uiterlijk één jaar vóór het verstrijken van de eerste periode per aangetekende brief aan FG mede te delen.

8.3

FN kan zich uiterlijk één jaar vóór het einde van de tweede periode tot EG wenden met het verzoek de franchiseovereenkomst na afloop van de tweede periode nogmaals met een nader overeen te komen periode te verlengen. Indien partijen hieromtrent niet overeenstemming bereiken binnen twee maanden na ontvangst van dit verzoek, eindigt de franchiseovereenkomst na afloop van de tweede periode.

8.4

Bij het einde van de franchiseovereenkomst rusten op beide partijen de verplichtingen, als nader omschreven in artikel 12.

Artikel 9 Exclusiviteit, non-concurrentie en overdracht van de franchise

9.1

Het is FN niet toegestaan om zijn onderneming te verhuren, te verpachten of in te brengen ineen andere rechtsvorm zonder toestemming van FG. Dit verbod geldt niet voor inbreng in enige huwelijksgemeenschap.

(…)

9.9

De franchiseovereenkomst eindigt bij overlijden van FN. Indien bij scheiding en deling van de nalatenschap de onderneming wordt toebedeeld aan een derde eindigt de franchise overeenkomst. Het in dit lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing bij scheiding en deling van enige andere gemeenschap.

Artikel 10 Licentierecht

10.1

FG verleent FN een licentie op het gebruik van de handelsnaam PlimsolI Management Consultancy.

10.2

FN is verplicht uitsluitend deze handelsnaam te voeren en mag deze niet in verbinding brengen met zijn eigen naam.

(…)

Artikel 11 Voortijdige beeindiging

11.1

Zowel FG als FN zijn bevoegd de franchiseovereenkomst bij aangetekende brief met een opzegtermijn van zes maanden op te zeggen indien de omzet van de onderneming van FN in het eerste boekjaar eindigend 31-12-2012 minder bedraagt dan € 80.000 en in één van de volgen de jaren minder dan € 120.000.

(…)

11.3

Indien één van beide partijen zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst niet, niet tijdig of niet behoorlijk naleeft, verbeurt hij ten gunste van de wederpartij een dadelijk opeisbare boete van € 1.500 voor iedere overtreding of voor iedere dag, dat de overtreding voortduurt.

Geschillen hieromtrent zullen worden opgelost op de wijze als in artikel 14 omschreven.

11.4

Ieder der partijen is bevoegd om, indien de wederpartij op ernstige wijze deze overeenkomst overtreedt, naar keuze hetzij een boete te vorderen overeenkomstig het in het vorige lid bepaalde, hetzij per aangetekende brief aan de wederpartij aan te zeggen, dat hij de overeenkomst met een opzegtermijn van drie maanden als ontbonden beschouwt. Het in de vorige volzin bepaalde is eveneens van toepassing indien een partij moet constateren dat door een ernstige overtreding van de wederpartij de in het eerste lid bedoelde omzet niet wordt bereikt.

(…)

Artikel 12 Verplichtingen na beëindiging

12.1

Bij het einde van de franchiseovereenkomst, om welke reden ook, is EN verplicht het gebruik van de handelsnaam, de merken, modellen en andere elementen van de franchiseformule onmiddellijk te beëindigen. Indien FN artikelen van FG in bewaring of in consignatie heeft, is hij verplicht deze voor zijn rekening bij FG of bij een ander, door FG binnen Nederland op te geven, adres terug te bezorgen.

(…)

12.8

Indien FN in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in dit artikel mocht handelen zal hij aan FG, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, een boetesom verbeuren ten bedrage van de laatst geldende maandelijkse vergoeding conform Artikel 3. voor iedere overtreding en voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van FG om in plaats van de boete volledig schadevergoeding te vorderen.

(…)

Slotbepaling

Aldus in tweevoud opgemaakt en getekend te Rotterdam op 1 maart 2012,

Franchisegever Franchisenemer

Plimsoll Management Consultancy bv [gedaagde sub 2] en Semath Management bv

______________________________ ________________________________

[persoon ] [gedaagde sub 2]

(bijlagen)

2.6.

