Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2833

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
10/750036-17 vonnis ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming in mensenhandel; jeugd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/750036-17

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Tegenspraak

VONNIS (ontneming) (mk)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,

raadsman mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2018.

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 1 februari 2018 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten.

Van dat vonnis is een kopie als bijlage A aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. M. Blom, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel en na wijziging ter terechtzitting tot een maximum van € 76.759,--.

Het bedrag van de ontnemingsvordering was eerder voorlopig geschat op € 84.245,--, doch is naar aanleiding van de verklaring van slachtoffer [naam slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris door de officier van justitie herberekend, zoals ter terechtzitting van 18 januari 2018 uiteengezet in het schriftelijk requisitoir.

De officier van justitie is uitgegaan van inkomsten van de veroordeelde uit de verdiensten van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] ter hoogte van € 43.990,-- (332 klanten in de bewezen verklaarde periode x een gemiddelde prijs per klant van € 132,50).

De kosten heeft de officier van justitie beraamd op € 60,-- per dag x 145 dagen, waarin [naam slachtoffer 1] werkzaam was. In totaal bedragen de kosten € 8.700,--.

De verdiensten ter hoogte van € 43.990,-- verminderd met de kosten ter hoogte van € 8.700,-- resulteren in inkomsten ter hoogte van € 35.290,--. Aangezien de verdiensten werden verdeeld tussen de veroordeelde, de mededader [naam medeverdachte] en [naam slachtoffer 1] , verdiende de veroordeelde aan [naam slachtoffer 1] een derde van dit totaalbedrag, dat wil zeggen € 11.763,--, nog te vermeerderen met € 2.000,-- aan spaargeld van [naam slachtoffer 1] dat de veroordeelde voor haar bewaarde en nooit heeft teruggegeven. Het totaalbedrag aan door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is volgens de officier van justitie € 13.763,--.

De officier van justitie is voorts uitgegaan van inkomsten van de veroordeelde uit de verdiensten van het slachtoffer [naam slachtoffer 2] in de periode waarin [naam slachtoffer 2] voor zowel de veroordeelde als de mededader heeft gewerkt en heeft deze beraamd op € 43.200,-- (8 weken x 45 klanten per week x een gemiddelde prijs per klant van € 120,--).

De kosten heeft de officier van justitie beraamd op (€ 60,-- per dag x 56 dagen =) € 3.360,--.

De verdiensten ter hoogte van € 43.200,-- verminderd met de kosten ter hoogte van € 3.360,-- resulteren in inkomsten ter hoogte van € 39.840,--. Aangezien de verdiensten werden verdeeld tussen de veroordeelde, de mededader [naam medeverdachte] en [naam slachtoffer 2] , verdiende de veroordeelde aan [naam slachtoffer 2] een derde van dit bedrag, dat wil zeggen € 13.280,--.

In de periode waarin [naam slachtoffer 2] alleen voor de veroordeelde werkzaam is geweest, is de officier van justitie uitgegaan van inkomsten ter hoogte van € 106.380,-- (19,7 weken x 45 klanten per week x een gemiddelde prijs per klant van € 120,--).

De kosten zijn beraamd op (€ 60,-- per dag x 138 dagen =) € 8.280,--. De verdiensten ter hoogte van € 106.380,-- verminderd met de kosten ter hoogte van € 8.280,-- resulteren in inkomsten ter hoogte van € 98.100,--. Dit bedrag werd verdeeld tussen de veroordeelde en [naam slachtoffer 2] , wat resulteert in inkomsten voor de veroordeelde ter hoogte van € 49.050,--.

Daarnaast heeft de officier van justitie de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het bedrag dat de veroordeelde heeft verkregen van de afpersing van het slachtoffer [naam slachtoffer 3] (ten laste gelegd onder feit 5 in het vonnis van 1 februari 2018), te weten een bedrag van € 666,-- (1/3e deel van de opbrengsten van de mobiele telefoons ter hoogte van € 2.000,--).

De officier van justitie vordert in totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel

(€ 13.763,-- + € 13.280,-- + € 49.050,-- + € 666,-- =) € 76.759,--.

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

VERWEREN

De raadsman heeft, in zijn pleitnota uitgebreid en hier verkort weergegeven, afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat, indien de rechtbank de veroordeelde integraal vrij spreekt van de hem in de strafzaak ten laste gelegde feiten, dit dient te leiden tot afwijzing van de ontnemingsvordering.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen nauwkeurige berekening gedaan kan worden omdat niet bekend is welke handelingen werden verricht tegen welke prijs en er onduidelijkheid bestaat als het gaat om het aantal klanten per dag en het aantal dagen dat er gewerkt is. De raadsman heeft voorts tot matiging van de betalingsverplichting betoogd.

STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Blijkens het vonnis van 1 februari 2018 is de veroordeelde veroordeeld voor zover hier van belang ter zake van:

1

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º, 5º en 8º omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 2º, 5º en 8º omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

2

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º, 5º en 8º omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 2º, 5º en 8º omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen.

Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op

€ 61.231,67.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn in de aan dit vonnis gehechte bijlage B opgenomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen.

De rechtbank is voor de berekening van het geschatte voordeel uitgegaan van de inhoud van het ontnemingsdossier, nu dit is gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

De rechtbank gaat daarbij, nu niet meer exact is vast te stellen wanneer welke seksuele handelingen werden verricht en welke bedragen daarvoor zijn betaald, uit van de volgende uitgangspunten bij het begroten van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Slachtoffer [naam slachtoffer 1]

Uit het ontnemingsdossier (pagina 117) leidt de rechtbank af dat [naam slachtoffer 1] in de bewezen verklaarde periode 332 klanten heeft gehad. De rechtbank begroot de gemiddelde prijs voor de verrichte prostitutiewerkzaamheden op een bedrag van € 100,-- per klant, gelet op de verklaringen van de slachtoffers over de verrichte seksuele handelingen en de verschillende genoemde tarieven in dit dossier.

Uit het ontnemingsdossier leidt de rechtbank voorts af dat [naam slachtoffer 1] in totaal 145 dagen prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Voorts gaat de rechtbank uit van de herberekening van de gemaakte kosten, zoals de officier van justitie bij requisitoir heeft beraamd op € 60,-- per dag, naar aanleiding van de verklaring van [naam slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 16 januari 2018, waarin zij heeft verklaard dat van de totale verdiensten eerst de kosten werden afgetrokken voordat een verdeling plaatsvond. De rechtbank begroot de gemaakte kosten gelet daarop op (€ 60,-- x 145 dagen =) € 8.700,--.

Gelet op het voorgaande bedragen de uit de prostitutiewerkzaamheden genoten opbrengsten van [naam slachtoffer 1] (332 klanten x € 100,-- =) € 33.200,-- minus € 8.700,-- aan kosten, ofwel € 24.500,--. Van dit bedrag heeft [naam slachtoffer 1] 1/3e deel aan de veroordeelde moeten afstaan, te weten € 8.166,67.

Daarnaast leidt de rechtbank uit het dossier af dat [naam slachtoffer 1] € 2.000,-- spaargeld aan de veroordeelde heeft gegeven, en niet heeft teruggekregen.

Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot [naam slachtoffer 1] bedraagt op basis van het vorenstaande (€ 8.166,67 + € 2.000,-- =) € 10.166,67.

Slachtoffer [naam slachtoffer 2]

Uit het ontnemingsdossier (pagina 116) leidt de rechtbank af dat [naam slachtoffer 2] een deel van de bewezen verklaarde periode voor de veroordeelde en de mededader heeft gewerkt en een deel van die periode alleen voor de veroordeelde.

Periode samen met de mededader

Uit het ontnemingsdossier (pagina 116) leidt de rechtbank af dat [naam slachtoffer 2] in deze periode

(8 weken x 45 klanten per week) in totaal 360 klanten heeft gehad. De rechtbank begroot de gemiddelde prijs voor de verrichte prostitutiewerkzaamheden ook hier op een bedrag van

€ 100,-- per klant, gelet op de verklaringen van de slachtoffers over de verrichte seksuele handelingen en de verschillende genoemde tarieven in dit dossier.

In deze periode heeft [naam slachtoffer 2] 56 dagen prostitutiewerkzaamheden verricht. Voorts gaat de rechtbank ook hier uit van de herberekening van de gemaakte kosten, zoals de officier van justitie bij requisitoir heeft beraamd op € 60,-- per dag, naar aanleiding van de verklaring van [naam slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris van 16 januari 2018, waarin zij heeft verklaard dat van de totale verdiensten eerst de kosten werden afgetrokken voordat een verdeling plaatsvond.

De rechtbank begroot de gemaakte kosten gelet daarop op (€ 60,-- per dag x 56 dagen =)

€ 3.360,--.

Gelet op het voorgaande bedragen de uit de prostitutiewerkzaamheden van [naam slachtoffer 2] genoten opbrengsten in deze periode (360 klanten x € 100,-- =) € 36.000,-- minus € 3.360,-- aan kosten, ofwel € 32.640,--. Van dit bedrag heeft [naam slachtoffer 2] 1/3e deel aan de veroordeelde moeten afstaan, te weten € 10.880,--.

Periode alleen met de veroordeelde

Uit het ontnemingsdossier (pagina 116) leidt de rechtbank af dat [naam slachtoffer 2] in de periode waarin zij alleen voor de veroordeelde werkzaam is geweest, gedurende 19,7 weken 45 klanten per week tegen een gemiddelde prijs per klant van € 100,-- heeft gehad, hetgeen resulteert in verdiensten ter hoogte van € 88.650,--.

De rechtbank begroot de gemaakte kosten op (€ 60,-- per dag x 138 dagen =) € 8.280,--.

Gelet op het voorgaande bedragen de uit de prostitutiewerkzaamheden van [naam slachtoffer 2] genoten opbrengsten in deze periode € 88.650,-- minus € 8.280,-- aan kosten, ofwel € 80.370,--. Van dit bedrag heeft [naam slachtoffer 2] de helft aan de veroordeelde moeten afstaan, te weten € 40.185,--.

Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot [naam slachtoffer 2] bedraagt op basis van het vorenstaande (€ 10.880,-- + € 40.185,-- =) € 51.065,--.

Niet-ontvankelijkheid met betrekking tot deel van de vordering

De rechtbank is voorts van oordeel dat de officier van justitie niet ontvangen kan worden voor wat betreft dat deel van de vordering dat betrekking heeft op de afpersing van [naam slachtoffer 3] , nu de veroordeelde voor dit feit bij voormeld vonnis van 1 februari 2018 is vrijgesproken.

(HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).

Resumerend schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bedrag:

€ 10.166,67 (slachtoffer [naam slachtoffer 1] )

€ 51.065,-- (slachtoffer [naam slachtoffer 2] )

€ 61.231,67 in totaal.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze vordering betrekking heeft op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit de afpersing van [naam slachtoffer 3] ;

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 61.231,67 (zegge: éénenzestigduizend tweehonderd éénendertig euro en zevenenzestig eurocent);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 61.231,67 (zegge: éénenzestigduizend tweehonderd éénendertig euro en zevenenzestig eurocent).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F. Aukema-Hartog, voorzitter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en M. Jeltes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Kandemir-Akkal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.