Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2377

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
C/10/527915 / HA ZA 17-542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeraars zijn gehouden tot nakoming van de verbintenissen voortvloeiende uit de verzekeringsovereenkomsten in die zin dat zij zijn gehouden tot doen van een uitkering ter vergoeding van de brandschade aan de panden. De branden zijn gebeurtenissen die door de verzekeringen zijn gedekt en daarom heeft eiser recht op een uitkering. De vordering van eiser is niet verjaard, nu het beroep op de stuitingsbrieven door eiser naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Eiser heeft weliswaar zijn strafrechtelijk verleden en eerdere storm- en brandschades verzwegen, maar verzekeraars zijn gehouden tot uitkering van de schade omdat niet vaststaat dat de verzekering niet zou zijn gesloten ingeval de verzekeraars voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten hadden geweten van zijn strafrechtelijk verleden en de eerdere schades. Beroepen van verzekeraars op opzet tot misleiding door eiser en eigen schuld falen eveneens. Artt. 3:302, 6:2 lid 2, 6:248 lid 2, 7:928, 7:930, 7:952 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2018/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/527915 / HA ZA 17-542

Vonnis van 21 maart 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.E. de Leeuw-Blokland,

tegen

1 de vennootschap naar buitenlands recht

LLOYD'S OF LONDON,

gevestigd te London (Verenigd Koninkrijk),

2 de vennootschap naar buitenlands recht

SCHWARZMEER UND OSTSEE VERSICHERUNGS AG SOVAG

gevestigd te Hamburg (Duitsland),

3 de vennootschap naar buitenlands recht

CHINA TAIPING INSURANCE (UK) CO. LTD.,

kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. T. de Haan.

Partijen zullen hierna [eiser] en de verzekeraars genoemd worden. Waar de verzekeraars afzonderlijk worden bedoeld, zullen zij Lloyd’s of London, Schwarzmeer en China Taiping genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 12 april 2017;

- de conclusie van antwoord van 30 augustus 2017;

- de zittingsagenda van 19 december 2017;

- de brief van [eiser] van 19 januari 2018;

- de brief van de verzekeraars van 31 januari 2018;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 februari 2018;

- de brief van 20 februari 2018 van [eiser] waarin aan de rechtbank is medegedeeld dat partijen geen schikking hebben bereikt;

- de schriftelijke reacties van 22 februari 2018 van partijen op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] exploiteert diverse ondernemingen onder meer op het gebied van vastgoed.

2.2.

[eiser] heeft bij de verzekeraars zogenoemde (uitgebreide) gevarenverzekeringen (hierna: de verzekeringsovereenkomsten) afgesloten voor meerdere panden in zijn vastgoedportefeuille waaronder het pand gevestigd aan de [adres] (hierna: het pand aan de Hondsdijk) en het pand gevestigd aan de [adres] (hierna: het pand aan de Vonderen).

2.3.

Voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten zijn er op 11 december 2007 vragenlijsten ingevuld met informatie over de te verzekeren panden.

2.4.

De verzekeraars zijn bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten vertegenwoordigd door hun gevolmachtigde [gevolmachtigde] ).

2.5.

Het pand aan de Hondsdijk is met ingang van 5 februari 2008 verzekerd bij de verzekeraars. Op het polisblad staat ten aanzien van de verdeling van het risico vermeld:

Verdeling verzekeraars:

50% Lloyd’s of London as per contractnumber BB0089E0W

25% Schwarzmeer und Ostsee Versicherungs AG Sovag

25% China Insurance Co. Ltd. (UK) Netherlands”

Het pand aan de Hondsdijk is in de nacht van 30 juni op 1 juli 2008 door brand verwoest.

2.6.

Het pand aan de Vonderen is bij China Taiping verzekerd met ingang van
1 januari 2009. Dit pand is op 8 februari 2009 door brand verwoest.

3 De vordering

3.1.

[eiser] heeft gevorderd dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. wordt verklaard voor recht dat de schade veroorzaakt door de brand in de nacht van 30 juni op 1 juli 2008 in de opstal, plaatselijk bekend [adres] , door de verzekering tussen [eiser] en de verzekeraars met [polisnummer] wordt gedekt en dat de verzekeraars gehouden zijn conform de verzekering de schade aan [eiser] uit te keren;

II. wordt verklaard voor recht dat de schade veroorzaakt door de brand op
8 februari 2009 in de opstal, plaatselijk bekend [adres] , door de verzekering tussen [eiser] en China Taiping met [polisnummer] wordt gedekt en dat China Taiping gehouden is conform de verzekering de schade aan [eiser] uit te keren;

III. de verzekeraars worden veroordeeld in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis indien de proceskosten niet tijdig worden voldaan;

IV. de verzekeraars worden veroordeeld in de nakosten indien de proceskosten niet tijdig worden voldaan.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de verzekeraars zijn gehouden tot nakoming van de verbintenissen voortvloeiende uit de verzekeringsovereenkomsten in die zin dat zij zijn gehouden tot het doen van een uitkering ter vergoeding van de brandschade aan de panden. De branden zijn gebeurtenissen die door de verzekeringen zijn gedekt en daarom heeft [eiser] recht op een uitkering.

3.3.

De verzekeraars concluderen tot afwijzing van de vorderingen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

De verzekeraars voeren - samengevat - het volgende als verweer aan.

De vordering van [eiser] is verjaard. Het beroep van [eiser] op de stuitingsbrieven in de periode 2009 tot en met 2017 is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [eiser] heeft geen recht op een uitkering omdat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden door de volgende informatie te verzwijgen:

1) eerdere schades en een eerder royement;

2) de leegstand van de panden;

3) zijn strafrechtelijk verleden;

4) de rechtszaak over eigendom van het pand aan de Hondsdijk.

Ten aanzien van punt 4 doen de verzekeraars tevens een beroep op opzet tot misleiding.

Ten slotte doen de verzekeraars een beroep op eigen schuld omdat de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat beide panden door brand verloren zijn gegaan en dat deze brandschade valt onder de dekking van de verzekeringsovereenkomsten. In geschil is of de verzekeraars de schade aan [eiser] moeten uitkeren.

Verjaring

4.2.

Artikel 6:2 lid 2 BW jo 6:248 lid 2 BW bepaalt dat een tussen partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.3.

De verzekeraars hebben de aanspraak van [eiser] op vergoeding van de schade in 2009 afgewezen (productie 6 bij conclusie van antwoord). De feiten dat er veel tijd is verstreken sinds het afwijzen van de aanspraak van [eiser] , dat er in de tussentijd geen inhoudelijk nieuwe berichten door [eiser] aan de verzekeraars zijn gestuurd en dat het voor [eiser] niet onmogelijk was om eerder een procedure te starten, brengen niet met zich dat het beroep van [eiser] op de stuitingsbrieven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Juist omdat [eiser] steeds stuitingsbrieven heeft verzonden aan de verzekeraars kan niet worden gezegd dat bij de verzekeraars het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet meer geldend zou maken.

4.4.

Lengkeek, Laarman & De Hosson alsmede Stekelenburg Schade Onderzoek Bureau B.V. (hierna: Stekelenburg) hebben in opdracht van de verzekeraars in de jaren 2008 en 2009 uitgebreide onderzoeken verricht waarin ook een aantal verklaringen van belanghebbenden zijn opgenomen (producties 2 en 3 bij conclusie van antwoord). Gezien de informatie in deze onderzoeken moet het mogelijk zijn (geweest) voor de verzekeraars om, anders dan zij stellen, de schade en de (toenmalige) verkoopwaarde van de panden vast te stellen. De stelling van de verzekeraars dat zij in hun bewijspositie onredelijk zijn benadeeld of dat deze onredelijk is verzwaard doordat [eiser] lang na de afwijzing van de verzekeraars de zaak alsnog aanhangig heeft gemaakt, is door de verzekeraars daarom onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.5.

Gelet op het voorgaande is het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat [eiser] zich op stuiting van de verjaring beroept en dit verweer wordt verworpen. De vorderingen van [eiser] zijn daarom niet verjaard en zullen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

Vragenlijst

4.6.

[eiser] heeft een vragenlijst in het geding gebracht aangaande het pand aan de Hondsdijk waarop de vragen 5 tot en met 23 staan vermeld (productie 1 bij dagvaarding) en een vragenlijst aangaande het pand aan de Vonderen waarop naast de vragen 1 tot en met 23, ook andere vragen staan vermeld, onder meer onder de kopjes “Strafrechtelijk verleden” en “Algemene slotvraag” (productie 6 bij dagvaarding).

Onder verwijzing naar deze vragenlijsten stelt [eiser] dat er ten aanzien van het pand aan de Hondsdijk geen andere vragen zijn gesteld dan de vragen 5 tot en met 23 (die uitsluitend zien op het pand zelf en de vraag of er eerdere schades zijn gemeld) en er dus geen vragen zijn gesteld over zijn strafrechtelijk verleden noch een algemene slotvraag. Derhalve geldt, aldus [eiser] , dat hij ter zake van het pand aan de Hondsdijk zijn strafrechtelijk verleden of de rechtszaak over de eigendom van het pand niet kan hebben verzwegen (zie proces-verbaal van comparitie).

4.7.

