Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2562

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
ROT 17/5662
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft haar inlichtingenplicht geschonden door niet bij verweerder te melden dat zij een wezenuitkering uit Turkije ontvangt en in het bezit is van meerdere Turkse bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/5662

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. N. Türkkol,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: J.C. Avedissian.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2017 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres opgeschort met ingang van 11 april 2017.

Bij besluit van 3 mei 2017 (primair besluit I) heeft verweerder eiseres bericht dat haar recht op bijstand opgeschort blijft.

Bij de besluiten van 8 juni 2017 (primaire besluiten II en III) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 3 januari 2013 tot en met

11 april 2017 en een bedrag van € 14.796,06 (bruto) teruggevorderd.

Bij besluit van 28 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen primair besluit I niet-ontvankelijk verklaard en tegen de primaire besluiten II en III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft over de periode van 3 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 en vanaf 18 mei 2016 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Op 1 februari 2017 heeft verweerder van het Internationaal Bureau Fraude-Informatie een melding ontvangen dat eiseres vanaf 1 maart 2009 in Turkije een wezenuitkering ontvangt. Naar aanleiding van deze melding is verweerder een rechtmatigheidsonderzoek gestart naar het recht op bijstand. In dat kader heeft verweerder eiseres bij brief van 4 april 2017 uitgenodigd voor een gesprek op 11 april 2017 en haar verzocht een aantal gegevens mee te nemen. Omdat eiseres niet alle gegevens bij zich had en er onduidelijkheden waren over haar financiële situatie, heeft verweerder het recht op bijstand opgeschort, eiseres een nieuw informatieverzoek gedaan en haar uitgenodigd voor een gesprek op 3 mei 2017. Na dit gesprek is eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld om de bankafschriften van al haar Turkse bankrekeningen in te leveren, is zij uitgenodigd voor een gesprek op 17 mei 2017 en heeft verweerder haar bij primair besluit I medegedeeld dat haar recht op bijstand opgeschort blijft. Tijdens het gesprek op 17 mei 2017 heeft eiseres verklaard dat zij niet van al haar bankrekeningen in Turkije afschriften kan indienen, omdat deze niet allemaal meer actief zijn. Vervolgens heeft verweerder primaire besluiten II en III genomen.

2. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij in Turkije een wezenuitkering ontvangt en daar in het bezit is van meerdere bankrekeningen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van de intrekking gewijzigd naar artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (Pw). Verweerder is van mening dat het recht op bijstand terecht is ingetrokken en teruggevorderd, omdat door het niet inleveren van de bankafschriften van de Turkse bankrekeningen het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

3. Eiseres betwist niet dat zij een wezenuitkering ontvangt in Turkije. Deze uitkering is echter lager dan de voor haar van toepassing zijnde bijstandsnorm, zodat verweerder haar recht op bijstand ten onrechte heeft ingetrokken. Om die reden kan het haar ook niet worden verweten dat zij verweerder niet heeft ingelicht. Met het bedrag dat zij uit Turkije ontvangt, kan zij nooit in haar levensonderhoud voorzien. De hoogte van de uitkering is volgens eiseres bij verweerder bekend. Eiseres betwist dat zij het hele bedrag van € 14.769,06 verschuldigd is aan verweerder. Ook betwist zij dat zij een vermogen heeft boven de vrijgestelde vermogensgrens. Zij heeft al haar bankafschriften vanaf 2013 ingeleverd. Daarmee heeft zij voldoende aangetoond dat zij geen vermogen heeft.

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw – voor zover hier van belang – doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw – voor zover hier van belang – trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw – voor zover hier van belang – vordert de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

5. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiseres belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel bij verweerder rust.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet bij verweerder heeft gemeld dat zij een uitkering ontvangt, gerelateerd aan het overlijden van haar ouders. De rechtbank stelt vast dat eiseres evenmin bij verweerder heeft gemeld dat zij meerdere Turkse bankrekeningen op haar naam heeft staan. Dit betekent dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarbij is niet van belang dat de wezenuitkering – naar eiseres stelt –lager is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, aangezien het voor eiseres duidelijk had moeten zijn dat de wezenuitkering van invloed was op haar recht op bijstand.

7. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waaronder de uitspraak van 15 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1047) levert schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond op voor intrekking en herziening van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene – in dit geval eiseres - om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

8. Eiseres is herhaaldelijk verzocht om van al haar Turkse bankrekeningen afschriften in te leveren. Aan dit verzoek heeft eiseres niet voldaan. Zij heeft geen afschriften ingeleverd van haar bankrekening met nummer [A], terwijl wel is gebleken dat bedragen naar deze bankrekening zijn overgeschreven. Ook heeft eiseres niet alle afschriften ingeleverd van de bankrekening met nummer [B]. Door deze bankafschriften niet in te leveren, heeft eiseres geen duidelijkheid verschaft over haar financiële situatie. Hierdoor heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij over de intrekkingsperiode recht op bijstand had. Voor zover eiseres betoogt dat zij niet (meer) over de ontbrekende afschriften kan beschikken, dient dat voor haar rekening en risico te blijven. Verweerder was dus op grond van de artikelen 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Pw gehouden om de ten onrechte aan eiseres betaalde bijstand in te trekken en terug te vorderen.

9. Tegen de beslissing van verweerder om het bezwaar tegen primair besluit I niet‑ontvankelijk te verklaren zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.