Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2730

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
10/210763-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk hond als wapen ingezet met de bedoeling dat de hond de aangever ook daadwerkelijk zou bijten. Forse bijtwonden; zwaar lichamelijk letsel. Tenminste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat de aangever dit zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verbeurdverklaring hond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/210763-17

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

wonend op het adres: [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Harbers heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde een verbod op het houden en trainen van honden;

  • -

    veroordeling tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 180 uren en bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis;

  • -

    verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen hond.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en dat de verdachte bovendien geen opzet – ook niet in voorwaardelijk zin – heeft gehad op het toebrengen van (zwaar lichamelijk) letsel. Hieruit volgt, aldus de verdediging, dat voor geen van de tenlastegelegde varianten tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

4.1.2.

Beoordeling

Uit de inhoud van het dossier is het volgende gebleken.

De verdachte heeft zowel bij de politie als op de terechtzitting bekend dat hij de feitelijke gedraging die hem ten laste is gelegd heeft gepleegd. Hij heeft verklaard dat hij, toen hij de aangever zag op 20 oktober 2017 in de hal van de torenflat aan de [plaats delict] te Gorinchem, zijn hond ‘ [naam hond] ’ het commando ‘stellen’ heeft gegeven. Daarmee heeft hij de bedoeling gehad dat zijn hond de aangever een zogenoemde duwbeet zou geven. Hij heeft verder verklaard dat de hond zo door hem is afgericht dat hij goed onder zijn appel staat en onmiddellijk de opdrachten uitvoert die hij krijgt. De hond is afgericht om op dit commando te reageren door gericht naar een arm of been te bijten. De hond laat pas los wanneer hij daartoe van de verdachte het commando krijgt. Wanneer, aldus nog steeds de verdachte, degene die door de hond wordt gebeten niet volledig stil blijft staan, zal de hond doorgaan met bijten.

Van het incident zijn camerabeelden beschikbaar die door de politie zijn uitgekeken. De politie heeft op die beelden waargenomen dat de hond direct gevolg heeft gegeven aan het commando van de verdachte en de aangever in zijn rechter bovenbeen heeft gebeten. De politie ziet verder dat de hond het been van de aangever met zijn bek vasthoudt en dat hij zijn kop daarbij heen en weer schudt. De aangever komt hierdoor ten val en spartelt. De hond blijft, zo wordt gerelateerd in het proces-verbaal, de aangever op verschillende plekken bijten totdat de verdachte de hond van de aangever aftrekt.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande bewezen dat de verdachte opzettelijk zijn hond als wapen heeft ingezet met de bedoeling dat de hond de aangever ook daadwerkelijk zou bijten. De aangever heeft als gevolg van de aanval van de hond meerdere forse bijtwonden opgelopen. Uit de FARR-verklaring blijkt dat de grootste wond een doorsnede van tien centimeter had. De aangever heeft in ieder geval blijvende littekens overgehouden aan de bijtwonden. De rechtbank merkt dit letsel aan als zwaar lichamelijk letsel. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank tenminste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard, dat de aangever dit zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Conclusie

Het verweer van de verdediging wordt verworpen en de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 20 oktober 2017 te Gorinchem aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer (open) bijtwonden, heeft

toegebracht door zijn hond " [naam hond] " het commando "Stellen" te

geven, waardoor die " [naam hond] " (vervolgens) meermalen, in het

been van die [naam slachtoffer] heeft gebeten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

primair:

zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

.

De verdachte heeft zonder noodzaak zijn getrainde Mechelse herder op de aangever afgestuurd met zwaar lichamelijk letsel bij hem tot gevolg. Met dit buitensporige gedrag heeft de verdachte er geen enkele blijk van gegeven ook maar enig respect te hebben gehad voor de gezondheid en het welzijn van de aangever. Door dat gedrag zijn niet alleen ernstige bijtwonden aan het bovenbeen toegebracht, maar ook heeft de aangever te kennen gegeven dat het voorval de nodige emotionele impact op hem heeft gehad. Dit alles wordt de verdachte stevig aangerekend.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is aanmerking genomen de ernst van het feit en het gemak waarmee de verdachte zonder enige reële aanleiding een hond als wapen heeft ingezet.. De verdachte heeft op de terechtzitting weliswaar spijt betuigd, maar hij heeft op de terechtzitting ook veelvuldig aandacht gevraagd voor de beweerdelijke overlast die de aangever voordien zou hebben veroorzaakt. In dat verband wordt opgemerkt dat, als dat al juist zou zijn ,dat ook dan onder geen beding een rechtvaardiging of verontschuldiging kan opleveren voor de handelwijze van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de hoogte van de straf verder aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten ten aanzien van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen. De rechtbank ziet, alles afwegend, geen aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. Daarbij wordt meegewogen dat de verdachte , zoals hierna zal worden overwogen, zijn hond niet meer terug zal krijgen, hetgeen hem zwaar zal vallen.

