Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2790

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
C/10/497901 / HA ZA 16-297 + C/10/497917 / HA ZA 16-299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Summary in English below) Internationaal wegvervoer. Artikelen 29 en 41 CMR. Beding inhoudend dat schending van de contractuele veiligheidsvoorschriften bewuste roekeloosheid oplevert als bedoeld in artikel 29 CMR, is nietig op grond van artikel 41 CMR.

De afspraak dat het niet of ondeugdelijk treffen van bedongen veiligheidsmaatregelen per definitie, ongeacht alle concrete omstandigheden van het geval, bewuste roekeloosheid oplevert, en daarmee aan opzet gelijk te stellen schuld als bedoeld in artikel 29 CMR, wijkt af van de door het verdrag geboden regeling en in het bijzonder met de daarin neergelegde verdeling van de bewijslast. Hierdoor wordt immers een contractuele fictie in de plaats gesteld van het subjectief bewustzijn van de handelende persoon of partij ten aanzien van het risico op schade of verlies. Aldus wordt het subjectief bewustzijn als criterium verlaten, wordt bij voorbaat en zonder feitenvaststelling overeengekomen dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, en wordt de op wederpartij van de vervoerder rustende bewijslast verminderd en aan de vervoerder zelfs de mogelijkheid van tegenbewijs ontnomen. Dit past niet bij de door de verdragsopstellers beoogde uniforme toepassing van (de regeling omtrent vervoerdersaansprakelijkheid in) het CMR-verdrag.

Summary in English:

International road transport of goods. Convention on the contract for the international carriage of goods by road (CMR). Articles 29 and 41 CMR. Contractual clause “And the parties agree that breach of one or more of the contractor’s obligations and or failure to take one or more precautions set out herein before amounts to recklessness with knowledge that damage will probably result as envisaged in art. 29 CMR” is null and void pursuant to article 41 CMR.

The stipulation that the carrier’s failure to (properly) take the contractually prescribed security measures will automatically, regardless of all circumstances specific to the case, amount to ‘recklessness knowing that damage will probably result’, and therefore “such default on his part as (...) is considered as equivalent to wilful misconduct” as required by article 29 CMR, derogates from the regime laid down in the Convention, and in particular from the manner in which the Convention divides the burden of proof. The provision exchanges the acting person’s or party’s subjective awareness of the risk of loss or damage for a contractual fiction. Thus, (i) the criterion of subjective awareness is abandoned, (ii) it is agreed in advance and without establishing the facts of the case that the chance that the risk will materialise is substantially larger than the chance that it will not, and (iii) the burden of proof on the counterpart of the carrier is alleviated and the carrier is even precluded from submitting countering evidence. This contravenes the uniform application of (the regime of carrier liability in) the CMR envisaged by those who drafted the Convention.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2018/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Vonnis in gevoegde zaken van 14 februari 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/497901 / HA ZA 16-297 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KLEIJN TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

KLAUS KAMMANN - INTERNATIONALE TRANSPORT GMBH,

gevestigd te Duisburg, Duitsland,

3. de naamloze vennootschap

AMLIN EUROPE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

4. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseressen in conventie,

verweersters in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"K" LINE (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

KAWASAKI KISHEN KAISHA, LTD.,

gevestigd te Kobe-shi Hyogo, Japan,

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

MITSUBISHI ELECTRIC LOGISTICS CORPORATION,

gevestigd te Tokyo, Japan,

5. de vennootschap naar buitenlands recht

MITSUBISHI ELECTRIC CORPORATION,

gevestigd te Tokyo, Japan,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MITSUBISHI ELECTRIC EUROPE B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk,

gedaagden in conventie,

niet verschenen,

8. de rechtspersoon naar buitenlands recht

YUSEN LOGISTICS (DEUTSCHLAND) GMBH,

gevestigd te Duisburg, Duitsland,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/497917 / HA ZA 16-299 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KLEIJN TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

KLAUS KAMMANN - INTERNATIONALE TRANSPORT GMBH,

gevestigd te Duisburg, Duitsland,

3. de naamloze vennootschap

AMLIN EUROPE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

4. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseressen in conventie,

verweersters in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

"K" LINE (EUROPE) LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam.

Eiseressen in beide zaken zullen hierna gezamenlijk Kleijn c.s. worden genoemd en afzonderlijk Kleijn, Klaus Kammann, Amlin respectievelijk Reaal.

Gedaagden in de zaak 16-297 zullen hierna K Line Nederland, Kawasaki, Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe respectievelijk Yusen worden genoemd.

Gedaagde in de zaak 16-299 zal K Line Europe worden genoemd.

1 De procedure in de zaak 16-297

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 15 september 2015, met producties E-1 tot en met E-4 en de betekeningsstukken,

  • -

    de conclusie van antwoord van K Line Nederland en Kawasaki met producties 1 tot en met 4, waarin een voorwaardelijke eis in reconventie is vervat,

  • -

    de conclusie van antwoord van Yusen met productie Y1,

  • -

    het tussenvonnis (de oproepingsbrieven) van 7 december 2016, waarin partijen voor een comparitiezitting zijn opgeroepen,

  • -

    de bij brief van de rechtbank van 24 februari 2017 aan partijen toegezonden zittingsagenda,

  • -

    de ‘conclusie van antwoord in voorwaardelijke eis in reconventie’, met producties E5 tot en met E7,

  • -

    de ter comparitie overgelegde spreekaantekeningen van de raadslieden van Kleijn c.s., van K Line Nederland en Kawasaki en van Yusen,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2017.

1.2.

De procedure tegen de in de dagvaarding als tweede gedaagde vermelde partij is niet aangebracht, de procedure tegen de in de dagvaarding als zevende vermelde partij is doorgehaald.

1.3.

Tegen gedaagden 4 tot en met 6 (Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation respectievelijk Mitsubishi Electric Europe) is verstek verleend.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 16-299

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 september 2015, ook houdende een incidenteel verzoek tot voeging, met producties E-1 tot en met E-5 en de betekeningsstukken,

  • -

    het vonnis in incident van 4 mei 2016, waarin de zaak 16-299 is gevoegd met de zaak 16‑297,

  • -

    de conclusie van antwoord van K Line Europe met producties 1 tot en met 5, waarin een voorwaardelijke eis in reconventie is vervat,

  • -

    het tussenvonnis (de oproepingsbrieven) van 14 december 2016, waarin partijen voor een comparitiezitting zijn opgeroepen,

  • -

    de bij brief van de rechtbank van 24 februari 2017 aan partijen toegezonden zittingsagenda,

  • -

    de ‘conclusie van antwoord in voorwaardelijke eis in reconventie’, met een tweede productie E5 en met productie E6 en productie E7,

  • -

    de ter comparitie overgelegde spreekaantekeningen van de raadslieden van Kleijn c.s. en van K Line Europe,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2017.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten in beide zaken

3.1.

In juli 2015 is een zending navigatieonderdelen verkocht door Mitsubishi Electric Corporation aan Mitsubishi Electric Europe en vervolgens over zee vervoerd van Kobe in Japan naar Rotterdam.

3.2.

Een “Transport Order Import - Update” met het briefhoofd van Kawasaki en K Line Nederland, afgedrukt op 11 september 2015, behelst een instructie aan Kleijn om vanaf de ECT Delta terminal in Rotterdam een viertal containers, waaronder een container met nummer KKFU780009-2, af te leveren bij Kintetsu te Düsseldorf. De transportopdracht sluit af met “Regards, “K” Line (Nederland) B.V. as agents”.

3.3.

Kleijn heeft dit vervoer over de weg uitbesteed aan Klaus Kammann.

3.4.

Op 12 september 2015 is container KKFU780009-2 door de chauffeur van Klaus Kammann, [persoon] , in Rotterdam in ontvangst genomen. In de nacht van 12 op 13 september 2015 parkeerde de chauffeur op het omheinde terrein van Klaus Kammann in Duisburg. Aldaar is de container die nacht gestolen.

3.5.

Op 14 september 2015 is een CMR-vrachtbrief met nummer 3/2015-03/4127-03 opgemaakt waarop ECT Delta Terminal als afzender, Kintetsu als geadresseerde en Kleijn als vervoerder zijn vermeld. In het voor ondertekening door de vervoerder bestemde vakje staat Klaus Kammann als vervoerder genoemd. Het onder 3.4 genoemde containernummer wordt in vak 6 vermeld. Het bruto ladinggewicht bedraagt volgens de CMR-vrachtbrief 8.914 kg.

3.6.

Kleijn is aansprakelijk gehouden door K Line Nederland.

4 Het geschil in de zaak 16-297

in conventie

4.1.

Kleijn c.s. vordert na de onder 1.2 vermelde rolperikelen samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart:

  1. primair dat K Line Nederland, Kawasaki, Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe en Yusen, althans één of meer van hen, in eventuele schadevorderingen jegens Kleijn c.s., althans één of meer van hen, niet ontvankelijk zijn (is), althans

  2. subsidiair dat Kleijn c.s., althans één of meer van hen, niet aansprakelijk is voor de door K Line Nederland, Kawasaki, Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe en Yusen, althans één of meer van hen, beweerdelijk geleden schade ter zake van de in de dagvaarding genoemde zending, althans

  3. meer subsidiair dat Kleijn c.s., althans één of meer van hen, niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex artikel 23 CMR van 8,33 SDR per beschadigd kilogram brutogewicht,

steeds met veroordeling van K Line Nederland, Kawasaki, Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe en Yusen, althans één of meer van hen, in de proceskosten en de nakosten.

4.2.

K Line Nederland en Kawasaki voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van Kleijn c.s. in haar vorderingen althans afwijzing van de vorderingen met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Kleijn c.s. in de proceskosten en de nakosten.

4.3.

Yusen voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Kleijn c.s. in haar vorderingen althans afwijzing van de vorderingen met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Kleijn c.s. in de proceskosten en de nakosten, met de bepaling dat over de kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na vonnisdatum.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

4.5.

K Line Nederland en Kawasaki vorderen - naar ter zitting is verduidelijkt - ieder voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover K Line Nederland respectievelijk Kawasaki aansprakelijk mocht zijn en schade heeft voldaan aan de ladingbelanghebbenden, dat de rechtbank Kleijn c.s., althans Kleijn, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de schade nader op te maken bij staat.

4.6.

Kleijn c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan, althans niet-ontvankelijkverklaring van K Line Nederland en Kawasaki in hun vorderingen, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van K Line Nederland en Kawasaki in de proceskosten.

4.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil in de zaak 16-299

in conventie

5.1.

Kleijn c.s. vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart:

4. primair dat K Line Europe in eventuele schadevorderingen jegens Kleijn c.s., althans één of meer van hen, niet ontvankelijk is, althans

5. subsidiair dat Kleijn c.s., althans één of meer van hen, niet aansprakelijk is voor de door K Line Europe beweerdelijk geleden schade ter zake van de in de dagvaarding genoemde zending, althans

6. meer subsidiair dat Kleijn c.s., althans één of meer van hen, niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex artikel 23 CMR van 8,33 SDR per beschadigd kilogram brutogewicht,

steeds met veroordeling van K Line Europe in de proceskosten en de nakosten.

5.2.

K Line Europe voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Kleijn c.s. in de proceskosten.

5.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

5.4.

K Line Europe vordert voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover zij aansprakelijk mocht zijn en schade heeft voldaan aan de ladingbelanghebbenden, dat de rechtbank Kleijn c.s. althans Kleijn bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de schade nader op te maken bij staat.

5.5.

Kleijn c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van K Line Europe in de proceskosten.

5.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling

in beide zaken in conventie

6.1.

Kleijn c.s. grondt de vorderingen van iedere eiseres jegens iedere gedaagde op het door Kleijn aangenomen en door Klaus Kammann uitgevoerde wegvervoer. Tussen Kleijn c.s. en de verschenen gedaagden is niet in geschil, en ten aanzien van de niet-verschenen gedaagden stelt de rechtbank vast, dat op dit vervoer op zichzelf - nu het gaat om vervoer van goederen over de weg waarbij de laad- en losadressen in verschillende bij het Verdrag partij zijnde landen zijn gelegen - de CMR (Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg) van toepassing is.

6.2.

De rechtbank is op grond van artikel 31 lid 1 sub b CMR (internationaal) bevoegd om van het geschil kennis te nemen, nu de lading in Rotterdam in ontvangst is genomen. Dit is ten aanzien van de verschenen gedaagden niet in geschil, en gaat ook op jegens de gedaagden aan wie verstek is verleend.

6.3.

Het gaat in beide zaken om de vraag in hoeverre ieder van Kleijn c.s. jegens ieder van gedaagden aansprakelijk is voor de schade die is voortgevloeid uit de diefstal van container KKFU780009-2.

6.4.

Kleijn c.s. richt haar vorderingen in de zaak 16-297 (thans nog) tegen:

  1. K Line Nederland als opdrachtgever van Kleijn, althans afzender, althans belanghebbende,

  2. Kawasaki als opdrachtgever van Kleijn, althans afzender, althans belanghebbende,

  3. Mitsubishi Electric Logistics als belanghebbende,

  4. Mitsubishi Electric Corporation als eigenaar, althans belanghebbende,

  5. Mitsubishi Electric Europe als eigenaar, althans belanghebbende,

  6. Yusen als belanghebbende.

6.5.

Kleijn c.s. richt haar vordering in de zaak 16-299 tegen K Line Europe op de grond dat als K Line Nederland niet als afzender maar als agent van K Line Europe de vervoerovereenkomst heeft gesloten, K Line Europe dan de afzender was onder de wegvervoerovereenkomst. In dat geval is ook K Line Europe belanghebbende, aldus Kleijn c.s.

6.6.

Het belang van de vorderingen van Kleijn c.s. is er, naar zij stelt, in gelegen dat iedere eiseres voor haar bedrijfsvoering dient te weten of ze aansprakelijk is, en zo ja, jegens welke gedaagde en tot welk bedrag.

het beroep van Yusen op nietigheid van de dagvaarding in de zaak 16-297

6.7.

Het beroep van Yusen op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen op grond van artikel 122 Rv. Hoewel aan Yusen kan worden toegegeven dat de dagvaarding - die vrijwel onmiddellijk na het bemerken van de diefstal is uitgebracht - in strijd met artikel 111 lid 2 sub d Rv nauwelijks gronden van de eis tegen Yusen inhoudt, en dat dit gebrek in beginsel leidt tot nietigheid van de dagvaarding, is Yusen door dit gebrek naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk in haar belangen geschaad. Zij heeft immers uitgebreid verweer kunnen voeren en dat heeft zij ook gedaan. De rechtbank ziet in het beroep op artikel 21 Rv evenmin aanleiding om de dagvaarding nietig te verklaren.

de partijen bij de vervoerovereenkomst

6.8.

Ter zitting hebben Kleijn c.s., K Line Nederland, Kawasaki, K Line Europe en Yusen eensluidend verklaard dat de opdracht tot het wegvervoer door K Line Nederland “as agents” namens Kawasaki is verstrekt aan Kleijn, dat Kleijn derhalve de vervoerder is als bedoeld in de CMR terwijl Klaus Kammann hulppersoon en ondervervoerder is van Kleijn. Dit staat dus tussen hen vast.

6.9.

Yusen heeft betoogd dat zij slechts als ontvangstagent bij dit vervoer was betrokken, en dat zij handelde in opdracht van MDL, een Mitsubishi-vennootschap die niet in deze procedure is betrokken. Nu Kleijn c.s. dit niet heeft betwist, staat een en ander tussen Kleijn c.s. en Yusen vast.

voorts in de zaak 16-297 in conventie

de vorderingen van Amlin en Reaal

6.10.

Kleijn c.s. stelt dat Amlin en Reaal de aansprakelijkheidsverzekeraars van Kleijn en Klaus Kammann zijn.

6.11.

In de dagvaarding zijn geen stellingen ingenomen die de conclusie kunnen dragen dat aan Amlin of Reaal een eigen vorderingsrecht toekomt. Nu hetgeen nadien nog is aangevoerd zonder belang is voor de niet in de procedure verschenen gedaagden, zullen de vorderingen van Amlin en Reaal jegens Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation en Mitsubishi Electric Europe als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

6.12.

K Line Nederland en Kawasaki hebben niet betwist dat Amlin en Reaal de aansprakelijkheidsverzekeraars van Kleijn en Klaus Kammann zijn. Jegens hen staat dit dus vast.

K Line Nederland en Kawasaki bestrijden echter dat Amlin en Reaal belang hebben bij de door hen gevorderde verklaringen voor recht, en wijzen erop dat voor het verkrijgen van een verklaring voor recht een voldoende belang is vereist.

Het in de dagvaarding gestelde belang rechtvaardigt niet dat Amlin en Reaal zelf een verklaring voor recht over hun eigen positie vorderen, omdat bij gebreke van een nadere toelichting niet valt in te zien waarom in deze zaak een vordering tegen Amlin en Reaal zelf ter zake van de onderhavige diefstalschade zou kunnen worden ingesteld. De rechtbank heeft dan ook voorafgaand aan de zitting vragen gesteld over het vorderingsrecht van Amlin en Reaal.

Kleijn c.s. heeft ter zitting verklaard dat het belang van Amlin en Reaal bij een verklaring voor recht over hun eigen positie erin is gelegen dat mogelijk in het buitenland een rechtstreekse aanspraak tegen hen kan worden geldend gemaakt. Kleijn c.s. concretiseert echter niet dat, in dit geval voor een dergelijke rechtstreekse vordering op verzekeraars moet worden gevreesd, en in welk land, terwijl dit na het verweer van K Line Nederland en Kawasaki en de door de rechtbank gestelde vragen wel op haar weg lag. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het ter zitting geopperde belang in deze zaak in theorie kan bestaan maar in de praktijk niet aan de orde is. Hierop stranden de vorderingen van Amlin en Reaal tegen K Line Nederland en Kawasaki.

6.13.

Yusen heeft betwist dat Amlin en Reaal de aansprakelijkheidsverzekeraars van Kleijn en Klaus Kammann zijn. Hierna lag het op de weg van Kleijn c.s. om deze stelling jegens Yusen te onderbouwen. Dit heeft zij nagelaten, zodat jegens Yusen niet kan worden aangenomen dat Amlin en Reaal als verzekeraars van Kleijn en Klaus Kamman enig vorderingsrecht toekomt. Hierop stranden de vorderingen van Amlin en Reaal tegen Yusen.

de vorderingen van Klaus Kamman

6.14.

Inmiddels staat vast dat Kleijn de in de CMR bedoelde vervoerder is en Klaus Kammann haar hulppersoon c.q. ondervervoerder.

Gesteld noch gebleken is dat Klaus Kammann zelf met een of meer van de gedaagden een vervoerovereenkomst heeft gesloten. Er zijn geen gronden aangevoerd of gebleken waarom (ook) Klaus Kammann als de vervoerder onder CMR heeft te gelden.

Dit roept de vraag op of Klaus Kammann in deze procedure, die door Kleijn c.s. geheel in de sleutel van aansprakelijkheid onder CMR is geplaatst, belang heeft bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht dat (primair) geen van de gedaagden ontvankelijk is in eventuele schadevorderingen jegens Klaus Kammann, (subsidiair) Klaus Kamman jegens gedaagden niet schadeplichtig is of (meer subsidiair) Klaus Kamman jegens gedaagden niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de CMR-beperking.

Ter comparitie heeft Kleijn c.s. in dit verband nog aangevoerd dat het Duitse Bundesgerichtshof - onder omstandigheden - een rechtstreekse aanspraak van ladingbelanghebbenden tegen de feitelijk vervoerder aanneemt, eventueel als gevolg van toetreding tot de vervoerovereenkomst, en geopperd dat de rechtbank deze lijn zou kunnen volgen. Dat en waarom daarvoor in dit concrete geval aanleiding zou bestaan, heeft Kleijn c.s. echter niet uitgewerkt of onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan dit standpunt voorbij.

De slotsom is dat geen voldoende belang van Klaus Kammann bij de gevorderde verklaringen voor recht is gebleken. Enig andere grondslag voor vorderingen van gedaagden tegen Klaus Kammann heeft Kleijn c.s. niet aangevoerd.

Hierop stranden de vorderingen van Klaus Kammann tegen alle gedaagden.

de vorderingen van Kleijn

6.15.

Kleijn vordert primair een verklaring voor recht dat de gedaagden niet ontvankelijk zijn in hun eventuele vorderingen.

In de dagvaarding zijn geen stellingen aangevoerd ter onderbouwing van deze vordering. Ter comparitie heeft Kleijn verklaard deze vordering alleen jegens Yusen te handhaven.

Jegens Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Logistics en Mitsubishi Electric Europe, K Line Nederland en Kawasaki is deze vordering dus ingetrokken, zodat de rechtbank aan beoordeling ervan niet toekomt.

6.16.

Jegens Yusen zal deze vordering worden afgewezen.

In de dagvaarding heeft Kleijn zichzelf als CMR-vervoerder gepresenteerd en Yusen zonder verdere duiding opgevoerd als ‘belanghebbende’ bij het wegvervoer. Yusen heeft bij antwoord aangevoerd slechts ontvangstagent te zijn geweest, en betwist dat Kleijn enig belang heeft bij haar vorderingen tegen Yusen.

