Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2474

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
10/660008-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een overval in een woning met dodelijke afloop. De verdachte en zijn medeverdachten dachten met vuurwapengeweld een partij wiet buit te maken. Op basis van signalementen van de daders, het uiterlijk van de verdachte en de overige vier verdachten en zendmastgegevens is de conclusie dat de verdachte een van de daders was. Gevangenisstraf van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/660008-16

Datum uitspraak: 1 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in
de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie De Schie, te Rotterdam,

raadsman mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. I.W. Streefland-Brink heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte onschuldig is omdat hij niet aanwezig was in of bij de woning aan de [adres delict] te Rotterdam tijdens de ten laste gelegde feiten, noch anderszins bij die feiten als medepleger betrokken was. Wel was hij rond het tijdstip van het tenlastegelegde in Zevenkamp aanwezig. Op de tenlastegelegde pleegdatum is hij met [naam 1] meegereden naar Zevenkamp en besloot hij spontaan op bezoek te gaan bij een vriendin, getuige [naam getuige 1] . Hij heeft zich aan de [adres delict] laten afzetten en is verder te voet naar de woning van [naam vriendin] gegaan. Hij trof haar niet aan en liet zich vervolgens weer ophalen door [naam 1] . De verdachte is niet herkend als één van de drie daders door de directe getuigen: [naam getuige 2] , [naam getuige 3] en [naam getuige 4] . [naam getuige 3] stelt dat hij, na enige sturing door de recherche, als de tatoeage achter het oor van de verdachte rood is ingekleurd, de verdachte wel herkent. De bewijswaarde van deze herkenning is evenwel nihil, nu de tatoeage van de verdachte niet rood is ingekleurd noch overeenkomt met de verdere omschrijving door [naam getuige 3] . Daarnaast komt het overige deel van de door de getuigen gegeven omschrijving van de derde dader niet overeen met het signalement van de verdachte.

Ook was de verdachte na de schietpartij niet één van de inzittenden van de vluchtauto van de daders, de Volkswagen Polo, nu zijn telefoon meteen na de schietpartij een zendmast op de Rietdekkerweg te Rotterdam heeft aangestraald. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en de verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende.

Op 7 oktober 2015 werd om 20.50 uur bij de politie een gewapende overval gemeld in een woning aan de [adres delict] te Rotterdam. Deze overval had vlak voor de melding plaats gevonden. Uit verklaringen van getuigen bleek dat er drie overvallers waren, die waren gekomen om een partij wiet af te nemen. De verkoper van de wiet, genaamd [naam slachtoffer 1] en tevens de aangever van de overval, werd door één van de overvallers bedreigd met een pistool en werd daarmee tegen zijn hoofd geslagen. Een tweede man, genaamd [naam slachtoffer 2] , bleek te zijn doodgeschoten.

Tijdens de overval was er nog een man in de woning aanwezig, te weten [naam 2] . Hij had tussen de kopers en [naam slachtoffer 1] bemiddeld. Uit de getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen valt niet te reconstrueren hoe het dodelijk schot precies is afgevuurd, anders dan dat de dodelijke kogel werd afgevuurd door een revolver van de kalibers .38 special of .357 magnum en dat de schutter en het slachtoffer heel dicht bij elkaar hebben gestaan. Onbekend is gebleven welke overvaller heeft geschoten. Verder is uit de getuigenverklaringen gebleken dat de drie overvallers kwamen aanrijden in een (zilver)grijze Volkswagen Polo. Eerst zijn twee van de drie overvallers de woning ingegaan. Later, maar voorafgaand aan het dodelijke schot, heeft de derde overvaller zich bij hen gevoegd. Toen de drie overvallers na een worsteling met de aangever uit de woning wegvluchtten, zijn zij in het portaal voor de woning op [naam slachtoffer 2] gestuit en daar is het dodelijke schot gevallen. Een getuige die voor de woning heeft gestaan, heeft drie mannen, van wie er volgens de getuige ten minste twee een pistool in de hand hadden, na de overval alle drie met grote haast zien vertrekken in de grijze Volkswagen Polo.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de drie personen die met de grijze Volkswagen Polo zijn komen aanrijden gezamenlijk de gewapende overval hebben uitgevoerd, waarbij [naam slachtoffer 2] het leven heeft gelaten.

Op 8 maart 2017 heeft de rechtbank de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] veroordeeld als twee van de drie daders van de overval op 7 oktober 2015 aan de [adres delict] te Rotterdam. De rechtbank heeft het feit gekwalificeerd als een poging tot diefstal met geweld in vereniging de dood ten gevolge hebbende. De vraag waar de rechtbank zich in de onderhavige zaak over buigt is of de verdachte [naam verdachte] de derde dader is geweest.

De verdachte als derde en laatste dader

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de derde dader is geweest bij de overval op 7 oktober 2015 bij de [adres delict] en overweegt hiertoe het volgende. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat vijf personen, gebruikmakend van twee auto’s, een Volkswagen Polo (kenteken [kentekennummer 1] ) en een Renault Megane (kenteken [kentekennummer 2] ), vanaf de Grote Visserijstraat naar de [adres delict] zijn gereden en dat drie personen in de woning zijn geweest waar de overval en de schietpartij hebben plaatsgevonden. [naam getuige 3] en [naam getuige 2] - die getuigen zijn geweest van de overval en dus de daders hebben gezien - hebben signalementen opgegeven van de daders die in de woning zijn geweest. Zoals hiervoor gerelateerd heeft de rechtbank de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aangewezen als twee van de drie daders, in het dossier aangeduid als dader 1 en 2. Op basis van haar waarneming van het signalement en de uiterlijke kenmerken van de verdachte stelt de rechtbank vast dat de verdachte aan het signalement van de ontbrekende derde dader voldoet. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de overige twee personen van de vijf die naar de [adres delict] zijn gereden, te weten [naam 3] en [naam 1] , niet één van de daders kunnen zijn geweest. Uit het dossier volgt dat de telefoon van [naam 1] om 20:50:31 uur (gelet op de 112-melding ongeveer één minuut na het dodelijke schot op het slachtoffer [naam slachtoffer 2] ) de zendmast op de Hoofdweg 500 heeft aangestraald. Uit dit gegeven concludeert de rechtbank dat [naam 1] niet in de woning is geweest. [naam 3] op zijn beurt past hoe dan ook niet in de door [naam getuige 3] en [naam getuige 2] gegeven signalementen. De huidskleur van [naam 3] , zoals is te zien op foto’s in het dossier, wijkt zozeer af van de huidskleur die [naam getuige 2] en [naam getuige 3] volgens het opgegeven signalement hebben waargenomen, dat ook [naam 3] niet in de woning kan zijn geweest ten tijde van het incident. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de derde dader is geweest en dus de mededader is van de poging tot diefstal met geweld met een dodelijk slachtoffer. De daartegenover gestelde alternatieve verklaring van de verdachte vindt zijn weerlegging in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 07 oktober 2015 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen

aan de [adres delict] weg te nemen een

hoeveelheid hennep, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] ,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en vergezellen

en doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1]

en [naam slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en aan andere deelnemers van voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken,

- met kracht heeft geslagen met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het hoofd van die [naam slachtoffer 1] , en

- op dreigende wijze een op een vuurwapengelijkend voorwerp heeft getoond aan die [naam slachtoffer 1] , en- met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op de borst van die [naam slachtoffer 2] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

zulks terwijl dit feit de dood van die [naam slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 07 oktober 2015 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van

de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die

wet in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1

poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de dood ten gevolge heeft;

Feit 2

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Het gezamenlijke en planmatige optreden van de verdachte en zijn medeverdachten heeft geleid tot de dood van [naam slachtoffer 2] . [naam slachtoffer 2] had niets met de deal te maken, maar kwam de trap op toen hij de vriend van zijn zuster, [naam slachtoffer 1] , hoorde roepen. In de worsteling die volgde toen de overvallers probeerden te vluchten is hij van dichtbij door een kogel geraakt. Deze kogel kwam uit een door de verdachten meegenomen vuurwapen. Zijn leven is hem ontnomen, omdat de verdachte en zijn medeverdachten dachten dat zij met vuurwapengeweld een partij wiet buit zouden kunnen maken. Zij hebben de ripdeal gepland en voorbereid en zij zijn met minimaal één vuurwapen naar de woning gegaan, zonder zich te bekommeren om het risico dat zij daarmee namen. Hun enige gedachte was het stelen van een partij wiet.

Door de dood van [naam slachtoffer 2] is zijn zuster en zijn overige familie oneindig veel leed toegebracht. Zij moeten leven met het gemis. Vooral voor zijn zuster, die haar woning aan de [adres delict] in goed vertrouwen voor de deal beschikbaar heeft gesteld, moet het gevolg van haar beslissing onvoorstelbaar verdrietig zijn.

[naam slachtoffer 1] heeft de ripdeal moeten bekopen met een bloedende hoofdwond. Hij is bedreigd door een van de daders, naar zijn zeggen met een pistool. Toen hij zich verzette, is hij met dat wapen tegen zijn hoofd geslagen. Hij moet zeer geschrokken zijn van de actie van de verdachten en heeft pijn en letsel opgelopen.

Vuurwapengeweld is niet alleen voor de mensen die er direct mee geconfronteerd worden angstaanjagend, het heeft ook grote maatschappelijke gevolgen.

