Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2620

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
01-04-2018
Zaaknummer
15.378 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging termijn schuldsaneringsregeling in verband met de problematische situatie van schuldenares en in afwachting van aanvraag beschermingsbewind.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

wijziging van de termijn van de schuldsaneringsregeling

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 19 maart 2018

Bij vonnis van deze rechtbank van 20 maart 2015 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam] ,

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenares,

bewindvoerder: R. van den Brink.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft op 7 december 2017 schriftelijk verslag uitgebracht en geconcludeerd tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Op 27 februari 2018 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 13 maart 2018. De bewindvoerder en schuldenares zijn verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

De bewindvoerder heeft de rechtbank op 7 december 2017 bericht dat schuldenares niet, althans onvoldoende, voldoet aan de informatieplicht en de afdrachtplicht. De bewindvoerder mist de inkomstenspecificaties en geeft aan dat er sprake is van een geschatte boedelachterstand van € 911,11.

De bewindvoerder adviseert niet langer een verlenging van de schuldsaneringsregeling, maar stelt zich op het standpunt dat de schone lei geweigerd dient te worden. Schuldenares voldoet nog altijd niet aan haar informatieplicht; de inkomstenspecificaties, huurovereenkomst en bankafschriften ontbreken immers. Daarnaast is de boedelachterstand opgelopen tot een bedrag van € 1.126,99.

De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat schuldenares zich niet heeft gehouden aan de afspraken die gemaakt zijn op het verhoor van 31 mei 2017. Daarnaast heeft de bewindvoerder geconstateerd dat schuldenares, nadat haar woning was verkocht, elke maand € 190,00 van de Belastingdienst is blijven ontvangen inzake de voorlopige teruggave. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat het niet haar taak was om te signaleren dat schuldenares na de verkoop van haar woning nog een voorlopige teruggave ontving; zij is aangesteld als toezichthouder en zij is geen hulpverlener. Het had op de weg van schuldenares gelegen om na het verhoor de benodigde hulp in te schakelen. De bewindvoerder heeft desgevraagd aangegeven dat zij schuldenares niet actief op de mogelijkheid van het aanvragen van beschermingsbewind heeft gewezen. De bewindvoerder stelt dat de nieuwe vordering van de Belastingdienst thans in totaal € 3.900,00 bedraagt.

Schuldenares heeft ter zitting verklaard over haar psychische problematiek. Zij wordt nog steeds doorlopend behandeld. Vastgesteld is dat zij daarnaast traumabehandeling nodig heeft, maar deze is nog niet ingezet. Verdere hulpverlening, om de verplichtingen in de WSNP na te komen, is er niet. Schuldenares heeft ter zitting aangegeven dat zij bereid is om zich onder beschermingsbewind te laten stellen om zo een stabiele financiële situatie te creëren. Tevens geeft schuldenares aan dat zij een betalingsregeling heeft getroffen voor het deel van de nieuwe schuld aan de Belastingdienst die ziet op terugvordering van de voorlopige teruggave over het jaar 2016.

3 De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat schuldenares niet alle verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling naar behoren is nagekomen. Zij is immers tekortgeschoten in de nakoming van haar afdrachtplicht, informatieplicht en de plicht om geen nieuwe schulden te maken. Deze tekortkomingen staan in beginsel in de weg aan het verlenen van de schone lei.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank echter van oordeel, dat de tekortkomingen, gegeven de situatie van schuldenares, onvoldoende verwijtbaar zijn om te rechtvaardigen dat aan haar de schone lei onthouden wordt.

De rechtbank oordeelt dat schuldenares zo spoedig mogelijk onder beschermingsbewind gesteld moet worden, om zo een stabiele financiële situatie te creëren. Met de komst van een beschermingsbewindvoerder kan er meer helderheid worden gecreëerd over de nog ontbrekende informatie, de boedelachterstand en de nieuwe schulden aan de Belastingdienst. De bewindvoerder heeft ter zitting toegezegd dat zij schuldenares zal begeleiden naar een beschermingsbewindvoerder.

De rechtbank ziet daarom aanleiding schuldenares, met behulp van een aan te stellen beschermingsbewindvoerder, in de gelegenheid te stellen om de tekortkomingen te herstellen zodat zij aan het einde van de schuldsaneringsregeling in aanmerking kan komen voor een schone lei. De rechtbank verlengt daarom de termijn, gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is, met een jaar. De rechtbank merkt daarbij op dat het mogelijk is dat de gebreken niet binnen een jaar hersteld kunnen worden; in dat geval dient schuldenares er rekening mee te houden dat haar regeling nog een keer zal worden verlengd (met maximaal één jaar). Gedurende de verlenging dient schuldenares zich aan alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te houden, de boedelachterstand in te lopen en de nieuwe schuld aan de Belastingdienst te voldoen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijzigt de termijn van de schuldsaneringsregeling, in die zin dat deze vier jaar bedraagt en daarmee eindigt op 20 maart 2019;

- bepaalt dat gedurende de verlenging alle verplichtingen onverkort van toepassing zullen zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van

mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.