Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2732

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
10/660553-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1. opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;3 subsidiair: mishandeling; 4. mishandeling; 5. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660553-17

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.L. Catsman, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de feiten op de tenlastelegging genummerd zijn:

“1, 3, 4 en 5”. De rechtbank houdt in dit vonnis deze nummering aan.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht het advies van de psycholoog en de reclassering over te nemen en de verdachte te berechten op grond van het jeugdstrafrecht.

De officier van justitie mr. E.M. Harbers heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie van 70 dagen, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering en dat zij zich onder ambulante behandeling zal stellen bij Parnassia.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van medeplegen zodat de verdachte van deze strafverzwarende omstandigheid dient te worden vrijgesproken. Verder is vrijspraak bepleit van de onder 4 ten laste gelegde delictsbestanddelen “meermalen” en “het hoofd en/of het lichaam” en van het onder 5 ten laste gelegde feit. Voor wat betreft dit laatste is aangevoerd dat de verdachte het feit ontkent en medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat zij niet heeft gehoord dat de aangeefster is bedreigd door de verdachte. Volgens [naam medeverdachte] heeft de verdachte namelijk gezegd “zweer je het op [naam] ”. Dit is geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht die ook niet als zodanig kan worden begrepen.

4.2.2.

Beoordeling

Uit de inhoud van het dossier is het volgende gebleken.

Feit 1

In de nacht van 14 op 15 oktober 2017 is de aangeefster bij de verdachte en [naam medeverdachte] , in de auto gestapt om samen uit te gaan. De verdachte reed en de aangeefster zat op de achterbank. In de auto is er een heftige ruzie ontstaan tussen de verdachte en de aangeefster, waarbij in ieder geval de verdachte zich verbaal agressief heeft geuit naar de aangeefster. Op een gegeven moment wilde de aangeefster de auto verlaten. Zij heeft hier een paar keer om gevraagd, maar zij kreeg daartoe van de verdachte geen gelegenheid. Integendeel, de verdachte is, terwijl de ruzie tussen haar en de aangeefster in alle hevigheid voortduurde, juist harder gaan rijden. [naam medeverdachte] heeft daarover verklaard dat ook zij vond dat de verdachte te hard reed en dat dit ook haar beangstigde. De aangeefster zag zich door deze situatie genoodzaakt om, met gevaar voor eigen leven, uit de rijdende auto te springen (daartoe aangemoedigd door de verdachte).

De rechtbank komt gelet het voorgaande tot het oordeel de verdachte de aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Dat de verdachte dit in nauwe en bewuste samenwerking met [naam medeverdachte] heeft gedaan, kan echter niet in voldoende mate worden vastgesteld. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van medeplegen.

Feit 3 en feit 4

Nadat de aangeefster uit de auto was gesprongen, is de verdachte gestopt, uitgestapt en naar de aangeefster toegelopen. In plaats dat de verdachte zich over de aangeefster ontfermde, is zij opnieuw de confrontatie met haar aangegaan. De verdachte heeft de aangeefster vervolgens in haar gezicht geslagen. Hierna hebben de verdachte en [naam medeverdachte] de aangeefster toch weten te bewegen om opnieuw bij hen in de auto te stappen. De verdachte is daarna naar een rustige plek gereden, heeft de auto stilgezet en is op de achterbank naast de aangeefsters gaan zitten. Zij heeft, aldus de aangifte, de keel van de aangeefster toen zo hard dichtgeknepen dat de aangeefster sterretjes zagDit vindt niet alleen steun in de verklaring van de forensisch arts die letsel heeft geconstateerd dat past bij het bij de door de aangeefster geschetste toedracht, maar ook in de verklaring van [naam medeverdachte] . Zij heeft namelijk verklaard dat zij de aangeefster heeft horen zeggen dat zij sterretjes zag. Gelet hierop acht de rechtbank het onder 3 subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. Dit geldt ook voor het onder 4 tenlastegelegde. Door de verdachte is namelijk bekend dat zij in ieder geval de aangeefster een keer met haar vuist in het gezicht heeft geslagen en [naam medeverdachte] heeft verklaard over een klap op een ander moment..

Feit 5

De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar op verschillende momenten heeft bedreigd. Door de verdachte is dit ontkend. Zij heeft wel op de terechtzitting van 7 februari 2018 verklaard dat zij niet wilde dat de aangeefster aan anderen zou vertellen wat die nacht was gebeurd en dat de aangeefster daarom moest zweren dat zij het aan niemand zou vertellen. Dit sluit aan bij de verklaring van [naam medeverdachte] dat de aangeefster “moest zweren op [naam] ” en dat zij begreep dat de verdachte daarmee bedoelde dat zij [naam] , het kind van de zus van de aangeefster, anders iets aan zou doen. Deze verklaring biedt weer steun aan die van de aangeefster, namelijk dat door de verdachte tegen haar is gezegd: “Als je iets vertelt aan iemand dan kom ik de volgende keer niet onbewapend, als je iemand iets vertelt dan doe ik je zus/de baby van je zus en je moeder iets aan.”

In het voorgaande wordt aanleiding gezien om uit te gaan van de juistheid van de verklaring van de aangeefster en de in de aangifte weergegeven bedreigingen door de verdachte. Gelet hierop kan kunnen dan ook alle onder 5 ten laste opgenomen bedreigingen worden bewezenverklaard.

4.2.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij op 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door

- met de auto, waarin die [naam slachtoffer] als passagier zat, tegen de wil van die [naam slachtoffer] met hoge snelheid weg te rijden en

- ( voorafgaande aan het rijden) die [naam slachtoffer] meermalen (met kracht) te slaan en

- tegen die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen “Ik wil nog niet stoppen en ik ben er nog niet klaar mee”, althans woorden van gelijke strekking en aard.

3. subsidiair

zij op 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht) de keel van die [naam slachtoffer] dicht te knijpen;

4.

zij op 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in

Nederland,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, (met kracht) in het gezicht van die [naam slachtoffer] te slaan;

5.

zij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [naam slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen

- " Ik kan je laten verdwijnen hè, niemand kan jou hier vinden. Ik kan je laten

verdrinken in dat water daar, ik kan je lichaam gewoon dumpen." en

- " Als je iets vertelt aan iemand dan kom ik de volgende keer niet onbewapend.

Als je iemand iets vertelt dan doe ik je zus en je moeder iets aan. Ik ga het kind van je zus doodmaken en ik zal je zus en moeder ook doodmaken als je iets gaat vertellen." en

- " Ik ga jou doodmaken als je naar de politie gaat.",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

3 subsidiair

mishandeling;

4

mishandeling;

5

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de ontvoering, mishandeling en bedreiging van het slachtoffer. De verdachte is als bestuurder van een auto waarin het slachtoffer op dat moment zat heel hard gaan rijden. Zij heeft ruzie gemaakt met het slachtoffer en heeft de auto niet willen stoppen op het moment dat het slachtoffer de auto wilde verlaten. Het slachtoffer heeft in dusdanige angst verkeerd dat zij zich genoodzaakt voelde om uit de rijdende auto te springen. Hierbij heeft zij ook verwondingen opgelopen. Nadat het slachtoffer weer in de auto is gaan zitten, heeft de verdachte op een bepaald moment de auto gestopt en is op de achterbank bij het slachtoffer is gaan zitten. Tijdens die ruzie op de achterbank van de auto heeft de verdachte het slachtoffer haar keel dichtgeknepen. De verdachte heeft de aangeefster onder andere met de dood bedreigd als zij het aan iemand zou vertellen. Dit alles moet voor het slachtoffer een angstige en vernederende ervaring zijn geweest. Zelfs de beste vriendin van de verdachte die bij het gebeuren aanwezig was en daarvan getuige is geweest heeft verklaard dat zij erg bang is geweest en dat zij geschokt was door hetgeen er op dat moment gebeurde.

De verdachte heeft door het plegen van deze feiten blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de gezondheid en het welzijn van het slachtoffer. Het zijn ernstige feiten die de verdachte flink worden aangerekend.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

- Drs. L. Heukelom, GZ-psycholoog heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 2 februari 2018. Dit rapport houdt – kort gezegd – het volgende in.

De verdachte is een jongvolwassen vrouw die is opgegroeid in een onveilige thuissituatie en al op jonge leeftijd werd geconfronteerd met traumatische ervaringen. Dit is van negatieve invloed geweest op haar algehele (persoonlijkheids)ontwikkeling. De problematiek die daaruit voortkomt is van negatieve invloed op de manier waarop zij zich in de samenleving staande houdt en de manier waarop zij omgaat met conflictsituaties. In het kader van een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling van de verdachte wordt geadviseerd om een psychotherapeutische behandeling onder andere gericht op emotie- en agressieregulatie en het verwerken van de traumatische gebeurtenissen in het verleden te volgen. Deze behandeling, die geboden kan worden door een instelling zoals de Jutters of Parnassia, wordt geadviseerd binnen het kader van een jeugdreclasseringsmaatregel met een (deels) voorwaardelijk strafdeel, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard. Verwacht wordt dat de geadviseerde hulp van de grond kan komen in een duidelijk kader, waarin toezicht, duidelijkheid en structuur voor onderzochte wordt geboden. Het uiteindelijke doel is dat de verdachte zich zodanig verder ontwikkelt dat zij zelfstandig kan gaan wonen.