Het brengt onrust in de maatschappij teweeg en gevoelens van onveiligheid. Vuurwapengeweld zorgt ervoor dat mensen hun vertrouwen in de ander verliezen en brengt het risico mee dat ook anderen vuurwapens aanschaffen omdat zij zich denken te moeten verdedigen. Het voorhanden hebben en het gebruiken van vuurwapens is dan ook maatschappelijk onaanvaardbaar.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 december 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 december 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft geen medewerking verleend aan de totstandkoming van het adviesrapport. Wel heeft de rapporteur geconcludeerd dat er op basis van het dossier een zorgwekkend beeld naar voren komt. De verdachte vertoont al vanaf jonge leeftijd gedragsproblemen en kwam al van jongs af aan in aanraking met justitie. Er was sprake van een zeer zwakke impulscontrole, een beperkte agressieregulatie en hij liet zijn handelen teveel bepalen door een neiging tot behoeftebevrediging. Uit een adviesrapport dat enige maanden voor de tenlastegelegde feiten is opgesteld, blijkt dat de verdachte op dat moment geen zinvolle dagbesteding had, dat er sprake was van schulden en softdrugsgebruik en dat er aanwijzingen waren voor een deels negatief sociaal netwerk. Op basis van het justitieel verleden van de verdachte en het dossier wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden voor de tenlastegelegde feiten, wordt geadviseerd hem een gevangenisstraf op te leggen. Geadviseerd wordt, indien daarvoor ruimte is, een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: meldplicht, behandelverplichting, contactverbod met de medeverdachten, locatiegebod en andere voorwaarden het gedrag betreffende.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de ernst van de feiten, het dodelijk gevolg van feit 1, straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en de straffen die blijkens de in die zaken gewezen vonnissen aan de twee mededaders [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zijn opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 180.000,00 aan materiële schade, een vergoeding van € 200.000,00 aan immateriële schade en een vergoeding van € 265,00 aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2015.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. Het betreft hoge bedragen die meer onderbouwing vereisen. De benadeelde partij dient in de gelegenheid gesteld te worden om de vordering bij de civiele rechter aan te brengen. Wel dienen de gevorderde proceskosten vergoed te worden, nu deze kosten zijn gemaakt als kosten ter vaststelling van de omvang van de schade. Daarvoor dient ook de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in de gehele vordering in verband met de door de verdediging bepleite vrijspraak.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij vordert een vergoeding voor de schade die is ontstaan door het overlijden van het slachtoffer. De vordering ziet zowel op materiële als op immateriële schade.

De gevorderde immateriële schadevergoeding ziet op smartengeld als vergoeding voor het verdriet en het gemis dat het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt.
Dit deel van de vordering moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek. Die bepalingen laten thans geen ruimte voor toewijzing van een vordering als deze. In zoverre moet de vordering, bij gebrek aan een wettelijke grondslag voor toewijzing daarvan, worden afgewezen.

De vordering tot vergoeding van materiele schade ziet op geschatte gederfde inkomsten uit een Remigratie-uitkering waarop het slachtoffer vanaf zijn 55e levensjaar, rekening houdend met een levensverwachting van dertig jaar nadien, aanspraak zou hebben kunnen maken.

Een dergelijke vordering is niet eenvoudig van aard, nu het om een zowel juridisch als feitelijk gecompliceerde schadevergoedingskwestie gaat. Beoordeling van de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou, tegenover het verweer daartegen, nader onderzoek vereisen. Dat zou een onevenredige belasting van het strafgeding vormen.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van haar vordering.

De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Dat geldt in het verlengde van dit oordeel ook voor de nevenvordering tot vergoeding van proceskosten.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde vergoeding van materiële schade geen inhoudelijke beslissing genomen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen. De proceskosten van de verdachte worden op nihil vastgesteld.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 47, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en

de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren,

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade af;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade;

bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

stelt de proceskosten aan de zijde van de verdachte vast op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. A.J.P. van Essen en S. Zuidwijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Ihataren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 07 oktober 2015 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen

aan de [adres delict] weg te nemen 3 kilogram hennep, in elk geval een

(grote) hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen

en/of doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1]

en/of [naam slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- ( met kracht) heeft geslagen (met een (op een) vuurwapen (gelijkend

voorwerp)) op het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer 1] , en/of

- ( op dreigende wijze) een of meer (op (een)) vuurwapen(s) (gelijkend(e)

voorwerp(en)) heeft getoond/voorgehouden aan die [naam slachtoffer 1] , en/of

- met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op (de borst van) die [naam slachtoffer 2] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

zulks terwijl dit feit de dood van die [naam slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 07 oktober 2015 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van

de Wet wapens en munitie,

te weten een of meer vuurwapen(s) in de zin van artikel 1, onder 3° van die

wet in de vorm van (een) pisto(o)l(en) en/of een revolver

voorhanden heeft gehad;