Dat, en waarom, tussen Kleijn en Yusen een door de CMR bestreken rechtsverhouding zou bestaan, is na dit verweer niet onderbouwd of gebleken. Kleijn heeft ter zitting slechts verklaard dat zij Yusen heeft gedagvaard omdat Yusen mogelijk vorderingsgerechtigd was en Kleijn zo snel mogelijk actie wilde ondernemen. Zij heeft ook verklaard dat zij niet bekend is met enige rechtsvordering van Yusen ter zake van deze schade. Bij deze stand van zaken heeft Kleijn in relatie tot Yusen onvoldoende belang bij verklaringen voor recht aangaande CMR-aansprakelijkheid, terwijl zodanig belang wel wordt vereist door artikel 3:302 en 303 BW.

6.17.

Hieraan doet niet af dat Kleijn ter zitting nog heeft betoogd dat Yusen valt binnen de definitie van de ‘Merchant’ in de vervoerscondities bij een bepaald zeevervoerdocument en dat Kleijn als hulppersoon van de zeevervoerder een in die condities neergelegd derdenbeding alsook de daarin neergelegde verjaringstermijn tegen Yusen kan inroepen, met als gevolg dat Yusen als ‘Merchant’ geen claims (meer) kan instellen tegen Kleijn als hulppersoon van de zeevervoerder.

De dagvaarding strekt tot oordelen over de aansprakelijkheid van Kleijn als CMR-vervoerder jegens - onder meer - Yusen als vermeend belanghebbende bij dat vervoer. Kleijn kan zich niet ter onderbouwing van haar belang bij deze vorderingen beroepen op (vermeende) posities van haarzelf en Yusen bij een bepaald zeevervoer.

6.18.

Op het gebrek van een - aan een door de CMR bestreken rechtsverhouding - ontleend voldoende belang strandt niet alleen de primair gevorderde verklaring voor recht maar stranden ook de verdere vorderingen van Kleijn tegen Yusen.

6.19.

Aldus resteren de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van Kleijn tegen Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe K Line Nederland en Kawasaki.

6.20.

Gezien de onder 3.2 tot en met 3.4 vastgestelde feiten en omstandigheden is Kleijn ingevolge artikel 17 lid 1 CMR (voor zover nodig in verbinding met artikel 3 CMR) in beginsel aansprakelijk voor de schade ten gevolge van de niet-aflevering van de zending in Düsseldorf.

De subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat Kleijn (geheel) niet aansprakelijk is voor de schade is in de dagvaarding niet onderbouwd met stellingen die toewijzing kunnen rechtvaardigen. Hierop stranden de subsidiaire vorderingen tegen Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation en Mitsubishi Electric Europe.

6.21.

Kleijn heeft niet met zoveel woorden een beroep gedaan op de algemene ontheffing van aansprakelijkheid wegens vervoerdersovermacht als bedoeld in artikel 17 lid 2 CMR. Voor zover een dergelijk beroep wel in haar stellingen is vervat, wordt dit als onvoldoende onderbouwd verworpen. Volgens vaste rechtspraak kan de wegvervoerder immers slechts dan met succes beroep doen op deze ontheffingsgrond indien hij feiten of omstandigheden stelt en bij betwisting aantoont waaruit volgt dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder, daaronder begrepen de personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2632, (Oegema/Amev)). In het onderhavige geval heeft Kleijn niet gesteld of doen blijken dat al deze maatregelen zijn genomen. In tegendeel, Kleijn heeft ter zitting erkend dat er geen kingpinslot op de gestolen oplegger/aanhanger zat, terwijl de overeenkomst dit wel vereist, en niet in geschil is dat de oplegger heeft overgestaan zonder de in de (raam)overeenkomst vereiste toestemming van K Line. Reeds hierom is van overmacht geen sprake.

6.22.

In dit verband verwerpt de rechtbank het standpunt van Kleijn dat de tussen haar en (onder meer) K Line Nederland en Kawasaki in 2002 gesloten (raam)overeenkomst niet langer geldt. Kleijn stelt dat de overeenkomst slechts voorziet in ten hoogste twee verlengingen van één jaar na het eerste contractsjaar, en dus uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding op 1 september 2002 is geëindigd. K Line Nederland en Kawasaki bestrijden dit standpunt.

Nu partijen over de uitleg van de overeenkomst van mening verschillen, moet de rechtbank deze uitleggen. De relevante bepaling luidt:

1. (...) B. This contract:

  1. becomes operative between the parties as of 1st September 2002, 00.00 hours (Rotterdam time) and remains in force for one year as of then;

  2. when the one year period envisaged herein before sub B1 expires, is automatically extended for a further year unless it has been previously cancelled by one of the parties (...) against the elapse of that year, with at least three months notice;

  3. when the extended period envisaged sub B2 (or any successive extended period) elapses, is automativally extended for an additional year unless it has been timely cancelled in the same manner as set out herein before sub B2;”.

Deze bepaling voorziet in stilzwijgende verlenging met een jaar na het eerste contractsjaar, als niet voordien wordt opgezegd, en na die verlenging weer in verlenging met een jaar. Naar het oordeel van de rechtbank lijdt het geen twijfel dat de woorden “(or any successive extended period)” in het derde lid meebrengen dat lid 3 niet alleen een regeling geeft voor de verlenging met een derde jaar van de reeds eenmaal verlengde looptijd, zoals Kleijn betoogt, maar ook voor het steeds nadien met een verder jaar verlengen van de verlengde looptijd, zoals K Line Nederland en Kawasaki betogen. De verdere inhoud van de overeenkomst, met name artikel 1 A (“the provisions of the present (umbrella) contract shall apply on all future contracts envisaged herein for as long as this contract is operative”), geeft geen reden hier anders over te denken. Gesteld noch gebleken is dat partijen zich voor of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst hierover in andere zin hebben uitgelaten of dat hun iets anders voor ogen heeft gestaan. Bij gebreke van een opzegging - die niet is gesteld of gebleken - is de overeenkomst dus steeds stilzwijgend verlengd.

Kleijn heeft nog betoogd dat partijen tussen 2002 en 2014 geen zaken meer met elkaar hebben gedaan, zodat de overeenkomst om die reden is uitgewerkt, maar vervolgens erkend dat er tot in 2012 toch steeds met K Line is gewerkt, zij het ‘op het niveau van één transportje per kwartaal’. De slotsom blijft dat de overeenkomst tussen partijen is blijven gelden, en dat K Line en Kawasaki zich daarop kunnen beroepen.

6.23.

De meer subsidiaire vordering strekt tot een verklaring voor recht dat Kleijn niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de beperking op grond van artikel 23 CMR, te weten SDR 8,33 per ontbrekend kilogram brutogewicht. In haar petitum maakt Kleijn geen onderscheid tussen de verschillende gedaagden. De rechtbank zal dit onderscheid hier ook niet aanbrengen.

6.24.

Terecht is niet in geschil dat Kleijn in beginsel slechts aansprakelijk is tot de beperkte aansprakelijkheid van artikel 23 lid 3 CMR. Voor volledige aansprakelijkheid kan echter aanleiding bestaan indien, zoals artikel 29 lid 1 CMR bepaalt, “de schade voortspruit uit zijn opzet of uit schuld zijnerzijds, welke volgens de wet van het gerecht, waar de vordering aanhangig is, met opzet gelijkgesteld wordt”.

6.25.

K Line Nederland en Kawasaki stellen dat dat de schade is voortgevloeid uit aan opzet gelijk te stellen schuld als bedoeld in artikel 29 CMR, mede gelet op het bepaalde in de raamovereenkomst VI onder A en onder B (hierna voor zover relevant weergegeven onder 6.29). Zij bepleiten dus onbeperkte aansprakelijkheid van Kleijn.

K Line en Kawasaki voeren in dit verband het volgende aan. Kleijn wist dat het ging om hoogwaardige en dus dure lading maar heeft de zending in strijd met de ontvangen instructies laten overstaan op een slecht beveiligd en eenvoudig toegankelijk terrein. De chauffeur van Klaus Kammann heeft de oplegger van de trekker losgekoppeld, nagelaten om een kingpinslot te gebruiken en geen extra sloten op de container aangebracht. Hierdoor nam hij bewust het risico dat de lading zou worden gestolen, en hierdoor was de kans op schade (diefstal) aanzienlijk groter dan de kans dat schade uitbleef. Dat ook Kleijn zich daarvan bewust was blijkt uit de raamovereenkomst. Partijen zijn overeengekomen dat het niet naleven van de overeengekomen veiligheidsinstructies betekent dat Kleijns tekortkomingen bewuste roekeloosheid als bedoeld in artikel 29 CMR opleveren. Onder deze omstandigheden is voor beperkte aansprakelijkheid geen plaats, aldus K Line en Kawasaki.

6.26.

Kleijn betwist dat haar aan opzet gelijk te stellen schuld kan worden tegengeworpen. Zij voert aan dat het door K Line en Kawasaki ingeroepen beding in de raamovereenkomst nietig is op grond van artikel 41 CMR. Ingevolge deze bepaling mag immers niet bij overeenkomst van het door het verdrag gegeven regime voor aansprakelijkheid van de vervoerder worden afgeweken. Ook op grond van artikel 8:1108 BW is de bepaling niet toegestaan. De invulling van de toe te passen schuldmaatstaf is aan de lex fori overgelaten en kan niet worden ‘weggecontracteerd’, aldus Kleijn.

6.27.

Het is vaste rechtspraak dat wanneer - zoals hier - de maatstaf ‘met aan opzet gelijk te stellen schuld’ van artikel 29 CMR moet worden ingevuld naar Nederlands recht, daaronder moet worden verstaan een handeling die of een nalaten dat moet worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien (artikel 8:1108 BW). Van gedrag dat als roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien moet worden aangemerkt, is sprake, wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door één en ander niet van dit gedrag laat weerhouden. (HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9308 en ECLI:NL:HR:2001:AA9309 en daarop voortbouwende rechtspraak.)

6.28.

In geschil is hoe de tussen partijen getroffen contractuele regeling zich tot deze maatstaf verhoudt. Artikel 41 CMR, waarop Kleijn zich beroept, luidt immers:

1. Behoudens de bepalingen van artikel 40 is nietig ieder beding, dat middellijk of onmiddellijk afwijkt van de bepalingen van dit Verdrag. De nietigheid van dergelijke bedingen heeft niet de nietigheid van de overige bepalingen van de overeenkomst tot gevolg.

2. In het bijzonder is nietig ieder beding, door hetwelk de vervoerder zich de rechten uit de verzekering der goederen laat overdragen of ieder ander beding van dergelijke strekking, evenals ieder beding, dat de bewijslast verplaatst.”

Indien en voor zover dus de contractuele regeling middellijk of onmiddellijk afwijkt van de verdragsregeling, bijvoorbeeld indien deze de bewijslast verplaatst, is de regeling nietig zodat het beroep daarop van K Line en Kawasaki geen doel kan treffen.

6.29.

Artikel VI (‘Security’) van de raamovereenkomst luidt, voor zover meest relevant:

A. The parties have considered the increasing threat posed by organised and incidental crime and how to best protect their interests (and the interests of cargo involved) against theft and/ or misappropriation and they have agreed on the following:

1. Taking receipt of the cargo

(…)

2. Interruption of the transport

a) It is not permitted for the cargo to be left ‘standing over’ without express consent by “K” Line;

(…)

3. Security provision to the container/ lorry/ combination

In addition the combination carrying the goods is to be equipped

a) with proper theft resistant door-locks, contact lock and ‘Kingpin lock’

(…)

4. Delivery/ Delay

(...)

5. Instructions

a) The contractor/ his subcontractor(s) / further subcontractors/drivers are to follow the above (…) in full and at all times;

(...)

B. Consequences :

1. The parties are of the opinion that, with and because of the current scale, frequency,

penetration and at times degree of organisation of organised and incidental crime (and bearing in mind the preponderantly high value cargo involved) the above are essential precautions in an effort to prevent theft and/or misappropriation of goods carried.

2. And the parties agree that breach of one or more of the contractor’s obligations and or failure to take one or more precautions set out herein before amounts to recklessness with knowledge that damage will probably result as envisaged in art. 29 CMR;”

6.30.

In het licht van de artikelen 29 en 41 CMR acht de rechtbank het bepaalde in artikel VI sub B onder 2 niet toelaatbaar. De afspraak dat het niet of ondeugdelijk treffen van bedongen veiligheidsmaatregelen per definitie, ongeacht alle concrete omstandigheden van het geval, bewuste roekeloosheid als bedoeld in r.o. 6.27 oplevert, en daarmee aan opzet gelijk te stellen schuld als bedoeld in artikel 29 CMR, wijkt af van de door het verdrag geboden regeling en in het bijzonder met de daarin neergelegde verdeling van de bewijslast. Hierdoor wordt immers een contractuele fictie in de plaats gesteld van het subjectief bewustzijn van de handelende persoon of partij ten aanzien van het risico op schade of verlies. Aldus wordt het subjectief bewustzijn als criterium verlaten, wordt bij voorbaat en zonder feitenvaststelling overeengekomen dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, en wordt de op wederpartij van de vervoerder rustende bewijslast verminderd en aan de vervoerder zelfs de mogelijkheid van tegenbewijs ontnomen. Dit past niet bij de door de verdragsopstellers beoogde uniforme toepassing van (de regeling omtrent vervoerdersaansprakelijkheid in) het CMR-verdrag.

6.31.

Het voorgaande betekent dat artikel VI sub B onder 2 van de raamovereenkomst nietig is op grond van artikel 41 CMR en niet kan leiden tot doorbreking van de beperkte aansprakelijkheid van Kleijn.

6.32.

Nu aan deze bepaling geen werking toekomt, moet worden beoordeeld of de over de toedracht van de ladingdiefstal gestelde feiten en omstandigheden overigens kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van bewuste roekeloosheid als bedoeld in r.o. 6.27 c.q. van aan opzet gelijk te stellen schuld als bedoeld in artikel 29 CMR.

Niet gebleken is dat zich feitelijk de situatie voordeed dat het risico dat de lading zou worden gestolen of beschadigd groter was dan het risico dat deze niet zou worden gestolen of beschadigd. Nu aan deze objectieve voorwaarde niet is voldaan komt de rechtbank aan beoordeling van het subjectieve bewustzijn van de vervoerder Kleijn, waarover overigens niets is gesteld of gebleken, niet toe.

6.33.

De conclusie is dat Kleijn een beroep op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 23 lid 3 CMR toekomt en dat de verklaring voor recht hierover zal worden toegewezen als in het dictum vermeld.

proceskosten

6.34.

Tot slot moet worden geoordeeld over de proceskosten.

6.35.

Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe hebben verstek laten gaan zodat alleen het griffierecht en de kosten van de dagvaarding hun aangaan. Bij de verdere stappen in de procedure waren zij niet betrokken. Jegens hen treft (alleen) de meer subsidiaire vordering van Kleijn doel. Zij zijn als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen. Dat de vorderingen van de andere eiseressen jegens hen worden afgewezen, leidt niet tot een ander oordeel nu deze vorderingen voor Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe geen aanleiding zijn geweest om kosten voor verweer te maken. De rechtbank zal hen, gelet op hun kennelijke onderlinge verbondenheid, voor wat betreft de kostentoerekening gezamenlijk als één partij beschouwen.

Aan hen gezamenlijk wordt één derde deel van het door Kleijn c.s. betaalde griffierecht (dus één derde gedeelte van € 619, dat is € 206,33) toegerekend.

De kosten van de dagvaardingen zijn in alle overgelegde dagvaardingen op identieke wijze weergegeven: “€ 111,13 ex P.M.-post [-] € 77,84 + € 14,00 (2x KvK) + € 19,29 (BTW) + P.M. (aantekenen) = € 111,13”. Hieruit maakt de rechtbank, nu niet voor iedere gedaagde kosten voor uittreksels uit de kamer van koophandel of aangetekende post behoefden te worden gemaakt en aanknopingspunten voor een ander oordeel ontbreken, op dat dit de totale kosten van alle dagvaardingen betreft. Nu de p.m. post niet nader is gespecificeerd zal één derde deel van € 111,13, dus € 37,04, aan Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe gezamenlijk worden toegerekend.

Zij zullen dus worden veroordeeld tot betaling van € 243,37 (€ 206,33 + € 37,04). Ook de nakosten komen, als gevorderd en niet bestreden, voor toewijzing in aanmerking.

6.36.

Ook K Line Nederland en Kawasaki, die gezamenlijk verweer hebben gevoerd, worden samen als één partij beschouwd. Omdat Kleijn c.s. enerzijds en K Line en Kawasaki anderzijds over en weer in het ongelijk zijn gesteld, waarbij alle vorderingen van drie van de vier eiseressen alsook twee van de drie hoofdvorderingen van Kleijn worden verworpen maar het contractuele verweer van K Line Nederland en Kawasaki het aanhangig maken van een procedure wel redelijkerwijs noodzakelijk maakte, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen deze partijen te compenseren. Iedere partij draagt dus de eigen kosten.

6.37.

Alle vorderingen tegen Yusen, die met een eigen advocaat verweer heeft gevoerd, zullen worden afgewezen. Kleijn c.s. zal als in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Yusen. De kosten aan de zijde van Yusen worden begroot op € 1.523 (€ 619 voor door Yusen betaald griffierecht en € 904 voor salaris advocaat (2 punten à € 452)). De eveneens gevorderde nakosten en de over alle proceskosten gevorderde rente zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

in voorwaardelijke reconventie

6.38.

K Line Nederland en Kawasaki hebben ieder een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld tegen (ieder van) Kleijn c.s. Uit de conclusie van eis en de ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de vorderingen zijn ingesteld onder de voorwaarde dat K Line Nederland respectievelijk Kawasaki aansprakelijk mocht zijn (Kawasaki jegens Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation en Mitsubishi Electric Europe, K Line Nederland jegens Kawasaki) en schade heeft vergoed.

Gesteld noch gebleken is dat deze voorwaarde is vervuld. K Line Nederland en Kawasaki hebben slechts gesteld dat Kawasaki door ladingbelanghebbende aansprakelijk is gesteld, dat Kawasaki op grond van cognossementscondities aansprakelijk zou kunnen zijn en dat nog geen procedure is gestart. Dat is onvoldoende om de voorwaarde waaronder de vorderingen in reconventie zijn ingesteld vervuld te achten. De vorderingen gelden daarom als niet ingesteld en de rechtbank komt niet toe aan beoordeling ervan.

en voorts in de zaak 16-299

in conventie

6.39.

Nu tussen Kleijn c.s. en K Line Europe vast staat dat K Line Nederland als agent van Kawasaki de vervoerovereenkomst heeft gesloten, moet de vordering tegen K Line Europe worden afgewezen. Deze vordering is immers ingesteld voor het geval dat K Line Nederland als agent van K Line Europe de vervoerovereenkomst heeft gesloten. Dit geval doet zich niet voor.

6.40.

Kleijn c.s. zal als in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van K Line Europe. Deze worden begroot op € 1.523 (€ 619 voor griffierecht en € 904 voor salaris advocaat (2 punten à € 452)). De kosten in het voegingsincident zijn eerder gecompenseerd. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

in voorwaardelijke reconventie

6.41.

K Line Europe heeft een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld tegen (ieder van) Kleijn c.s. Uit de conclusie van eis en de ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de vorderingen zijn ingesteld onder de voorwaarde dat K Line Europe aansprakelijk mocht zijn (jegens Kawasaki) en schade heeft vergoed.

Gesteld noch gebleken is dat deze voorwaarde is vervuld. K Line Europe heeft slechts gesteld dat Kawasaki door ladingbelanghebbende aansprakelijk is gesteld, dat Kawasaki op grond van cognossementscondities aansprakelijk zou kunnen zijn en dat nog geen procedure is gestart. Dat is onvoldoende. De vordering geldt daarom als niet ingesteld en de rechtbank komt niet toe aan beoordeling ervan.

7 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 16-297 in conventie

7.1.

verklaart voor recht dat Kleijn jegens Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation, Mitsubishi Electric Europe, K Line Nederland en Kawasaki niet verder aansprakelijk is dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex artikel 23 CMR van 8,33 SDR per beschadigd kilogram brutogewicht,

7.2.

wijst af de vorderingen van Kleijn jegens Yusen;

7.3.

wijst af de vorderingen van Amlin, Reaal en Klaus Kammann;

7.4.

veroordeelt Mitsubishi Electric Logistics, Mitsubishi Electric Corporation en Mitsubishi Electric Europe in de kosten van de procedure aan de zijde van Kleijn c.s., tot aan deze uitspraak begroot op € 243,37, te vermeerderen met de nakosten, te begroten op € 131 zonder betekening, te vermeerderen met een bedrag van € 68 indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,

7.5.

compenseert de kosten tussen Kleijn c.s. enerzijds en K Line Nederland en Kawasaki anderzijds, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.6.

veroordeelt Kleijn c.s. in de kosten van de procedure aan de zijde van Yusen, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.523, te vermeerderen met de nakosten - te begroten op € 131 zonder betekening, te vermeerderen met een bedrag van € 68 indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - en met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van de proceskosten en de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 16-299 in conventie

7.8.

wijst af de vorderingen van Kleijn c.s.,

7.9.

veroordeelt Kleijn c.s. in de kosten van de procedure aan de zijde van K Line Europe, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.523, te vermeerderen met de nakosten, te begroten op € 131 zonder betekening, te vermeerderen met een bedrag van € 68 indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,

7.10.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr C. Sikkel en mr. I. Koning en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.

1885/1573/2950