Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2707

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
C/10/544593 / KG ZA 18-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Relatie lerares kunstschaatsvereniging met getrouwde vader van een leerling. Opzegging overeenkomst met lerares door vereniging.

Opdracht of duurovereenkomst voor onbepaalde tijd? Vordering wedertewerkstelling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/544593 / KG ZA 18-157

Vonnis in kort geding van 7 maart 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

handelend onder de naam

[bedrijf]

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P.S. Jonker te Rotterdam,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KUNSTRIJ EN IJSDANS VERENIGING DE DRECHTSTEDEN,

gevestigd te Maasdam, gemeente Binnenmaas,

gedaagde,

ter zitting verschenen in persoon bij monde van drie bestuursleden, waaronder de voorzitter ( [persoon 1] ) en bijgestaan door mr. P.H. Huth, rechtshulpverlener bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en DDD genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van DDD.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

DDD is opgericht in 1979. DDD verzorgt in de ijshal in Dordrecht lessen en trainingen in kunstschaatsen en ijsdansen aan volwassenen en kinderen vanaf 4 jaar.

2.2.

[eiseres] geeft reeds vele jaren binnen DDD en/ of in samenwerking met DDD, lessen en trainingen in kunstschaatsen en ijsdansen. Sinds medio 2006 bekleedt [eiseres] de functie van hoofdtrainster van DDD.

2.3.

De werkzaamheden van [eiseres] zijn thans gebaseerd op drie verschillende overeenkomsten en/ of samenwerkingsverbanden:

1) een mondelinge overeenkomst met DDD, op grond waarvan [eiseres] als ZZP’er (reguliere) lessen geeft aan leerlingen/ leden van DDD. [eiseres] ontvangt hiervoor van DDD een jaarlijkse vergoeding van ongeveer € 3.500,- inclusief btw.

2) een (niet overgelegde) overeenkomst, waarbij partijen zijn, of althans betrokken zijn: [eiseres] , DDD, de gemeente Dordrecht en de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond KNSB. Dit betreft ‘VTO’ (Vereniging Talentontwikkeling Kunstrijden). Doel is de ontwikkeling van kunstschaatstalenten tot wereldtopniveau. Bij de uitvoering van dit programma zijn, naast trainers als [eiseres] , betrokken een sportpsycholoog, een sportfysiotherapeut, een sportarts en een voedingsdeskundige. [eiseres] ontvangt haar honorarium rechtstreeks van de gemeente Dordrecht.

3) lessen die [eiseres] verzorgt in rechtstreekse opdracht van (ouders van) leerlingen/ leden van DDD. De ijshuur wordt dan door DDD en de lessen door [eiseres] elk rechtstreeks aan de leerlingen/ouders in rekening gebracht.

2.4.

De gemeente Dordrecht heeft [eiseres] in 2015 verkozen tot [sportprijs].

2.5.

[eiseres] heeft omstreeks december 2017 een amoureuze ontmoeting gehad met de vader van één van haar leerlingen. De echtgenote van deze vader is daar achter gekomen en zij heeft daarover een bericht verspreid in een groepsapp, gericht aan circa 60 ouders van leerlingen/ leden van DDD.

2.6.

Het bestuur van DDD heeft [eiseres] eerst op non-actief gesteld en vervolgens besloten om de samenwerking met [eiseres] per direct te beëindigen. Dit is mondeling aan [eiseres] medegedeeld op 11 januari 2018.

2.7.

[eiseres] heeft DDD verzocht om op het besluit terug te komen. De advocaat van [eiseres] heeft DDD daartoe gesommeerd, bij brief van 29 januari 2018. DDD is niet op haar besluit teruggekomen.

2.8.

Aan DDD/ VTO is verbonden [persoon 2] , als sportpsycholoog. In het kader van de onderhavige procedure heeft [persoon 2] een verklaring opgesteld, gedateerd 13 februari 2018. Daarin staat onder meer:

“In eerste instantie was de groep geschokt, maar vooral verontwaardigd omdat - in hun ogen - een pupil zwaar gekwetst was door hun trainster. Het belangrijkste punt dat unaniem naar voren kwam, was het beschamen van vertrouwen. De groep vroeg zich af, of dit geknakte vertrouwen ooit nog goed zou kunnen komen. Hierbij werd direct opgemerkt dat dit “nooit meer zal lukken”.

Inmiddels zijn we een maand verder; de rust in de groep is hersteld. De onderlinge band is nog sterker geworden. In de trainingen en in de wedstrijden is de focus herpakt. Het begeleidingsteam - de trainsters - hebben de werkzaamheden opgepakt, en de opgevallen “gaten” gevuld. De kinderen geven aan dat zij weer plezier kunnen hebben van de trainingen. [eiseres] wordt door hen niet gemist; al gaven zij wel aan, het “raar” te vinden, dat zij er niet meer bij is. Juist, omdat zij er altijd was. Tijdens de laatste bijeenkomst mentaal voor de DDD-groep (7 februari) is - op vraag van de rijders zelf - aandacht besteed aan het behouden van de juiste focus op het NK / andere wedstrijden. De angst leeft dat [eiseres] in de hal zou kunnen zijn.

Of het ooit goed komt tussen [eiseres] en de huidige DDD-groep: de tijd zal het leren. Op dit moment zijn de wonden nog vers. In de topsport leer je dat je voorzichtig met elke blessure - fysiek en mentaal - moet omgaan. Ik heb begrepen dat [eiseres] via een kort geding wil afdwingen deel te kunnen uitmaken van de begeleiding van de rijd(st)ers op het NK en de Challenge Cup. Dit betekent dat zij (dus) als hoofdtrainster aan de boarding zou mogen staan. Vanuit het standpunt van [eiseres] kan ik daar wel enig begrip voor opbrengen; echter, vanuit het standpunt van de rijd(st)ers helemaal niet. Het enige belang dat ik - als sportpsycholoog / mentaal begeleider - altijd voor ogen heb gehad, is het belang van het kind. Niet het belang van een bestuur, van ouders, zelfs niet van trainers of van de bond. Een in deze voor [eiseres] positief besluit, is een besluit tegen het kind, en staat daarbij haaks op het belang van het kind.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding geheel en al uitvoerbaar bij voorraad:

A. DDD te gelasten tot nakoming van de uit de tussen partijen gesloten duurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, zulks binnen twee dagen na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat DDD in gebreke zal blijven om aan dit vonnis te voldoen, zulks met een maximum van € 200.000,-,

B. DDD te veroordelen aan [eiseres] te betalen de kosten van deze procedure, met inbegrip van het salaris van de advocaat.

[eiseres] stelt daartoe het volgende.

3.2.

Tussen partijen is sprake van een mondelinge duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Opzegging van de overeenkomst is onterecht. [eiseres] heeft ook niet gewild wat er is gebeurd. et is haar ovekomen [eiseres] heeft inmiddels een stabiele relatie met de man in kwestie.

[eiseres] heeft een buitengewoon goede staat van dienst. Er is nooit eerder kritiek geweest op [eiseres] . [eiseres] heeft een voortrekkersrol binnen de vereniging. [eiseres] beschikt over veel expertise en statuur en zij is al 27 jaar actief binnen de vereniging. Indien wel mocht worden opgezegd zou een opzegtermijn van 24 maanden redelijk zijn geweest, maar er is geen opzegtermijn in acht genomen. [eiseres] is voor haar inkomsten volledig afhankelijk van het onderhavige werk. [eiseres] teert momenteel in op haar- geringe - vermogen. [eiseres] acht het niet (goed) mogelijk om haar werkzaamheden uit te oefenen op een andere ijsbaan in de regio. De dichtstbijzijnde ijsbaan is die in Den Haag of Zoetermeer. Dat is relatief ver weg en het is nog niet gezegd dat er aldaar werk voor [eiseres] is.

3.3.

DDD voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing met kostenveroordeling.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt in voldoende mate uit de stellingen van [eiseres] ; de betwisting is onvoldoende onderbouwd.

4.2.

Er kan een voorziening worden getroffen indien voldoende aannemelijk is dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de overeenkomst(en) met [eiseres] niet mocht(en) worden opgezegd, of althans niet mocht(en) worden opgezegd zonder inachtneming van een opzegtermijn.

4.3.

[eiseres] heeft ter zitting betoogd dat het besluit van het bestuur van DDD om tot opzegging over te gaan, niet rechtsgeldig is, omdat niet eerst een algemene ledenvergadering was gehouden en [eiseres] niet tevoren was gehoord. [eiseres] baseert deze stelling niet op de statuten van [eiseres] . De raadsman van [eiseres] erkende ter zitting desgevraagd dat hij van deze statuten (die overigens niet zijn overgelegd) geen kennis had genomen. Nu DDD weerspreekt dat de statuten voorschrijven dat er (eerst) een algemene ledenvergadering plaatsvindt gaat de voorzieningenrechter van de juistheid van dat, in het algemeen niet onaannemelijke, standpunt uit. Ervan uitgaande dat het hier een bevoegd met algemene stemmen genomen bestuursbesluit betreft zoals de voorzitter van het bestuur van DDD verklaart en de statuten geen schriftelijkheidsvereiste voorschrijven moet dat besluit voorshands als geldig worden aangemerkt.

[eiseres] baseerde haar stelling voorts op strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer zou hebben betaamd jegens [eiseres] , nu zij niet gehoord is, doch tevergeefs. [eiseres] was bekend met het beleid van DDD dat een relatie met een ouder niet geoorloofd was. Bovendien heeft DDD voorafgaand aan het nemen van het besluit een consultatieronde gehouden bij de overige trainers. Ook heeft [eiseres] , zo erkende zij ter zitting, nog gesproken met twee bestuursleden ( [persoon 1] en de [persoon 3] ) voordat zij op non-actief werd gesteld, zij het kort. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat [eiseres] in staat is geweest om haar kant van het verhaal te vertellen voordat zij op non-actief is gesteld, zodat hoor en wederhoor heeft kunnen plaats vinden. Ook in die zin gaat het voorshands om een geldig besluit.

4.4.

Bij de beoordeling van de materiele bezwaren tegen de verbreking van het contact tussen DDD en [eiseres] is van belang om vast te stellen wat voor soort overeenkomst (en) tussen partijen tot stand is/zijn gekomen. [eiseres] stelde in de dagvaarding dat het gaat om een niet schriftelijk vastgelegde duurovereenkomst, bestaande uit een overeenkomst van opdracht en een overeenkomst van samenwerking. Ter zitting bleek dat [eiseres] in drie verschillende verbanden (onder 2.3 van De feiten geciteerde) werkzaamheden op/in de door DDD geëxploiteerde ijsbaan verricht. Er is echter van geen van deze werkzaamheden/ verbanden een schriftelijke overeenkomst overgelegd. Of de gemeente Dordrecht en/of de KNSB mede partij zijn bij de onder 2) genoemde werkzaamheden, dan wel bijvoorbeeld slechts sponsor, is ook niet duidelijk geworden.

Wat hiervan echter ook zij, naar voorlopig oordeel kwalificeren de afspraken die ten grondslag liggen aan de werkzaamheden die [eiseres] verricht, voornamelijk als een overeenkomst van opdracht (zijnde een overeenkomst die specifiek wettelijk is geregeld). Er is immers, naar vast staat, geen sprake van een arbeidsovereenkomst en de prestatie waartoe [eiseres] zich heeft verplicht bestaat uit iets anders dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken artikel (7:400 lid 1 BW).

4.5.

Als sprake is van een overeenkomst van opdracht heeft het volgende te gelden.

4.6.

Ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW kan een opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen. Hierop stuit af het standpunt van [eiseres] dat niet opgezegd mocht worden.

4.7.

Hoogstens kan, onder omstandigheden, aangenomen worden dat een professionele opdrachtgever schadeplichtig is vanwege de opzegging. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de contractuele relatie van partijen en de algemene regels van boek 6 BW. De schadeplichtigheid van de opdrachtgever kan zijn gelegen in het niet in achtnemen van een opzegtermijn. De plicht om een opzegtermijn in acht te nemen kan tussen partijen zijn overeengekomen of uit de aard van de overeenkomst voortvloeien.

4.8.

De voorzieningenrechter acht in dit geval onvoldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat een opzegtermijn in acht had moeten worden genomen. Gesteld noch gebleken is dat een opzegtermijn is overeengekomen. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voorshands niet voort dat een opzegtermijn zou gelden in een geval als dit. Het gedrag dat [eiseres] heeft vertoond kon DDD in redelijkheid opvatten als strijdig met hetgeen zij van een trainer van deels jonge kinderen mocht verwachten. DDD heeft ter zitting aangevoerd dat circa zeven jaar geleden ook al eens een (andere) trainster “ontslagen” was omdat die trainster een relatie had met een vader van een leerling. DDD heeft er daarbij op gewezen dat dit haar vaste beleid is, dat dit beleid weliswaar niet op schrift is gesteld maar dat [eiseres] wel met dit beleid bekend was en dat [eiseres] zeven jaar geleden zelfs één van de drijvende krachten was bij het ontslag van deze andere trainster conform dit beleid. [eiseres] heeft dit standpunt van DDD niet weersproken. Integendeel, DDD heeft als haar productie 11 overgelegd een schriftelijke verklaring van [eiseres] , gericht aan de voorzitter van DDD. Uit deze verklaring valt af te leiden dat [eiseres] zelf ook wel weet dat zij heeft gehandeld in strijd met de regels van DDD. Daarin staat, onder (veel) meer: “Ik weet dat het er slecht voor me uitziet en straks alles voor me kapot is.

[eiseres] wist dus dat zij door de relatie het risico liep dat DDD haar op non-actief zou stellen. Dat het “haar overkomen” is doet aan haar verantwoordelijkheid voor haar eigen gedrag niet af; vast staat immers dat het aanvankelijk een amoureuze ontmoeting en vervolgens een seksuele relatie met wederzijdse instemming tussen twee volwassenen betrof.

Het staat een vereniging als DDD vrij om in het belang van de leerlingen dergelijke relaties onaanvaardbaar te vinden en daaraan consequenties te verbinden. Anders dan [eiseres] meent rechtvaardigt het beleid omtrent dergelijk gedrag niet slechts een korte “schorsing”, doch ook een definitieve opzegging.

4.9.

Een belangenafweging leidt niet tot een ander resultaat. Dit wordt als volgt toegelicht.

DDD stelt dat het voor het vertrouwen dat er moet zijn tussen leerling, ouder en trainer en dat DDD dient te waarborgen van belang is dat [eiseres] niet terugkeert. De (hiervoor geciteerde) verklaring van [persoon 2] maakt aannemelijk dat het belang van de vereniging er mee is gediend dat [eiseres] niet terugkeert. Onder de gedingstukken bevindt zich voorts een niet gering aantal verklaringen van andere trainers en van ouders. Deze verklaringen komen er op neer dat niet geaccepteerd zal worden dat [eiseres] nog terugkeert en dat anders (het risico bestaat dat) deze trainers en ouders, met hun kinderen, de vereniging de rug zullen toekeren. Definitieve zekerheid over de mate van draagvlak van [eiseres] binnen de vereniging kan in kort geding niet worden verkregen. Daarvoor zou bewijslevering nodig zijn en daartoe leent een kort geding procedure zich niet. Op basis van de thans beschikbare gegevens dient evenwel geconcludeerd worden dat [eiseres] onvoldoende vertrouwen geniet bij het overgrote deel van de vereniging.

4.10.

