Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2625

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
10/690430-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690430-17

Datum uitspraak: 22 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. T.P. van der Eerden, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 februari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Verweren ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat er in het kader van het opsporingsonderzoek misbruik is gemaakt van een bevoegdheid tot binnentreden en dat er daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.) – namelijk kort gezegd schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van zuiverheid van oogmerk (détournement de pouvoir) -, hetgeen volgens de raadsman dient te leiden tot bewijsuitsluiting en mitsdien tot vrijspraak van de verdachte wegens gebrek aan bewijs.

De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Naar aanleiding van de poging tot overval op de [naam supermarkt] heeft een wijkagent de daarvan voorhanden camerabeelden bekeken. Hij meende op die beelden de verdachte als dader te herkennen.

De verdachte bleek gesignaleerd te staan voor het afstaan van DNA. Twee verbalisanten – niet de wijkagenten die deze taak normaliter zouden vervullen, maar leden van het team dat belast was met het onderzoek naar de overval - zijn naar de woning van de verdachte gegaan om hem voor het afstaan van DNA aan te houden. Tegelijkertijd echter zijn zij geïnstrueerd om in de woning zoekend rond te kijken naar de kleding die de dader ten tijde van de poging tot overval droeg. De verbalisanten hebben daartoe de camerabeelden van de overval goed bestudeerd om te zien welke kleding de dader droeg.

Toen de verbalisanten op 6 oktober 2017 bij de woning waar de verdachte verbleef te kennen werd gegeven dat de verdachte niet aanwezig was, werd door een minderjarig persoon (17 jaar) die daar niet woonachtig was, toestemming verleend om de woning te betreden. Daarbij is door verbalisanten niet vermeld dat het doel van het binnentreden (mede) was gelegen in de tegen de verdachte bestaande verdenking.

In de slaapkamer van de verdachte zag een verbalisant soortgelijke schoenen als de dader droeg, diverse petten en aan de waslijn een soortgelijke trui met capuchon.

Vervolgens is bij een daarop volgende doorzoeking door de rechter-commissaris op
24 oktober 2017 een paar schoenen, een pet, een trui en een koffertje met knalpatronen in beslag genomen.

De resultaten van die doorzoeking dienen als gevolg van het onrechtmatig handelen van de politie te worden uitgesloten van het bewijs.

Ten aanzien van feit 2
Om dezelfde redenen als hiervoor aangevoerd dienen de aangetroffen knalpatronen te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verklaring die de verdachte op 28 oktober 2017 bij de politie heeft afgelegd (voor zover die ziet op de verdenking onder feit 2) dient te worden uitgesloten van het bewijs gelet op de zogenoemde Salduz-jurisprudentie.

De verdachte is aangehouden wegens de verdenking van poging tot diefstal met geweld/bedreiging met geweld en/of afpersing met geweld dan wel bedreiging met geweld. In voornoemd verhoor is de verdachte bevraagd over een nieuw strafbaar feit, te weten het feit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (in dit geval voorhanden hebben van munitie). De verdachte had voor dit feit opnieuw moeten worden gewezen op zijn recht op consultatiebijstand, temeer omdat de raadsman het verhoor op dat moment reeds had verlaten.

4.1.2.

Beoordeling

Détournement de pouvoir

Wat er ook gezegd kan worden over het optreden van de politie op 6 oktober 2017, uit het ‘proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming’ van 16 oktober 2017 valt af te leiden dat de bevindingen van de politie na het betreden van de woning van verdachte op die datum niet zijn meegenomen ter onderbouwing van de door het Openbaar Ministerie gedane vordering doorzoeking ter inbeslagneming. De rechter-commissaris heeft zijn beslissing om tot die doorzoeking over te gaan dus kennelijk niet (mede) gebaseerd op hetgeen verbalisanten op 6 oktober 2017 in de woning hebben aangetroffen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen grond is om de als resultaten van de doorzoeking door de rechter-commissaris op 24 oktober 2017 in beslag genomen kleding (sweater, pet en schoenen) en doosje met knalpatronen niet behoeven uit te sluiten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Salduz

Hoewel niet is geverbaliseerd dat de raadsman op enig moment is vertrokken tijdens het verhoor van de verdachte op 28 oktober 2017, wil de rechtbank - met de officier van justitie - aannemen dat het zo is gegaan als de raadsman heeft betoogd. De rechtbank is in het licht van de Salduz-jurisprudentie van oordeel dat de verklaring van de verdachte, voor zover die ziet op de verdenking ten aanzien van feit 2, uitgesloten dient te worden van het bewijs. Voor deze nieuwe verdenking was de verdachte niet aangehouden en hem is niet opnieuw gewezen op het recht op consultatiebijstand.

