Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2610

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
ROT 17/5534
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht door het verzwijgen van onroerend goed in Turkije. Dat eiser op het moment van de intrekking geen AIO-aanvulling meer ontving, maakt niet dat eisers inlichtingenplicht niet meer bestaat over de periode waarin hij wel een AIO-aanvulling ontving. De waarde van eisers vermogen in Turkije is onduidelijk gebleven, waardoor verweerder de AIO-aanvulling terecht ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/5534

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. F. Özer,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. G.E. Eind.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen ingetrokken over de periode van 21 april 2015 tot en met 17 juli 2016.

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt met ingang van 21 april 2015 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ter aanvulling op zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Bij besluit van 20 juli 2016 heeft verweerder eisers AIO‑aanvulling met ingang van 18 juli 2016 stopgezet, omdat hij niet heeft gereageerd op een informatieverzoek van verweerder. Daarbij heeft verweerder eiser tot 17 augustus 2016 de tijd gegeven om zijn verzuim te herstellen. Eiser heeft zijn verzuim niet hersteld, zodat verweerder bij besluit van 26 september 2016 eisers AIO-aanvulling heeft beëindigd. Vervolgens heeft verweerder eiser de formulieren “verblijf buiten Nederland” en “Onderzoek vermogen buiten Nederland” gezonden. Eiser heeft deze formulieren op 11 januari 2017, respectievelijk 13 maart 2017 ingevuld en geretourneerd. Naar aanleiding van de ingevulde formulieren heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet tijdig te melden dat hij onroerend goed bezit in Turkije. Volgens verweerder heeft eiser geen bewijsstukken ingeleverd over het onroerend goed, waardoor de hoogte van eisers vermogen niet is vast te stellen. Daardoor is ook onduidelijk of eiser recht heeft op een AIO-aanvulling.

3. Eiser voert aan dat verweerder in januari 2017 niet bevoegd was om de rechtmatigheid van de verleende AIO-aanvulling te onderzoeken, omdat hij op dat moment geen AIO-aanvulling ontving. De door eiser ingevulde formulieren van 11 januari 2017 en 13 maart 2017 kunnen om die reden niet aan het intrekkingsbesluit ten grondslag worden gelegd. Daarnaast voert eiser aan dat hij geen vermogen in het buitenland heeft en dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Hij is bijna 70 jaar oud en spreekt geen Nederlands. Bij het invullen van de formulieren “Verblijf buiten Nederland” en “Onderzoek vermogen buiten Nederland” is eiser geholpen door een bewonersorganisatie. Door een miscommunicatie dacht hij dat hem werd gevraagd naar de waarde van het huis dat hij bewoont in Nederland.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) rust op eiser de verplichting om zelf aan verweerder alle feiten en omstandigheden te melden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, van de Pw bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Deze bepalingen uit de Pw zijn van overeenkomstige toepassing op de AIO-aanvullingen die worden uitgekeerd door verweerder.

5. Eisers betoog dat verweerder niet bevoegd was de rechtmatigheid van de verleende AIO-aanvulling te onderzoeken, slaagt niet. Verweerder is op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Pw bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voorzetting van de AIO-aanvulling. Verweerder had reeds op 19 mei 2016 aan eiser om informatie verzocht. Op dat moment ontving eiser een AIO-aanvulling, zodat hij gehouden was de noodzakelijke informatie te verstrekken. Eiser heeft niet gereageerd op het informatieverzoek, waardoor zijn recht op een AIO-aanvulling is beëindigd. Dat verweerder het rechtmatigheidsonderzoek na de beëindiging heeft voortgezet, maakt niet dat eisers inlichtingenplicht niet meer bestaat over de periode waarin hij de AIO-aanvulling ontving.

6. Eisers betoog dat hij geen vermogen in het buitenland (onroerend goed in Turkije) bezit, kan niet worden gevolgd. Eiser heeft op het formulier “Verblijf buiten Nederland” zelf vermeld dat hij eigenaar is van een woning in Turkije op het [adres]. Daarnaast heeft hij op het formulier “Onderzoek vermogen buiten Nederland” vermeld dat hij eigenaar is van een woning en dat hij een stuk grond bezit in Turkije. Op dit formulier heeft eiser tevens opgave gedaan van de waarde van de woning (75.000 TL) en van de grond (75.000,- TL). Dat eiser met dit bedrag de waarde van zijn Nederlandse woning heeft bedoeld is niet aannemelijk, nu de waarde in Turkse Lira is vermeld.

7. Voor zover eiser betoogt dat een schending van de inlichtingenplicht hem niet kan worden toegerekend vanwege zijn leeftijd, zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en de miscommunicatie met de bewonersorganisatie, kan dit niet slagen. Eiser is verantwoordelijk voor een juiste naleving van de inlichtingenplicht, ook als hij daartoe bijstand van een derde inroept. Eiser heeft de formulieren ondertekend en heeft daarmee verklaard dat de formulieren naar waarheid zijn ingevuld. Enig voorbehoud in verband met zijn beheersing van de Nederlandse taal is daarbij niet gemaakt. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zijn leeftijd in de weg zou kunnen staan aan naleving van de inlichtingenplicht.

8. Nu eiser geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn vermogen in Turkije, heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de AIO-aanvulling, als niet meer kan worden vastgesteld of de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is dan aan de betrokkene - in dit geval eiser - om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op een AIO-aanvulling zou hebben gehad. Eiser is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen objectieve en verifieerbare informatie verstrekt over (de waarde van) zijn vermogen in Turkije, zodat niet kan worden vastgesteld of hij in de in geding zijnde periode aanspraak had op een AIO-aanvulling. Dit betekent dat, als gevolg van het schending van de inlichtingenplicht, ten onrechte een AIO-aanvulling aan eiser is verstrekt over de periode van 21 april 2015 tot en met 17 juli 2016. Om die reden was verweerder, op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, verplicht de AIO-aanvulling van eiser in te trekken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. J. de Gans en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.