Voor zover [eiseres] bij een aantal ouders en/of trainers nog wel voldoende vertrouwen mocht genieten, dan betekent dat nog niet dat van DDD gevergd mag worden dat zij een gedeeltelijke leegloop dient te accepteren, van die ouders en/of trainers die niet instemmen met terugkeer van [eiseres] . DDD heeft ter zitting onweersproken verklaard dat twee kinderen met hun ouders hun lidmaatschap hebben opgezegd omdat zij bevriend zijn met, en partij kiezen voor [eiseres] . Dit aantal is echter veel geringer dan de personen die de zijde van DDD kiezen.

4.11.

Het belang van [eiseres] daartegenover weegt minder zwaar. [eiseres] kan op zichzelf overal in Nederland waar ijsbanen zijn werken als trainster. Zij kan zelfs elders leerlingen van DDD lesgeven. [eiseres] stelt dat zij niet elders in de regio, bij een andere ijsbaan, (makkelijk) dezelfde werkzaamheden zou kunnen uitoefenen. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd. Het is niet aannemelijk dat de reisafstand voor [eiseres] een serieus probleem oplevert. [eiseres] woont thans in [woonplaats] , maar DDD heeft onweersproken gesteld dat [eiseres] voorheen geruime tijd in [voormalige woonplaats] woonde en er toen geen bezwaar in zag om de reis naar Dordrecht te moeten maken om haar werkzaamheden uit te oefenen. Nergens blijkt uit dat de vraag naar kunstschaatstrainsters gering is. De voorzieningenrechter onderkent dat [eiseres] een nauwe en langdurige band heeft met het trainen van kunstschaatsers in Dordrecht, maar dat levert geen separaat belang op.

Overigens is onduidelijk of het onderhavige besluit inderdaad leidt tot het wegvallen van alle inkomsten van [eiseres] , die niet heel duidelijk zijn toegelicht en waarvan met name ook niet duidelijk is uit welke bron ze precies komen. Zelfs als dat het geval is is onvoldoende aannemelijk dat zij niet op andere wijze in haar levensonderhoud kan voorzien.

Voorts weegt mee dat deze situatie het gevolg is van de eigen keuze van [eiseres] om deze relatie met de getrouwde vader van een jonge leerling aan te gaan en deze man op de ijsbaan van DDD bij de lessen aan zijn zoon te ontmoeten; zij stelt wel (onderbouwd) dat zij de betrokken man gevraagd heeft om eerst thuis orde op zaken te stellen, maar toen hij dat niet deed heeft zij daaraan geen consequenties verbonden en met name de kwestie ook niet aan DDD voorgelegd. Dat valt haar aan te rekenen; daartoe is niet nodig dat juist is wat DDD stelt over het vervolgens op ongepaste wijze tekst en uitleg geven aan een aantal andere jonge leerlingen tijdens een les na het incident en evenmin dat waar is dat zich iets dergelijks eerder had voorgedaan, zodat die - door [eiseres] betwiste - aspecten onbesproken blijven.

4.12.

In het geval de overeenkomst van partijen geen overeenkomst van opdracht, maar een niet nader te duiden duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn, geldt het navolgende toetsingskader (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141): “Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

4.13.

In het licht van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat, ook in het geval de overeenkomst met [eiseres] een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn, deze overeenkomst opzegbaar was zonder dat een opzegtermijn in acht moest worden genomen. Met name is hierbij van belang dat er een zwaarwegende grond is, nu [eiseres] wist dat zij in strijd handelde met het beleid van DDD en dat zij dit beleid in het verleden zelf ook heeft uitgedragen. Voor het overige geldt hetgeen hiervoor ten aanzien van de overeenkomst van opdracht en de belangenafweging is overwogen hier evenzeer.

4.14.

Nu alleen DDD is gedagvaard kan de eventuele rol van andere mogelijke contractspartijen (zoals de gemeente Dordrecht) niet tot toewijzing van de vordering jegens hen leiden.

4.15.

Slotsom is derhalve dat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van DDD. Deze kosten worden begroot op € 1.034,-, zijnde € 408,- aan salaris advocaat (helft standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven, nu DDD niet werd vertegenwoordigd door een advocaat maar werd bijgestaan door een gemachtigde) en € 626,- aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van DDD, tot op heden begroot op € 1.034,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.1

1 2517/106