De verzekeraars betwisten dit en stellen dat de aanvraag van 11 december 2007 bestond uit zeven deelaanvragen en een moederaanvraag met een algemeen deel. Dit algemene gedeelte bestaat uit pagina’s 7 tot en met 13. Op pagina’s 1 tot en met 6 stonden specifieke vragen voor elk verzekerd risico en dus ook voor het pand aan de Hondsdijk en het pand aan de Vonderen. De verzekeraars wijzen in dit verband ook op de inhoud van de brief van de verzekeringstussenpersoon van [eiser] , de heer [persoon] van Brinkmans Advies Groep van 14 december 2007 (hierna: [persoon] , zie de productie bij brief van de verzekeraars van 31 januari 2018), waarin onder meer staat vermeld:

Betreft: 7 Opstalverzekerings-aanvragen t.n.v. [eiser] te WEERT

(…)

Bijgaand ontvangt u 7 aanvraagformulieren met daarbij 1 algemene aanvraag.”

4.8.

Het lag op de weg van [eiser] om deze gemotiveerde stellingen van de verzekeraars gemotiveerd te weerspreken, bijvoorbeeld door een andersluidende verklaring van [persoon] in het geding te brengen. [eiser] heeft dit niet gedaan. Nu het de rechtbank, gelet op de inhoud van de brief van [persoon] , de vermelding “Algemeen” boven aan de vragenlijst aangaande het pand aan de Vonderen en de nummering van de vragen in de vragenlijsten, bovendien aannemelijk voorkomt dat de aanvraag van 11 december 2007 heeft bestaan uit een algemeen deel dat betrekking had op de verzekering van alle panden en een specifiek deel voor ieder van de panden, neemt de rechtbank dit als vaststaand feit aan. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de vraag over het strafrechtelijke verleden van [eiser] en de algemene slotvraag ook aan [eiser] zijn gesteld en door hem zijn beantwoord in het kader van de verzekeringsaanvraag voor het pand aan de Hondsdijk.

Verzwijging

4.9.

Artikel 7:928 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.

Hierna zal eerst beoordeeld worden of [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden ten aanzien van 1) de eerdere schades en royement, 2) leegstand van de panden en 3) zijn strafrechtelijk verleden en 4) de rechtszaak over eigendom van het pand aan de Hondsdijk. Vervolgens zal beoordeeld worden of hem, indien hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden, een uitkering toekomt.

Verzwijging andere schades en royement Delta Lloyd

4.10.

In de vragenlijst die [eiser] heeft ingevuld bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten (productie 1 en 6 bij dagvaarding) staat onder meer vermeld:

23. Heeft de aanvrager/kandidaat-verzekeringsnemer ooit schade gehad gedurende de afgelopen 5 jaar?

ja neen

4.11.

In het onderzoeksrapport van I-Tek B.V. van 19 april 2010 (productie 8 bij conclusie van antwoord) dat in opdracht van Generali Verzekeringsgroep is opgesteld en waarover de verzekeraars de beschikking hebben gekregen in het kader van het door Stekelenburg uitgevoerde onderzoek, staat onder meer vermeld:

De navolgende relevante gegevens werden bekend:(…) Opzegging door Delta Lloyd op 21 mei 2003. De reden van de opzegging kon niet meer worden achterhaald. (…)

• 18 januari 2007 Stormschade, bedrag vergoeding € 6.564,50. (…)

• 29 mei 2005 Brand als gevolg van blikseminslag, bedrag vergoeding € 1.960,04. (…)

• 18 januari 2007 Stormschade, bedrag vergoeding € 9.675,18”

4.12.

[eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij eerder uitkeringen heeft ontvangen vanwege stormschade en brandschade naar aanleiding van blikseminslag zodat dat vast is komen te staan (zie proces-verbaal van comparitie). [eiser] had vraag 23 van de vragenlijst dus bevestigend moeten beantwoorden en nu hij dat niet gedaan heeft, is de rechtbank met de verzekeraars van oordeel dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden.

4.13.

Verder stellen de verzekeraars dat [eiser] een royement door Delta Lloyd heeft verzwegen. [eiser] betwist dit. Volgens [eiser] is deze verzekeringsovereenkomst geëindigd vanwege de verkoop van het pand. Nu de verzekeraars geen andere stukken in het geding hebben gebracht dan het voornoemde rapport van I-Tek B.V., hebben de verzekeraars onvoldoende feitelijk onderbouwd dat [eiser] een royement door Delta Lloyd heeft verzwegen en komt dit niet vast te staan.

Leegstand

4.14.

In de vragenlijst die [eiser] heeft ingevuld bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voor het pand aan de Hondsdijk (productie 1 bij dagvaarding)

staat onder meer vermeld:

9. Koudekerk: woonhuis, momenteel leegstaand (…)

11. Is het pand bewoond? (…) momenteel leeg

In de vragenlijst die [eiser] heeft ingevuld bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voor het pand aan de Vonderen (productie 6 bij dagvaarding) staat onder meer vermeld:

11. Is het pand bewoond? (…) Momenteel leegstaand Relatie wacht op huurders

4.15.