Op basis van huidig onderzoek wordt er derhalve gepleit voor het toepassen van het jeugdstrafrecht boven het volwassenstrafrecht.

Alles overziend en op basis van de klinische indruk kan in algemene zin gesproken

worden van een matig verhoogd recidiverisico op gewelddadig gedrag zonder inzet van begeleiding en/of behandeling.

- Reclassering Nederland heeft een beknopt advies over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 februari 2018. Dit rapport houdt – kort gezegd – het volgende in.

Voorgesteld wordt om bij een veroordeling tot een voorwaardelijk strafdeel, een toezicht op bijzondere voorwaarden op te leggen waarbij de verdachte zo snel mogelijk psychotherapeutische behandeling ondergaat. De verdachte zal vanuit de jeugdreclassering voor behandeling worden aangemeld.

Op basis van de conclusies uit het Pro Justitiaonderzoek onderschrijft de reclassering de indicatie tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Hierbij wordt verwezen naar de beargumentering in het Pro Justitiarapport. Geadviseerd wordt het toezicht te laten uitvoeren door de jeugdreclassering, te weten Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing jeugdstrafrecht

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht geeft de rechtbank de mogelijkheid om ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbare feit wel al de leeftijd van 18 jaren maar nog niet de leeftijd van 23 jaren heeft bereikt, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77 hh van het Wetboek van Strafrecht. Uitgangspunt blijft dat ten aanzien van deze leeftijdsgroep het strafrecht voor volwassenen van toepassing is en dat toepassing van het jeugdstrafrecht een uitzondering is.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de psycholoog en de reclassering met betrekking tot het toepassen van het jeugdstrafrecht. Gelet hierop is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat er voldoende gronden zijn om recht te doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van de reeds door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Er wordt geen aanleiding gezien voor oplegging van een langer onvoorwaardelijk strafdeel omdat dat zou betekenen dat de verdachte terug zou moeten naar de gevangenis.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan de verdachte tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er niet alleen toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, maar de voorwaarden zijn ook van belang gelet op de noodzaak tot begeleiding en behandeling van de verdachte. Als bijzondere voorwaarden zal onder meer worden opgelegd dat de verdachte zich onder behandeling zal stellen van Parnassia of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van70 dagen;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 27 (zevenentwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland/Jeugdreclassering

(Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond), zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen bij Parnassia of een instelling voor soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering, waarbij zij zich dient te houden aan de aanwijzingen die door of namens die instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft aan Jeugdreclassering (Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond) opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 43 dagen, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd

en/of beroofd gehouden, door

- met de auto, waarin die [naam slachtoffer] als passagier zat, tegen de wil van die [naam slachtoffer]

met hoge snelheid weg te rijden en/of

- (voorafgaande aan het rijden) die [naam slachtoffer] meermalen (met kracht) te stompen en/of te slaan en/of

- die [naam slachtoffer] op te dragen weer in de auto te stappen, omdat die [naam slachtoffer] anders in

de kofferbak ging;

- tegen die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen “Ik wil nog niet stoppen en ik ben er nog niet klaar mee”, althans woorden van gelijke strekking en/of aard.

(artikel 282/47 Wetboek van Strafrecht)

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in

Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet

meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) de keel van die [naam slachtoffer] heeft

dichtgeknepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/45 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

zij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in

Nederland, [naam slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht) de keel van die [naam slachtoffer] dicht te knijpen;

(artikel 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

zij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in

Nederland,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld

door

meermalen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) in/op/tegen het gezicht

en/of het hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer] te stompen en/of te slaan;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

zij op of omstreeks 14 oktober 2017 te Capelle aan den IJssel, althans in

Nederland,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [naam slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen

- " Ik kan je laten verdwijnen hè, niemand kan jou hier vinden. Ik kan je laten

verdrinken in dat water daar, ik kan je lichaam gewoon dumpen." en/of

- " Als je iets vertelt aan iemand dan kom ik de volgende keer niet onbewapend.

Als je iemand iets vertelt dan doe ik je zus en je moeder iets aan. Ik ga

het kind van je zus doodmaken en ik zal je zus en moeder ook doodmaken als

je iets gaat vertellen." en/of

- " Ik ga jou doodmaken als je naar de politie gaat.",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht