Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2621

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
01-04-2018
Zaaknummer
16.516 RK
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek omzetting faillissement naar wsnp NO o.g.v. art. 15b lid 1 Fw.

Overweging ten overvloede, geen toelating vanwege niet te goeder trouw. Administratie niet op orde en belastingschuld. Vertrouwen op boekhouder ontslaat ondernemer niet van zijn verantwoordelijkheid.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 15b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 23 maart 2018

[naam] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker,

curator: mr. J.P. Uittenbroek.

1 De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op 27 september 2016 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Verzoeker en de curator zijn gehoord ter terechtzitting van 15 maart 2018.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Bij brief van 20 november 2017 heeft de curator positief geadviseerd ten aanzien van het verzoek. Met betrekking tot de ontvankelijkheid heeft de curator bericht dat verzoeker slecht Nederlands spreekt en schrijft waardoor verzoeker niet begrepen heeft dat hij binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid Fw een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling had moeten indienen. Ondanks dat de curator heeft geconstateerd dat de administratie van de onderneming van gefailleerde een rommelige en incomplete indruk maakt, waardoor niet eenvoudig de rechten en plichten van de onderneming worden gekend, heeft hij positief geadviseerd ten aanzien van het verzoek. Verzoeker heeft immers tijdens het faillissement alle medewerking verleend en heeft kort na faillissement een baan gevonden voor 32 uur per week.

Ter zitting heeft de curator erkend dat een en ander de verantwoordelijkheid is van verzoeker, maar hij heeft het beeld gekregen dat een en ander niet uit kwade wil door verzoeker is gedaan of nagelaten. Verzoeker had eigenlijk nooit als ondernemer moeten beginnen, aldus de curator. Voorts is de curator van mening dat verzoeker, door het taalprobleem, de gevolgen niet heeft kunnen overzien van het niet reageren op de oproepbrief voor de faillissementszitting. Verzoeker had, volgens de curator, geen idee wat een faillissement inhoudt, laat staan dat hij wist wat de schuldsaneringsregeling inhoudt.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij wist van de faillissementszitting maar er bewust voor had gekozen om niet naar de faillissementszitting te gaan omdat hij niet aan zijn problemen wilde denken en deze naar achteren schoof. Voorts heeft verzoeker verklaard dat hij de Nederlandse taal niet goed begrijpt en dat hij geen hulp heeft ingeroepen na ontvangst van de brief van de griffier. Hij is zich er van bewust dat hij dat fout heeft gedaan.

Met betrekking tot de gebrekkige administratie en de schuld aan de Belastingdienst heeft verzoeker het volgende verklaard. Verzoeker gaf alles aan zijn boekhouder en hij vertrouwde er op dat deze alles voor hem regelde. Volgens verzoeker had de boekhouder

moeten weten wat hij moest doen. Verzoeker controleerde de boekhouder niet. Verzoeker heeft verder verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst grotendeels in 2015 is ontstaan.

3 De beoordeling

Alvorens tot inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te gaan, dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid, Fw stelt, is dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar. Daarnaast stelt de wet als voorwaarde dat geen verificatievergadering is gehouden noch dat de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, Fw heeft gegeven.

De rechtbank stelt vast dat de griffier op 29 augustus 2017 de brief zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw per gewone en aangetekende post heeft verzonden naar het adres, zoals is vermeld op het bij het faillissementsverzoek gevoegde uittreksel van de Basisregistratie Personen. In deze brief heeft de griffier verzoeker erop gewezen dat hij zolang hij niet failliet is verklaard, een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw kan indienen.

Uit de “Detailpagina zending” blijkt dat de aangetekende brief op 30 augustus 2017 bij het bovenbedoelde adres is afgeleverd dan wel dat deze is opgehaald. Daarnaast heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij de brief heeft ontvangen en dat hij begreep dat hij was opgeroepen om te verschijnen op de faillissementszitting, maar dat hij er bewust voor had gekozen om niet ter zitting te verschijnen en om geen hulp in te schakelen.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de rechtbank verzoeker op correcte wijze heeft opgeroepen voor de behandeling van het tegen hem gerichte faillissementsverzoek en hij daarbij in kennis is gesteld van de mogelijkheid om – zolang hij niet failliet is verklaard – een schuldsaneringsverzoek in te dienen. Voorts stelt de rechtbank vast dat verzoeker voordat hij failliet werd verklaard geen verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 284 Fw heeft ingediend. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de omstandigheid dat verzoeker de Nederlandse taal niet machtig is en daarom de brief van de griffier niet (goed) heeft begrepen, voor zijn eigen risico komt. Het had op zijn weg gelegen om iemand in te schakelen die hem zou kunnen helpen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er in het onderhavige geval sprake is van omstandigheden die tot het oordeel leiden dat het niet aan verzoeker toe te rekenen is dat hij niet tijdig een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verzoek, indien dit wel ontvankelijk zou zijn geweest, zou zijn afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is geworden.

Verzoeker heeft een gebrekkige administratie gevoerd en heeft in 2015 een aanzienlijke schuld aan de Belastingdienst laten ontstaan. De stelling van verzoeker dat hij hiervoor een professional, zijnde een boekhouder, had ingeschakeld, doet aan de verantwoordelijkheden van verzoeker niets af. Bovendien zou hieruit niet volgen dat hem geen verwijt treft. Afspraken met derden, zoals boekhouders, accountants en fiscaal adviseurs met betrekking tot de administratie, (het doen van)belastingaangiften en het (toezien op) tijdige afdracht van verschuldigde belasting, laten immers onverlet dat de belastingplichtige zelf verantwoordelijk blijft voor de juiste nakoming van de op hem rustende verplichtingen. Inschakeling van derden staat daarom in beginsel aan toerekening van de tekortkomingen niet in de weg.

Nu verzoeker niet aan die administratieverplichting heeft voldaan is er onvoldoende inzage in de rechten en verplichtingen van de gevoerde onderneming, waardoor de rechtbank niet, althans onvoldoende, kan beoordelen of verzoeker te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van ondernemingsschulden. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat deze schulden te goeder trouw zijn ontstaan althans onbetaald gebleven. Dit zou aan toewijzing van het verzoek in de weg hebben gestaan. Ook de schuld aan de Belastingdienst staat vanwege de verwijtbaarheid en de omvang ervan aan toepassing

van de schuldsaneringsregeling in de weg.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.