De verzekeraars voeren aan dat de mededeling dat het pand ‘momenteel’ leeg staat, de suggestie wekt dat de leegstand kortstondig is en dat de verzekeraars de verzekeringsovereenkomsten zijn aangegaan met die gedachte. Nu, naar inmiddels is gebleken, de panden gedurende lange tijd leeg stonden, had [eiser] dit moet melden. Dit volgt uit artikel 6.3 van de voorwaarden. Bij langdurige leegstand zouden de verzekeringsovereenkomsten andere clausules hebben bevat: dan hadden het gas, water en licht afgesloten moeten zijn en had [eiser] SGK-sloten moeten plaatsen, aldus de verzekeraars (zie proces-verbaal van comparitie).

4.16.

Overwogen wordt dat een redelijke uitleg van de aantekening op de vragenlijsten dat de panden ‘momenteel’ leegstonden met zich brengt dat de panden op het moment van het invullen van de vragenlijsten leeg stonden en niet, zoals de verzekeraars stellen, dat de panden ‘kortstondig’ zouden leeg staan. Naar aanleiding van de door [eiser] gegeven informatie lag het op de weg van de verzekeraars om meer vragen te stellen indien zij meer hadden willen weten over de (duur van de) leegstand. Dit hebben de verzekeraars evenwel niet gedaan.

4.17.

[eiser] heeft de verzekeraars in ondubbelzinnige bewoordingen laten weten dat de panden leegstonden en ten aanzien van de vragen die zien op de leegstand heeft [eiser] zijn mededelingsplicht dus niet geschonden.

Verzwijging ten aanzien van het strafrechtelijk verleden van [eiser]

4.18.

Artikel 7:928 lid 5 BW bepaalt dat de verzekeringnemer slechts verplicht is feiten mede te delen over zijn strafrechtelijk verleden of over dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen. Dat laatste betekent dat de verzekeraar in exacte bewoordingen moet aangeven welke feiten en omstandigheden omtrent dit verleden voor hem van belang zijn (NvW I, Kamerstukken II 1999/2000, 19529, nr. 5, p. 21).

4.19.

In het algemene deel van de vragenlijst (productie 6 bij dagvaarding) staat onder meer vermeld:

4.20.

Deze vraag is door [eiser] ontkennend beantwoord.

4.21.

In het arrest van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 6 februari 2007 (productie 5 bij conclusie van antwoord) staat onder meer vermeld dat aan [eiser] ten laste is gelegd dat

hij feitelijk leiding heeft gegeven aan een vennootschap, te weten [eiser] 's Autobedrijf en Handelsonderneming B.V., die:

“1) al dan niet opzettelijk in strijd heeft gehandeld met de vergunning die krachtens de Wet Milieubeheer was verleend door oliebevattende motorblokken, gasflessen en vaten met olie, antivries en benzine niet op te slaan in

overeenstemming met de vergunning;
2) feitelijk leiding heeft gegeven aan een vennootschap, die zonder dat daarvoor

een vergunning was verleend een inrichting of de werking ervan heeft laten veranderen door kantoorunits op te slaan en afvalstoffen op te slaan.”

4.22.

De ten laste gelegde feiten betreffen overtredingen van de Wet Milieubeheer die op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED) worden aangemerkt als economische delicten. Dit brengt met zich dat [eiser] als verdachte betrokken is geweest in een strafrechtelijke procedure in verband met overtreding van de WED. [eiser] had deze vraag dus bevestigend moeten beantwoorden. Het feit dat [eiser] is vrijgesproken van het tweede tenlastegelegde feit en hij ten aanzien van het eerstgenoemde tenlastegelegde feit is ontslagen van alle rechtsvervolging, maakt dit niet anders. Zoals [eiser] ter comparitie zelf heeft erkend, doet de omstandigheid dat de aanvraagformulieren zijn ingevuld door zijn boekhouder en niet door hem, en dat hij slechts klakkeloos heeft ondertekend, niets af aan het voorgaande. De rechtbank gaat er overigens van uit dat [eiser] met zijn verklaring ter comparitie dat de boekhouder de formulieren heeft ingevuld, zijn eerder ingenomen stelling dat hij door de vraagstelling niet wist of kon weten dat wat hem ten laste was gelegd een economisch delict was niet langer handhaaft.

4.23.

Nu [eiser] zijn strafrechtelijk verleden had moeten melden maar dat niet gedaan heeft, heeft hij zijn mededelingsplicht ook op dit punt geschonden.

Geschil over de eigendom [adres]

4.24.

In de algemene vragenlijst staat onder meer vermeld:

Algemene slotvraag en ondertekening

Beschikt u of een andere belanghebbende bij deze verzekering nog over informatie die voor de beoordeling van de ze verzekeringsaanvraag voor de maatschappij van belang kan zijn, en die niet bij de beantwoording van een van de voorgaande vragen is verstrekt? Zo ja, welke informatie is dat?”

Deze vraag is niet beantwoord.

4.25.

De verzekeraars stellen dat [eiser] het geschil over de eigendom van het pand aan de Hondsdijk had moeten vermelden in de vragenlijst onder het kopje “Algemene slotvraag” (productie 6 bij dagvaarding). De slotvraag is bedoeld voor zaken waarin een vragenlijst niet kan voorzien en de rechtszaak waar [eiser] in is betrokken, is zo bijzonder dat daar geen gerichte vraag over kan worden opgenomen in het vragenformulier. De procedure over de eigendom en het conservatoir beslag raakt de kern van de verzekeringsovereenkomst omdat dit het verzekerbaar belang betreft. In het geval [eiser] dit had gemeld, zou de verzekering niet tot stand zijn gekomen (zie proces-verbaal van comparitie), aldus de verzekeraars.

4.26.

[eiser] betwist niet dat hij wist van de civielrechtelijke procedure over het eigendom van het pand aan de Hondsdijk maar voert aan dat er geen reden was om de rechtszaak te vermelden. In het vragenformulier staat geen vraag opgenomen over vermelding van lopende rechtszaken, anders dan strafrechtelijke procedures. Bovendien geldt dat [eiser] steeds een verzekerbaar belang had, nu het pand eigendom van hem was (en gedeeltelijk nog steeds is). Partijen twisten over de vraag of [eiser] de verzekeraars daarvan op de hoogte had moeten stellen.

4.27.

De verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraars opgestelde vragenlijst. De verzekeraars geven daarmee te kennen welke feiten voor hen van belang zijn maar de vragenlijst suggereert ook dat andere feiten hen niet interesseren. Dat houdt in dat [eiser] bij gebruik van een vragenlijst alleen met die concrete vragen te maken heeft (zie Hoge Raad 13 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2135, HR 20 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2235 en HR 21 maart 1997, NJ 1997/639).

Nu er geen concrete vraag is gesteld over civielrechtelijke procedures die betrekking hebben op het verzekerde object was [eiser] niet gehouden de rechtszaak te vermelden. Hij heeft zijn mededelingsplicht aangaande het geschil over de eigendom van dit pand dus niet geschonden zodat er niet wordt toegekomen aan de vraag of de verzekeraars de verzekering zouden hebben gesloten indien zij op de hoogte waren van dit feit.

Is er ondanks de verzwijging, een uitkering verschuldigd?

4.28.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat ook als de verzekeraars voor het afsluiten van de verzekeringsovereenkomsten hadden geweten van de eerdere schades en zijn strafrechtelijk verleden, zij de verzekeringsovereenkomsten (op dezelfde voorwaarden) zouden hebben afgesloten. Ter toelichting voert hij aan dat het in casu gaat om grote, internationale verzekeraars die bereid waren panden in een bepaalde horecabranche te verzekeren. Deze verzekeraars zijn juist bereid grote risico’s te accepteren en zij zouden een strafrechtelijke procedure waarin [eiser] is vrijgesproken en ontslagen van rechtsvervolging niet in de weg hebben laten staan aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten. Ook zouden de verzekeraars eerdere schades die door storm en blikseminslag zijn ontstaan en dus door omstandigheden waarop [eiser] geen enkele invloed had niet als reden hebben gebruikt om geen verzekeringsovereenkomsten met [eiser] aan te gaan.

4.29.

De verzekeraars stellen hier tegenover dat zij bij bekendheid met de verzwegen feiten de aan de orde zijnde verzekeringsovereenkomsten niet zouden hebben afgesloten.

Ter comparitie hebben [gevolmachtigde] en mr. De Haan ter toelichting het volgende verklaard:

[gevolmachtigde] maakt bij de beoordeling van een aanvraag gebruik van het draaiboek van het Verbond van Verzekeraars (productie 9 bij conclusie van antwoord). Dit gaat uit van een redelijk handelend verzekeraar.

Desgevraagd licht [gevolmachtigde] toe dat uit de volmachtovereenkomst die hij heeft met verzekeraars afgeleid kan worden dat de verzekeraars geen verzekeringsovereenkomst zouden hebben gesloten indien de eerdere schades en het strafbare verleden wel door [eiser] zouden zijn gemeld. Op grond van de volmachtovereenkomst mag [gevolmachtigde] geen verzekeringen afsluiten met personen met een strafrechtelijk verleden. Als iemand met een strafrechtelijk verleden een aanvraag doet voor een verzekering, legt [gevolmachtigde] de aanvraag aan de verzekeraars voor. Meestal weigeren die dan een verzekering af te sluiten.

Uit jurisprudentie blijkt dat het acceptatiebeleid kan worden afgeleid uit de vragenlijst. In deze vragenlijst is sprake van selectieve acceptatie. In de vragenlijst staat vermeld: “Acceptatie van verzekeringen ten name van personen met een strafrechtelijk verleden of een criminele achtergrond kan uitsluitend overwogen worden mits zij verzekeraars daarover volledig informerend.”

Hieruit blijkt dat de verzekeraars, als redelijk handelend verzekeraars, in zulke gevallen geen verzekering zouden afsluiten. Hierbij kunnen de verschillende aspecten niet los van elkaar worden gezien: het gaat om de combinatie van alle feiten.

De verzekeraars moeten ervan uit kunnen gaan dat het aanvraagformulier juist is ingevuld. Een juist en volledig ingevuld formulier geeft de gelegenheid om door te vragen en om nader onderzoek te doen. Bij een dergelijk onderzoek zou er meer aan het licht gekomen zijn en hadden de verzekeraars de gehele persoon van [eiser] kunnen meenemen in de beoordeling waaronder een eerder strafbaar feit uit de jaren '80 en de geruchten over

betrokkenheid bij een roofmoord. [gevolmachtigde] heeft zaken waarbij een dergelijke combinatie van eerdere schades en een strafrechtelijk verleden voorkomt, niet in zijn portefeuille.

Verder is van belang dat het een verzekering betrof van parenclubs en seksclubs. Hierbij bestaan er al vragen naar de moraliteit. Andere verzekeraars verzekeren dergelijke objecten niet. Relevant is wat een redelijk handelend verzekeraar zou doen en die zou geen verzekeringsovereenkomst hebben gesloten in deze situatie. Het gaat niet om één individuele mededeling, maar om alles bij elkaar opgeteld. Dat wil zeggen het strafrechtelijk verleden, de eerdere schades, de civiele procedure en de opzegging.

[eiser] heeft eerdere schades door storm en blikseminslag verzwegen. Dit is ook relevant voor de beoordeling van de aanvraag omdat dan ook bekeken kan worden hoe de staat van het onderhoud van de panden is. Nu [eiser] deze schades verzwegen heeft, hebben de verzekeraars dit niet nader kunnen onderzoeken.”

4.30.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.31.

Artikel 7:930 lid 4 BW bepaalt dat geen uitkering verschuldigd is indien de verzekeraars bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zouden hebben afgesloten met [eiser] . Voor de beantwoording van de vraag of de verzekeraars indien zij kennis zouden hebben gehad van het strafrechtelijk verleden van [eiser] en/of van de eerdere schades, de verzekering niet zouden hebben gesloten, is het volgende van belang.

4.32.

De verzekeraars stellen dat zij in Nederland het beleid van een redelijk handelend verzekeraar hanteren. Dit brengt met zich dat het beroep van de verzekeraars op artikel 7:930 lid 4 BW slechts kan slagen als komt vast te staan dat zij, als redelijk handelend verzekeraar, bij bekendheid met het feit dat [eiser] verdachte is geweest in een strafzaak (zie r.o. 4.21.) en/of het feit dat [eiser] andere schades heeft geclaimd (zie r.o. 4.11.), de verzekeringsovereenkomsten niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden zijn aangegaan (arresten Hoge Raad, 19 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6258, en Gerechtshof Amsterdam, 4 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1195). De stelplicht en bewijslast ter zake ligt bij de verzekeraars.

4.33.

Uit de verklaring van [gevolmachtigde] volgt dat een aanvraag van een aspirant-verzekeringsnemer met een strafrechtelijk verleden niet in alle gevallen wordt afgewezen, maar dient te worden voorgelegd aan de verzekeraars. Uit de volmachtovereenkomst tussen [gevolmachtigde] en verzekeraars valt dus, anders dan de verzekeraars stellen, niet op te maken dat de verzekeraars in geen geval de verzekeringsovereenkomsten hadden afgesloten met [eiser] in het geval hij had medegedeeld dat hij een strafrechtelijk verleden heeft en eerdere schades heeft geclaimd. Hieruit volgt slechts dat in zo’n geval [gevolmachtigde] niet op basis van zijn volmacht de verzekeringsovereenkomsten namens de verzekeraars mocht afsluiten.

4.34.

[gevolmachtigde] heeft voorts verklaard dat hij bij het behandelen van een aanvraag gebruik maakt van het draaiboek van het Verbond van Verzekeraars, dat als productie 9 bij conclusie van antwoord is overgelegd. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien

dat uit de tekst van dit draaiboek volgt dat de verzekeraars geen verzekering hadden afgesloten met [eiser] in het geval hij had medegedeeld dat hij een strafrechtelijk verleden heeft en eerdere schades heeft geclaimd.

4.35.

Ook de door de verzekeraars aangehaalde tekst onder het kopje “Selectieve acceptatie” uit de vragenlijsten (productie 1 en 6 bij dagvaarding) kan de verzekeraars niet baten. Uit deze tekst blijkt dat de aspirant-verzekeringsnemer openheid van zaken moet geven over zijn strafrechtelijk verleden omdat alleen dan door de verzekeraars kan worden afgewogen of er een verzekeringsovereenkomst zal worden gesloten. Er staat niet dat de verzekeraars de aanvraag van de aspirant-verzekeringsnemer met een strafrechtelijk verleden per definitie zullen afwijzen nu er eerst een afweging van de risico’s zal plaatsvinden en de verzekeraars er daarna voor kunnen kiezen toch een verzekeringsovereenkomst aan te gaan met de aspirant-verzekeringsnemer. Uit de tekst van de vragenlijst valt daarom niet op te maken dat de verzekeraars geen verzekering hadden afgesloten met [eiser] in het geval hij had medegedeeld dat hij een strafrechtelijk verleden heeft.

4.36.

De verzekeraars stellen voorts dat een redelijk handelend verzekeraar geen verzekeringsovereenkomst met [eiser] zou hebben gesloten omdat het strafrechtelijk verleden van [eiser] onder meer ziet op het onzorgvuldig omgaan met brandgevaarlijke materialen en op het [adres] een autostalling is gevestigd. Dit is gezien de korte afstand tot het verzekerde pand aan de [adres] [eiser] relevant voor de beoordeling van het risico, aldus de verzekeraars (zie proces-verbaal van comparitie).

Deze enkele stelling legt echter te weinig gewicht in de schaal om te kunnen oordelen dat een redelijk handelend verzekeraar geen verzekeringsovereenkomst zou hebben gesloten met [eiser] . Het had op de weg van de verzekeraars gelegen om deze stelling te onderbouwen, hetgeen zij niet hebben gedaan.

4.37.

De verzekeraars hebben ook nog aangevoerd dat voor de beoordeling van de aanvraag de verzwegen schades relevant zijn omdat dan bekeken kan worden hoe de staat van het onderhoud van de panden is.

Nog daargelaten dat uit deze stelling niet volgt dat de verzekeraars bij wetenschap van de schades de verzekeringsovereenkomsten niet hadden afgesloten, overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] heeft meer dan 100 objecten in zijn vastgoedportefeuille. De schades die [eiser] heeft verzwegen bij het aangaan van de verzekering betreffen twee stormschades in 2007 (ad. € 6.564,50 en € 9.675,18) en brandschade na blikseminslag in 2005 (ad. € 1.960,04), zie r.o. 4.11. Gezien de omvang van de vastgoedportefeuille van [eiser] zijn het aantal uitkeringen, en de hoogte van de uitkeringen niet als buitenproportioneel aan te merken. Bovendien betreft het beide keren schades die buiten de invloedsfeer van [eiser] liggen. Deze schades zijn niet dusdanig ongebruikelijk in de bedrijfsvoering van een vastgoedonderneming dat de verzekeraars, als redelijk handelend verzekeraars, op grond hiervan geen verzekering zouden hebben gesloten met [eiser] als zij bekend waren geweest met deze schades. De stelling van de verzekeraars dat zij meer onderzoek hadden kunnen doen in het geval zij bekend waren met de schades (zie proces-verbaal van comparitie) is door de verzekeraars niet feitelijk onderbouwd zodat hieraan voorbij zal worden gegaan.

4.38.

Op de verzekeraars rust, zoals gezegd, de bewijslast en het bewijsrisico van de stelling dat zij geen verzekering zouden hebben afgesloten met [eiser] indien bekend was dat hij een strafrechtelijk verleden heeft en/of dat hij eerdere schades heeft geclaimd. Zoals hiervoor overwogen, onderbouwen de volmachtovereenkomst, het draaiboek en de vragenlijsten deze stelling niet. Het lag op de weg van de verzekeraars om hun beroep op artikel 7:930 lid 4 BW voldoende feitelijk te onderbouwen door informatie in het geding te brengen waaruit blijkt dat de verzekeraars in dit specifieke geval geen overeenkomst hadden gesloten met [eiser] , te meer nu al bij dagvaarding uitgebreid is betwist dat er in dit geval geen verzekering tot stand was gekomen. Nu de verzekeraars onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd dat de zij de verzekeringsovereenkomst met [eiser] niet hadden gesloten als zij hadden geweten van zijn strafrechtelijk verleden en de eerdere schades, komt dat niet vast te staan.

4.39.

Ter zitting is namens de verzekeraars bewijslevering aangeboden door het in het geding brengen van de volmachtovereenkomst en het protocol (zie proces-verbaal van comparitie). Het bewijsaanbod van de verzekeraars zal als niet ter zake dienend worden gepasseerd, nu zij geen stellingen te bewijzen hebben aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

Heeft [eiser] gehandeld met het opzet de verzekeraars te misleiden?

4.40.

In r.o. 4.24. tot en met 4.27. is reeds overwogen dat [eiser] zijn mededelingsplicht aangaande het geschil over de eigendom van het pand aan de Hondsdijk 28 niet geschonden heeft omdat er geen concrete vraag is gesteld in de vragenlijst over civielrechtelijke procedures die betrekking hebben op het verzekerde object en [eiser] daarom niet gehouden was deze informatie aan de verzekeraars te verstrekken. Dat is alleen anders indien er door [eiser] is gehandeld met het opzet de verzekeraars te misleiden.

4.41.

Artikel 7:928 lid 6 BW bepaalt dat indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, de verzekeraar zich er niet op kan beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.

4.42.

Mede gelet op de tussen de artikelen 7:928 BW en 7:930 BW bestaande samenhang dient onder het opzet tot te worden verstaan dat de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (Parl. Gesch. Verzekering, p. 35 en het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507).

4.43.

Ter zitting hebben de verzekeraars gesteld dat het niet anders kan dan dat [eiser] de informatie over de rechtszaak heeft verzwegen met het opzet de verzekeraars te misleiden. Door deze civiele rechtszaak heeft een andere partij ook een verzekering kunnen afsluiten op het pand, met alle risico’s van dien. [eiser] betwist dat hij opzet had om te misleiden.

4.44.

De verzekeraars hebben geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [eiser] de rechtszaak niet aan de verzekeraars heeft medegedeeld om hen te bewegen een verzekeringsovereenkomst met hem aan te gaan die zij anders niet zouden hebben gesloten. De verzekeraars hebben onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is geweest van opzet tot misleiding als bedoeld in dit artikel. Deze stelling van de verzekeraars wordt dan ook verworpen.

Beroep op eigen schuld [eiser] /merkelijke schuld en omkering bewijslast

4.45.

Artikel 7:952 BW bepaalt dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.

4.46.

In het rapport van Stekelenburg (productie 3 bij dagvaarding) staat onder meer vermeld:

Op basis van de resultaten van het technisch en tactisch onderzoek wordt gesteld dat:

- niet is gebleken van een financieel motief bij verzekeringsnemer;

- van enige negatieve betrokkenheid van verzekeringsnemer bij het ontstaan van de brand is niet gebleken”

4.47.

Uit dit rapport volgt derhalve dat is niet gebleken van enige negatieve betrokkenheid van [eiser] bij het ontstaan van de brand. Verder hebben de verzekeraars geen andere stukken in het geding gebracht waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat er aanleiding is om aan te nemen dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] . De verzekeraars hebben hun beroep op eigen schuld dus onvoldoende feitelijk onderbouwd en dit verweer wordt dus verworpen.

4.48.

De verzekeraars voeren ten slotte aan dat de omstandigheden van deze zaak zodanig zijn dat de bewijslast moet worden omgedraaid. Overwogen wordt dat deze uitzondering slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden dient te worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de door de verzekeraars aangedragen feiten niet zodanig bijzondere omstandigheden zijn dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de bewijslast dient te worden omgekeerd ten nadele van [eiser] .

4.49.

Uit het voorgaande volgt dat de verzekeraars de dekking van de brandschades ten onrechte hebben geweigerd en de vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen.

4.50.

De verzekeraars zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

dagvaarding € 103,11

griffierecht € 287,00

salaris advocaat: € 904,00 (2 punten x tarief II ad. € 452,00 per punt)

totaal € 1.294,11

4.51.

De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten zal aan [eiser] worden toegewezen zoals gevorderd. De onbetwist gevorderde nakosten zullen als hierna vermeld worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de schade veroorzaakt door de brand in de nacht van
30 juni op 1 juli 2008 in de opstal, plaatselijk bekend [adres] , door de verzekering tussen [eiser] en de verzekeraars met [polisnummer] wordt gedekt en dat de verzekeraars gehouden zijn conform de verzekering de schade aan [eiser] uit te keren;

5.2.

verklaart voor recht dat de schade veroorzaakt door de brand op
8 februari 2009 in de opstal, plaatselijk bekend [adres] , door de verzekering tussen [eiser] en China Taiping met [polisnummer] wordt gedekt en dat China Taiping gehouden is conform de verzekering de schade aan [eiser] uit te keren;

5.3.

veroordeelt de verzekeraars in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.294,11, te voldoen binnen veertien dagen na het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis indien de proceskosten niet tijdig worden voldaan;

5.4.

veroordeelt de verzekeraars in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien de verzekeraars niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het ziet op r.o. 5.3. en 5.4.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker, mr. D. van Dooren en mr. A.M. van der Leeden en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.

2457/2938/1582