De voorwaardelijk gevangenisstraf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst nogmaals aan een dergelijk feit schuldig te maken. De rechtbank zal de verdachte niet de bijzondere voorwaarde opleggen dat hij geen honden meer mag houden c.q. africhten, omdat niet valt te verwachten dat de reclassering de naleving van deze voorwaarde adequaat zal kunnen controleren.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen hond, een Mechelse herder ( [beslagnummer] ) verbeurd te verklaren, in die zin dat zal worden bezien of de hond op verantwoorde wijze elders kan worden ondergebracht. Alleen wanneer er geen geschikte locatie voor de hond gevonden kan worden, zal de hond moeten worden geëuthanaseerd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft teruggave van de hond bepleit, omdat de hond niet eerder betrokken is geweest bij een bijtincident.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen hond vatbaar is voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat de hond aan de verdachte toebehoort en dat het bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van deze hond. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de hond als wapen is gebruikt. De verdachte heeft door zijn handelen laten zien dat hij niet op verantwoorde wijze kan omgaan met de hond. Deze conclusie wordt ook gedeeld door de deskundigen die de hond hebben onderzocht. Hoewel het verdriet van de verdachte om het verlies van zijn hond invoelbaar is, maakt die vaststelling de verdachte ongeschikt om (dergelijk getrainde) honden te houden. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank de inbeslaggenomen hond verbeurdverklaren.

9 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.076,54 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade deels voor toewijzing vatbaar is. Als vergoeding van materiële schade kan worden toegewezen:

€ 60,- voor een broek, € 186,44 betreffende medische kosten en € 25,67 aan reiskosten.

Ook de vergoeding van de proceskosten, een bedrag van € 290,-, kan worden toegewezen.

Het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade is ook voor toewijzing vatbaar met dien verstande dat het gevorderde bedrag dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.500,-. Ten aanzien van het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit zou komen, aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie, met dien verstande dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten moet worden afgewezen.

9.3.

Beoordeling

Materiële schade

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens te aanzien van:

€ 60,- (broek),

€ 186,44 (medische kosten)

€ 25,67 (reiskosten)

niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen..

Niet- ontvankelijk

De benadeelde partij zal ten aanzien van het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017.

Proceskosten

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 290,-.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.172,11 (€ 272,11, materiële schade en € 1.500 immateriële schade) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017 en proceskosten van € 290.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 33, 33a, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het feit:

Mechelse herdershond;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1. 772,11 (zegge: duizend zevenhonderd tweeënzeventig euro en elf eurocent), bestaande uit € 272,11, materiële schade en €1.500 immateriële schade,

te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten tot op heden op € 290,-;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen € 1.772,11 (zegge: duizend zevenhonderd tweeënzeventig euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.772,11 (zegge: duizend zevenhonderd tweeënzeventig euro en elf eurocent ), vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Smit, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en V.F. Milders, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 oktober 2017 te Gorinchem

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer (open) (bijt)wond(en), heeft

toegebracht door zijn hond " [naam hond] " de commando "Pak hem" en/of "Stellen" te

geven, waardoor die " [naam hond] " (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, in het

been van die [naam slachtoffer] heeft gebeten;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 oktober 2017 te Gorinchem

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

immers heeft hij, verdachte,

zijn hond " [naam hond] " de commando "Pak hem" en/of "Stellen" gegeven, waardoor

die " [naam hond] " (vervolgens) meermalen, althans eenmaal in het been van die [naam slachtoffer]

heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 oktober 2017 te Gorinchem

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door zijn hond " [naam hond] " de commando "Pak

hem" en/of "Stellen" te geven, waardoor die " [naam hond] " (vervolgens) meermalen,

althans eenmaal in het been van die [naam slachtoffer] heeft gebeten,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer open

(bijt)wond(en) ten gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht