Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
Parketnummer 10/960078-16 / Raadkamernummer 18/6
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Raadkamer. Verdachte van deelname aan een terroristische organisatie (artikel 140a Sr) is zeven maanden zwanger en bevindt zich met haar kind in een vluchtelingenkamp in Noord Syrië. Bevel gevangenneming om uitlevering te verkrijgen. Gelezen in verband met de Uitleveringswet, dient artikel 65, derde lid, Sv zo te worden uitgelegd dat het bevel gevangenneming ziet op personen die aan Nederland uitgeleverd dienen te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960078-16

Raadkamernummer: 18/6

Bevel gevangenneming

De meervoudige raadkamer voor de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam heeft ten aanzien van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement van 20 februari 2018, strekkende tot de afgifte van een bevel gevangenneming van:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

domicilie kiezende bij haar raadslieden mrs. B. Stapert en D.M. Kamp, kantoorhoudende aan de Jan Luijkenstraat 12 te (1071 CM) Amsterdam,

de volgende beslissing genomen, gehoord de officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel en de raadsman mr. B. Stapert.

De rechtbank overweegt als volgt

Over de procedure

Tegen de verdachte, die in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, is op 14 maart 2016 een aanhoudings- en internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd ter zake deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Blijkens het proces-verbaal stand van zaken [naam verdachte] ( [proces-verbaalnummer] ) heeft de moeder van de verdachte verklaard dat de verdachte samen met haar man, vanuit België, op 29 september 2013 naar Syrië is afgereisd. De verdachte zou in een buitenwijk van Aleppo wonen.

In een interview voor de Belgische televisie op 20 september 2017 heeft de verdachte verklaard dat zij vier jaar geleden naar Syrië was gekomen, waar zij met haar man, die wordt aangeduid als Antwerpse jihadist, is getrouwd. Deze man zou in Raqqa bij de politie van de Islamitische Staat (IS) werken.

Uit bovenstaande kunnen ernstige bezwaren worden afgeleid dat de verdachte vier jaar met de Antwerpse jihadist in een door IS gecontroleerd gebied heeft gewoond. Dit kan meebrengen dat zij, door hem te ondersteunen, als dader in de zin van artikel 47 Sr of medeplichtige in de zin van artikel 48 Sr aan het feit van artikel 140a Sr kan worden aangemerkt. Eveneens kunnen hieruit ernstige bezwaren worden afgeleid dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de voorbereiding van het desbetreffende feit, te weten het gezamenlijk afreizen naar dat gebied zodat de man van de verdachte aan IS kan deelnemen.

Over de feiten

De verdachte bevindt zich volgens de raadsman sinds september 2017 in het vluchtelingenkamp Ain Issa in het Noorden van Syrië. Zij is daar in gezelschap van haar ruim anderhalf jaar oude zoon en is thans zeven maanden zwanger.
Dit kamp wordt volgens de raadsman van de verdachte beheerd door de Koerdische autoriteiten, meer in het bijzonder door de Democratic Union Party (PYD).

De raadsman van de verdachte heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de verdachte bij een eventuele berechting in Nederland aanwezig wil zijn en (dus) van haar aanwezigheidsrecht gebruik wil maken.

De raadsman heeft verder verklaard dat hij contact heeft gezocht met de buitenlandse vertegenwoordiging van de PYD in de Benelux. Blijkens een door de raadsman overgelegde e-mail van 27 oktober 2017 zou de PYD bereid zijn om mee te werken aan een oplossing (“to try to resolve this issue”), maar daarvoor is wel een officieel verzoek nodig van bevoegde Nederlandse autoriteiten.

De officier van justitie heeft, voor zover hier van belang, drie stukken overgelegd. Dit zijn twee brieven van zijn hand aan de Minister van Justitie, van 29 november 2017 en van 14 februari 2018 en een brief van de Minister van Justitie aan de officier van justitie van 27 december 2017.

In de brief van 29 november 2017 wijst de officier van justitie op jurisprudentie van deze rechtbank, inhoudende dat een strafzaak in beginsel niet inhoudelijk zal worden behandeld indien de verdachte, zoals in deze zaak, aangeeft van haar aanwezigheidsrecht gebruik te willen maken. Hij verzoekt daarom de Minister “al het nodige te doen om de strafrechtelijke internationale signalering tegen [naam verdachte] , verblijvend in het vluchtelingenkamp Ain Issa, kenbaar te laten maken bij de niet erkende (lokale) autoriteiten in Syrië door tussenkomst van het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil. Dit met als doel de uitlevering dan wel de feitelijke overdracht van [naam verdachte] aan de Nederlandse autoriteiten ter fine van aanhouding, strafrechtelijke vervolging en berechting in Nederland mogelijk te maken”.

Bij schrijven van 27 december 2017 heeft de Minister laten weten dat hij, gelet op beslissingen van deze rechtbank van oktober 2017, er niet van overtuigd is, dat de rechtbank de verdachte niet bij verstek zal veroordelen en verzoekt hij de officier van justitie te laten weten waarom hij van mening is dat, bij strafrechtelijke vervolging, de kans groot is dat de rechtbank deze zaak niet inhoudelijk zal behandelen.

De officier van justitie heeft daarop bij schrijven van 14 februari 2018 zich op het standpunt gesteld dat de zaak tegen de verdachte in zoverre anders ligt dan de zaken die in oktober 2017 door deze rechtbank zijn aangehouden voor inhoudelijke behandeling, nu de verdachte te kennen heeft gegeven van haar aanwezigheidsrecht gebruik te willen maken en het openbaar ministerie wetenschap heeft van haar verblijfplaats. “Daardoor bestaat in deze concrete casus — anders dan in andere verstekvervolgingen — ook een handelingsperspectief voor de Nederlandse overheid door de internationale signalering tegen [naam verdachte] bij de Koerdische autoriteiten bekend te maken en daarmee hoogstwaarschijnlijk overbrenging naar Nederland te bewerkstelligen ten

behoeve van strafrechtelijke vervolging en berechting”.

In haar beslissing van 26 juni 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4871) heeft de rechtbank, in zaken waarin verstek was verleend tegen verdachten van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, besloten de zaken waarin moest worden aangenomen dat de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht inhoudelijk te behandelen. De rechtbank heeft de behandeling voor langere tijd aangehouden in die (twee) gevallen waarin de verdachte te kennen had gegeven aanwezig te willen zijn bij de behandeling van de strafzaak. Zij heeft de officier van justitie verzocht alles in het werk te stellen om het mogelijk te maken dat deze verdachten van hun aanwezigheidsrecht gebruik kunnen maken.

De officier van justitie heeft dan ook terecht opgemerkt dat er een meer dan reële kans is dat de rechtbank, indien hij bij de huidige stand van zaken tot dagvaarden zou overgaan, de zaak tegen de verdachte niet inhoudelijk zal behandelen. Immers, de verdachte heeft te kennen gegeven van haar aanwezigheidsrecht gebruik te willen maken, haar feitelijke verblijfplaats is bekend en niet alles is in het werk gesteld om haar in de gelegenheid te stellen van dat recht gebruik te maken.

Over het recht

Ingevolge artikel 65 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechtbank een bevel tot gevangenneming geven indien dit nodig is om uitlevering van de verdachte te verkrijgen.

Ingevolge artikel 1 van de Uitleveringswet (Uw) is uitlevering de verwijdering van een persoon uit Nederland met het doel hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van een andere staat. Artikel 65 lid 3 Sv ziet niet op de uitlevering als bedoeld in de Uitleveringswet. Immers, in artikel 65 lid 3 Sv wordt gesproken over het verkrijgen van de uitlevering.

Voorts bieden de artikelen 15, 22 en 27 Uw al een zelfstandige regeling van voorlopige hechtenis. Artikel 27 Uw voorziet zelfs in het bijzonder in de mogelijkheid van gevangenneming. Zo beschouwd dient vanuit de wetssystematiek te worden aangenomen dat artikel 65 lid 3 Sv ziet op de overdracht van een persoon uit het buitenland naar Nederland. Omdat het niet om uitlevering in de zin van de Uitleveringswet gaat, zal dit artikel mede betrekking kunnen hebben op de feitelijke overlevering van die persoon.

De conclusie is dat de rechtbank bevoegd is tot het geven van een bevel gevangenneming om de uitlevering (lees feitelijke overdracht) van de verdachte naar Nederland te verkrijgen. De bevoegdheid van de raadkamer wordt door de raadsman van de verdachte niet betwist.

Het bevel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de raadkamer van de rechtbank een bevel gevangenneming zal afgeven voor het feit omschreven in het internationaal arrestatiebevel van 14 maart 2016.

Gebleken is dat dit een feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Uit de inhoud van het dossier blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en uit persoonlijk omstandigheden, blijkt van ernstig gevaar voor vlucht, nu de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.

Tevens blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert, hierin bestaande:

- dat er sprake is van een verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt;

- dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank:

beveelt de gevangenneming ter uitlevering, waaronder mede wordt verstaan de feitelijke overlevering van verdachte en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een Huis van Bewaring;

draagt de officier van justitie op dit bevel te behandelen op gelijke wijze als eerder is geschied ten aanzien van het internationale arrestatiebevel in deze zaak en dit bevel onder de aandacht te brengen van de Minister van Justitie ten einde al het nodige te doen om in het kader van de uitvoering van dit bevel de strafrechtelijke internationale signalering tegen de verdachte, verblijvend in het vluchtelingenkamp Ain Issa, kenbaar te laten maken bij de niet erkende (lokale) autoriteiten in Syrië door tussenkomst van het Nederlandse consulaat-generaal in Erbil met als doel de uitlevering dan wel de feitelijke overdracht van de verdachte aan de Nederlandse autoriteiten ter fine van aanhouding, strafrechtelijke vervolging en berechting in Nederland mogelijk te maken.

Aldus gedaan met gesloten deuren op 20 februari 2018 door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter

en mrs. C.G. van de Grampel en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier.

Afschrift raadsman/vrouw d.d.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikkingen brengt deze ter kennis van verdachte.

Rotterdam, de OvJ

Gezien op: dir. HvB/PI