4.2.

Vrijspraak feit 1

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat op basis van de herkenning van verbalisant [naam verbalisant] en de bij de doorzoeking gevonden schoenen, pet en trui (die grote gelijkenissen vertonen met de kleding van de dader) en een bij die doorzoeking mede aangetroffen wapenkoffertje het niet anders kan zijn dat de verdachte dezelfde persoon is als op de camerabeelden van de poging tot overval in de [naam supermarkt] . De officier van justitie is van mening dat de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2] – die verdachte een alibi lijken te verschaffen - ongeloofwaardig zijn.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Verbalisant [naam verbalisant] heeft een drietal foto’s bekeken van de dader van de poging tot overval en dacht daarbij aan de verdachte. De verdachte komt volgens de verbalisant overeen met de afgebeelde persoon wat betreft zijn lengte, smal postuur, neus, mond, snorretje en vorm van het gezicht. De verbalisant kon door de gedragen zonnebril, pet en capuchon de verdachte echter niet voor 100% herkennen.

Weliswaar is er enig steunbewijs in de vorm van de bij de verdachte aangetroffen schoenen, pet en trui die (enige) overeenkomsten vertonen met de schoenen, pet en trui van de dader, en is het feit dat een wapenkoffertje en knalpatronen zijn aangetroffen een aanwijzing dat verdachte op enig moment heeft beschikt over een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), maar dat levert bij elkaar genomen in onvoldoende mate bewijs op basis waarvan gezegd kan worden dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte deze feiten heeft begaan. De diverse getuigenverklaringen omtrent de aan/afwezigheid van de verdachte bij het wijkcentrum werpen geen ander licht op de zaak.

4.3.

Bewijswaardering feit 2

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet uit te sluiten is dat de aangetroffen knalpatronen aan een van de andere bewoners toebehoorden en dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte wetenschap had van de knalpatronen.

4.3.2.

Beoordeling

Volgens vaste rechtspraak is bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte op goede gronden kan worden verweten goederen als wapens en/of munitie opzettelijk voorhanden te hebben gehad, van belang of de verdachte zich van de aanwezigheid in meerdere of mindere mate bewust is of moet zijn geweest.

Vast staat dat de munitie is aangetroffen in een kledingkast in de slaapkamer van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, doordat hij toegang had tot de kledingkast en daar ook zijn kleding lag, wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over de munitie die daar in de kast lag.

4.3.3.

Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde zal wettig en overtuigend worden bewezen verklaard.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 24 oktober 2017 te Rotterdam voorhanden heeft gehad 42 knalpatronen (kaliber 8mm), zijnde munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft munitie van categorie III, in dit geval 42 knalpatronen, voorhanden gehad.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 februari 2018. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en/of maatregel passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 1, 2 en 3 vermeld op de beslaglijst terug te geven aan de verdachte. De rechtbank hoeft geen beslissing te geven ten aanzien van het geldbedrag onder 4 vermeld, nu dit geldbedrag reeds is teruggegeven aan de vader van de verdachte.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte verzocht om de onder 1, 2 en 3 op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan de verdachte.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen (pet, schoenen en trui) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.800,-- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte voor feit 1 wordt vrijgesproken en aan hem in verband met dat feit dus geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht evenmin toepassing zal vinden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zal deze worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:
1) 1 STK Pet, Vans

2) 1 PA schoenen, kleur zwart, ADIDAS

3) 1 STK kleding, kleur grijs, FILA trui;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. P. Putters en W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 februari 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 september 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een gelbedrag,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam supermarkt] (gelegen aan de [plaats delict] ), in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

[naam slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk

geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam supermarkt] (gelegen aan de [plaats delict] ), in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (meermalen)

- de winkel heeft betreden en of genoemde (kassiere) [naam slachtoffer] heeft benaderd

en/of

- een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, heeft

getoond aan en/of gericht op die [naam slachtoffer] en/of

- ( met) dat/een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend

voorwerp, heeft doorgeladen in de nabijheid van die [naam slachtoffer] , althans een op

doorladen gelijkende beweging heeft gemaakt, en/of

- met dat/een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend

voorwerp, op de kassalade heeft geslagen/getikt en/of

- tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd/geroepen: "Geld!",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2017 te Rotterdam

voorhanden heeft gehad 42 knalpatronen (kaliber 8mm), in elk geval munitie in

de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III;