Bij aangetekend schrijven van 24 juni 2014 schrijft [persoon ] namens Plimsoll zowel [gedaagde sub 2] als de directie van Semath B.V. aan ter zake van de uitstaande declaraties en sommeert deze te voldoen als volgt: de declaraties tot en met december 2013 zijnde € 25.054,28 (incl. BTW) op uiterlijk 30 juni 2014 en de declaraties tot en met 21406735 voor een bedrag van € 13.915, - (incl. BTW) uiterlijk 30 juli 2014.

2.7.

Partijen voeren naar aanleiding hiervan diverse gesprekken.

2.8.

Bij schrijven van 8 september 2014 aan zowel [gedaagde sub 2] als de directie van Semath B.V. bevestigt [persoon ] namens Plimsoll de daarbij gemaakte afspraken, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

  • -

    In afwijking van het gestelde in de franchise overeenkomst artikel 8 en 11 kwamen wij overeen de franchise overeenkomst per 1 september 2014 zonder verdere opzegtermijn te beëindigen.

  • -

    In afwijking van mijn schrijven van 15 augustus 2014 kwamen wij overeen dat u de openstaande vorderingen per 31 augustus 2014 van in totaal € 42.599,28 volgens bijgaande specificatie erkent.

  • -

    U zegt toe deze vorderingen per uiterlijk 31 oktober 2014 te zullen voldoen, naar verwachting in zijn geheel, doch in iedere geval grotendeels, waarbij wij een schema voor verdere afbetaling overeenkomen, leidend tot afronding van uw schuldpositie uiterlijk ultimo 2014.

(…)”

2.9.

Bij e-mail van 3 oktober 2014 schrijft [gedaagde sub 2] onder meer het volgende aan [persoon ] :

“(…)

Dit betekent dat ik verwacht niet per 31 oktober 2014 de openstaande facturen te kunnen voldoen zoals eerder in onderstaande e-mail aangegeven. (…)

Ik verwacht derhalve per 1 december 2014 een eerste aanbetaling te kunnen voldoen van € 25.054,28 en stel hierbij voor om het restant in 3 termijnen te voldoen, te weten 1 januari 2015, 1 februari 2015 en de laatste termijn per 1 maart 2015 van ieder circa € 6.000,00. Mocht het contract per 1 november 2014 starten dan worden alle betalingen 1 maand eerder uitgevoerd.

Ik verneem graag van je of je hiermee akkoord wil gaan.

(…)”

2.10.

Bij e-mail van diezelfde datum verklaart [persoon ] zich akkoord.

2.11.

Bij e-mail van 13 juli 2015 bericht [persoon ] aan [gedaagde sub 2] het wachten beu te zijn nu hij slechts driemaal € 2.500, - betaald heeft gekregen en verzoekt om betaling van een substantieel bedrag waarop [gedaagde sub 2] bij e-mail van diezelfde datum antwoordt midden augustus weer € 2.500 over te maken en in oktober en december weer eenzelfde bedrag alsmede dat veel verder zijn horizon niet rijkt.

2.12.

Bij e-mail van 3 augustus 2015 bericht [persoon ] aan [gedaagde sub 2] dat een kwartaalbetaling van € 2.500 niet lijkt op de eerdere afspraken en zegt hij aan in ieder geval met ingang van 1 juli 2015 de wettelijke rente te gaan berekenen.

2.13.

[gedaagde sub 2] heeft in 2015 nog een bedrag van € 2.500, - betaald. In 2016 en 2017 zijn geen betalingen gedaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Plimsoll vordert samengevat - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Semath B.V. en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan Plimsoll tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen het bedrag aan hoofdsom van € 31.140,45, alsmede een bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 1.084,30, te vermeerderen met de wettelijke rente, zulks onder meer ingevolge het bepaalde in artikel 6:119a juncto artikel 6:120 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van Semath B.V. respectievelijk [gedaagde sub 2] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Semath c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Semath c.s. vorderen in voorwaardelijke reconventie – voor het geval de rechtbank zal oordelen dat indien er in de zin van artikel 1:88 BW sprake zou zijn van een borgstelling of hoofdelijk medeschuldenaarschap, zich sterk maken voor een derde, of zich tot zekerheidstelling van een schuld van de derde verbinden of anderszins – voor recht te verklaren dat deze rechtshandeling terecht en op goede gronden is vernietigd door zijn echtgenote op grond van artikel 1:89 BW,

met veroordeling van Plimsoll in de kosten van deze procedure, te betalen binnen veertien dagen na datum vonnis, bij gebreke waarvan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze proceskosten verschuldigd zal zijn.

3.5.

Plimsoll voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Semath c.s. hebben niet betwist dat Plimsoll uit hoofde van de overeenkomst recht heeft op betaling van een nog openstaand bedrag aan hoofdsom van € 27.599,28. Hetzelfde geldt voor de gevorderde reeds verschenen en nog te verschijnen wettelijke handelsrente.

Ter beoordeling ligt uitsluitend voor de vraag of [gedaagde sub 2] naast Semath B.V. voor betaling van deze bedragen (hoofdelijk) aansprakelijk kan worden gehouden.

4.2.

Plimsoll legt aan haar vordering ten grondslag dat nu [gedaagde sub 2] de overeenkomst tevens in privé heeft gesloten, hetgeen blijkt uit de aanduiding van partijen in de aanhef van de overeenkomst, de gezamenlijke aanduiding van hen als Franchisenemer (FN) alsmede uit de (gezamenlijke) ondertekening van de overeenkomst, hij – naast Semath B.V. – hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schuld.

4.3.

Het primaire en meest verstrekkende verweer van Semath c.s. is dat de betalingsverplichtingen uit de overeenkomst [gedaagde sub 2] in privé niet aangaan. De facturen zijn steeds uitsluitend aan Semath B.V. gericht en zijn ook steeds door Semath B.V. betaald. [gedaagde sub 2] heeft in de overeenkomst mede in privé gesloten en ondertekend uitsluitend vanwege de specifieke bepalingen die hem wel tevens in persoon aangaan, zoals het concurrentiebeding en het verbod tot handelsnaamgebruik en dergelijke. [gedaagde sub 2] is daarom niets aan Plimsoll verschuldigd. Voor zover al sprake zou zijn van enige gehoudenheid tot betaling van [gedaagde sub 2] , zijn Semath B.V. en [gedaagde sub 2] - gelet op artikel 6:6 lid 1 BW - ieder voor een gelijk deel verbonden, derhalve voor slechts 50%. Semath c.s. beroepen zich ten slotte – voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat sprake is van hoofdelijk medeschuldenaarschap op artikel 1:88 BW, daartoe stellende dat alsdan toestemming van de echtgenote was vereist voor het aangaan van de overeenkomst, die ontbreekt, zodat de echtgenote van [gedaagde sub 2] bij brief van 19 juni 2017 rechtsgeldig is vernietigd, ter zake waarvan Semath c.s. een (voorwaardelijke) vordering in reconventie hebben ingesteld.

4.4.

Dat aan de zijde van Semath c.s. sprake is van een pluraliteit van schuldenaren is niet in geschil. Hoofdregel alsdan is krachtens het bepaalde in artikel 6:6 lid 1 BW dat ieder voor gelijke delen is verbonden, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaren voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. De bewijslast dat de een of de andere uitzondering zich voordoet berust bij degenen die zich daarop beroept. Van bijzondere regels op grond van de wet of gewoonte is in het onderhavige geval geen sprake, zodat het aankomt op de uitleg van de overeenkomst. Zoals uit de hiervoor weergegeven stellingen van partijen blijkt, stelt Plimsoll zich op het standpunt dat uit de overeenkomst voortvloeit dat de uitzondering van hoofdelijke aansprakelijkheid zich voordoet, terwijl het primaire standpunt van Semath c.s. neerkomt op de stelling dat de overeenkomst juist duidt op de eerstgenoemde uitzondering.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat voor geen van de door ieder der partijen primair verdedigde uitleg voldoende aanknopingspunten zijn te vinden in de overeenkomst. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.5.1.

Voorop staat dat de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Beslissend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle bijzondere omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen ervan. Daarbij kunnen onder andere van belang zijn de aard en de wijze van totstandkoming van de overeenkomst (de Haviltex-maatstaf; vgl. onder meer HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx)).

4.5.2.

In de aanhef van de overeenkomst (zie onder 2.4.), bij de nadere duiding van partijen, wordt aan de zijde van Semath c.s. gesproken over [gedaagde sub 2] “handelend in privé dan wel via de besloten vennootschap Semath management B.V., gezamenlijk verder te noemen Franchise Nemer (FN)”. De rechtbank kan Plimsoll niet volgen in haar redenering dat uit dit “of” “of” volgt dat ofwel de een ofwel de andere aansprakelijk is voor het geheel zoals door Plimsoll is gesteld. Naar de taalkundige betekenis bezien duidt : “dan wel” er op dat [gedaagde sub 2] ofwel in de ene hoedanigheid (als privé) zal handelen ofwel in de andere hoedanigheid (als B.V.), hetgeen eerder lijkt te duiden op de door Semath c.s. bepleite uitzondering. In de afzonderlijke bepalingen van de overeenkomst is daar echter geen gevolg aan gegeven: zonder uitzondering wordt daarin steeds gesproken FN, wat blijkens diezelfde aanhef van de overeenkomst na de komma nu juist staat voor [gedaagde sub 2] in privé en Semath B.V. gezamenlijk, waarop ook de ondertekening duidt, waarin immers het voegwoord “en” is gebruikt. Aan de letterlijke tekst in de omschrijving der partijen is derhalve geen eenduidige betekenis te ontlenen. Uit hetgeen partijen over en weer nog ter zitting hebben verklaard is duidelijk geworden dat [persoon ] en [gedaagde sub 2] de gesprekken over het aangaan van de franchise-overeenkomst steeds met z’n tweeën hebben gevoerd. Partijen zijn het erover eens dat bij de onderhavige werkzaamheden de uitvoering door de persoon (gelet op kennis en kunde) van belang is, anders gezegd dat het gaat om een ‘persoonsgebonden business’. Naar [gedaagde sub 2] heeft verklaard - maar door [persoon ] is weersproken - wilde [gedaagde sub 2] in eerste instantie echter niet dat ook zijn naam als privé persoon in de overeenkomst werd opgenomen; de B.V. was verantwoordelijk voor de financiën. [persoon ] heeft aangegeven dat dit laatste hem wel duidelijk was en dat daarom is besloten beide namen in de overeenkomst op te nemen, maar dat dat niet afdoet aan het feit dat het in de eerste plaats om [gedaagde sub 2] ging en dat zonder [gedaagde sub 2] in persoon de overeenkomst nooit zou zijn gesloten. Voorts heeft [persoon ] verklaard daarbij ook te hebben aangegeven dat [gedaagde sub 2] franchisenemer bleef. Dit laatste is op zichzelf niet door [gedaagde sub 2] betwist, zij het dat volgens [gedaagde sub 2] [persoon ] met name zijn naam in de overeenkomst wilde in verband met het risico dat [gedaagde sub 2] in persoon er met de franchise formule vandoor zou kunnen gaan. [persoon ] heeft op zijn beurt weersproken dat dit laatste ook aan de orde is geweest. Wat er zij van de precieze inhoud van de gevoerde gesprekken bij het aangaan van de overeenkomst, zoveel is duidelijk, er is in ieder geval over de persoonsgebondenheid bij dit soort overeenkomsten en de financiën gesproken. Gelet hierop, alsmede gelet op het professionele niveau van beide partijen, had het op de weg van [gedaagde sub 2] gelegen om, indien hij op geen enkele wijze financieel verantwoordelijk wenste te zijn, bij de financiële bepaling een uitzondering op de gezamenlijke partijaanduiding te vragen. Dit geldt te meer nu het bij betaling van een geldsom gaat om een deelbare verbintenis. Anderzijds had het evenzo op de weg gelegen van Plimsoll om, gelet op de gevoerde discussie, in de overeenkomst expliciet hoofdelijke (financiële) aansprakelijkheid op te nemen, indien gewenst. Dit geldt te meer nu hoofdelijkheid een uitzondering op de regel vormt en vergaande consequenties heeft en Plimsoll werd bijgestaan door een jurist.

Een en ander in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat Semath c.s. niet gevolgd kan worden in het betoog dat uit de overeenkomst voortvloeit dat de financiële verplichtingen [gedaagde sub 2] in privé in het geheel niet aangaan. Er is evenmin voldoende steun te vinden voor de stelling van Plimsoll dat uit de overeenkomst blijkt van hoofdelijke aansprakelijkheid.

4.6.

Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 6:6 lid 1 BW zich in het onderhavige geval voordoet, zodat in rechte van de hoofdregel dient te worden uitgegaan. Dit maakt dat ieder der partijen aan de zijde van Semath c.s. bij helfte voor het geheel aansprakelijk kan worden gehouden.

4.7.

Nu zoals hiervoor is geoordeeld dat de financiële verplichtingen [gedaagde sub 2] in privé wel degelijk aangaan, is geen sprake van een borgtocht als bedoeld in artikel 7:850 BW. Van hoofdelijk medeschuldenaarschap is evenmin sprake. Een situatie als bedoeld in artikel 1:88 BW doet zich dan ook niet voor, zodat het nog gedane beroep van Semath c.s. op artikel 7:858 BW en de artikelen 1:88 lid 1 sub c en 1:89 BW reeds hierom faalt. Nog afgezien daarvan mist artikel 1:88 lid 1 sub c BW toepassing op grond van het bepaalde in lid 5. [gedaagde sub 2] is enig bestuurder/aandeelhouder en het aangaan van een franchise-overeenkomst als de onderhavige valt onder ‘de normale uitoefening van het bedrijf’ als bedoeld in dit artikel. De toestemming van de vrouw was dan ook niet nodig.

4.8.

De slotsom is dat de vordering van Plimsoll jegens [gedaagde sub 2] en Semath B.V. tot betaling van de hoofdsom en rente slechts tegen ieder afzonderlijk toewijsbaar is voor een bedrag van 50% van € 31.140,45.

4.9.

Plimsoll maakt voorts nog aanspraak op buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.084,30 voor de werkzaamheden verricht door de raadsman tot het moment van redigeren van de dagvaarding. Plimsoll heeft echter – ook na betwisting door Semath c.s. – niet nader onderbouwd dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot betaling van deze kosten zal daarom worden afgewezen.

4.10.

Semath B.V. en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Plimsoll worden begroot op:

- dagvaarding € 86,99

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.168,99

in reconventie

4.11.

Omdat in conventie is geoordeeld dat geen sprake is van hoofdelijk medeschuldenaarschap van [gedaagde sub 2] , een particuliere borgtocht of het anderszins zich verbinden voor een schuld van een derde door [gedaagde sub 2] als bedoeld in artikel 1:88 BW is niet aan de voorwaarden waaronder de vordering in reconventie is ingesteld voldaan, zodat deze geen behandeling behoeft en zal worden afgewezen.

4.12.

Semath B.V. en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Plimsoll worden begroot op

€ 579,00 aan kosten advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Semath B.V. en [gedaagde sub 2] ieder voor zich om aan Plimsoll, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van 50 % van € 31.140,45, te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge het bepaalde in artikel 6:119a juncto artikel 6:120 BW met ingang van 29 mei 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Semath B.V. en [gedaagde sub 2] ieder bij helfte in de proceskosten, aan de zijde van Plimsoll tot op heden begroot op € 3.168,99,

in reconventie

5.3.

wijst af de vordering in reconventie,

5.4.

veroordeelt Semath B.V. en [gedaagde sub 2] ieder bij helfte in de proceskosten, aan de zijde van Plimsoll tot op heden begroot op € 579,00 aan kosten advocaat,

in conventie en in reconventie voorts

5.5.

verklaart dit vonnis voor zover het betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.1

1515/2872

1 type: coll: