Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:2344

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
C10/530756 / HA ZA 17-672
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Gedaagde heeft onzorgvuldig gehandeld en nagelaten in te grijpen door niet te melden aan eiseres dat de bankrekening op naam van de vennootschap was gesteld (in plaats van de partij voor wie de betalingen bedoeld waren), door geen toezicht te houden op de bankrekening en derden beschikkingsbevoegd te laten zijn over de bankrekening. Daardoor is een onverschuldigd betaald bedrag doorgestort door een van deze derden. Sprake van persoonlijk voordeel van gedaagde. De vennootschap kan door het handelen en nalaten van bestuurder haar verplichtingen niet nakomen en gedaagde kan een ernstig, persoonlijk verwijt worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0110
JONDR 2018/350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven

zaaknummer / rolnummer: 530756 / HA ZA 17-672

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACHMEA B.V.,

gevestigd te Zeist,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Kuipers,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.W. van Ingen.

Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 juni 2017;

- de akte houdende overlegging producties alsmede akte vermeerdering van

eis van 12 juli 2017;

- de conclusie van antwoord;

- de brief met productie 15 tot en met 17 van Achmea van

28 november 2017;

- de brief met productie 18 van Achmea van 28 november 2017;

- het proces-verbaal van de comparitie van 28 november 2017;

- de brief van Achmea van 18 december 2017;

- de door partijen overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Jaccoo The Netherlands B.V. (hierna: Jaccoo) is een IT-dienstverlener en onder andere aanbieder van het ‘Jaccoo Payment Platform’.

2.2.

Achmea en Jaccoo hebben in het verleden een overeenkomst gesloten op grond waarvan Achmea voor het voeren van haar financiële administratie gebruik maakte van het Jaccoo Payment Platform.

2.3.

[gedaagde] is sinds half juni 2014 enig bestuurder van de besloten vennootschap JCC FI Holding B.V. (hierna: JCC). JCC is opgericht op 6 maart 2014 door [persoon] ).

2.4.

[persoon] is statutair bestuurder geweest van Jaccoo. [persoon] heeft verzocht Jaccoo te ontbinden per 1 maart 2014. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 15 januari 2015 voor recht verklaard dat het besluit van 1 maart 2014 tot ontbinding van Jaccoo in liquidatie is herroepen bij besluit van 1 september 2014.

2.5.

Op 1 december 2015 heeft Jaccoo aan Achmea vier facturen gestuurd voor een totaalbedrag ad. € 457.380,00. Op de facturen staat onder meer vermeld:

Maintenance fee (onderhoud en support) voor het JACCOO Payment Platform

(…) Betalingen onder vermelding van het factuurnummer op bankrekening ABN AMRO Bank IBAN: [rekeningnummer]

(hierna: de bankrekening).

De bankrekening stond op dat moment op naam van JCC. De tenaamstelling van de bankrekening is gewijzigd per 1 mei 2014 van Jaccoo naar JCC.

2.6.

Achmea heeft het bedrag op 3 december 2015 betaald op de bankrekening. Kort daarna is een bedrag van gelijke hoogte overgemaakt van de bankrekening naar een bankrekening op naam van P-Identity B.V. [persoon] is aandeelhouder van deze vennootschap.

2.7.

De facturen zagen op de door Achmea veronderstelde verlenging van de overeenkomst tussen Achmea en Jaccoo. Toen door Jaccoo werd betwist dat dat de overeenkomst was verlengd, heeft Achmea verzocht om terugbetaling van het bedrag. Daaraan heeft Jaccoo geen gehoor gegeven. Achmea heeft op 23 december 2015 conservatoir beslag gelegd ten laste van Jaccoo maar dit heeft geen doel getroffen.

2.8.

Jaccoo is op 20 december 2016 in staat van faillissement verklaard.

2.9.

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 4 januari 2017 onder meer beslist dat de betaling op 3 december 2015 door Achmea op de bankrekening onverschuldigd is gedaan.

JCC is veroordeeld tot het terugbetalen van het deel van het onverschuldigd betaalde bedrag dat resteert na verrekening van het bedrag dat Achmea verschuldigd is aan onderhoudsvergoedingen van het derde en het vierde kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal van 2016 ten bedrage van € 177.577,29. Na verrekening moet JCC € 279.802,71 aan Achmea terugbetalen.

Verder moet JCC hierover de wettelijke rente vanaf 19 december 2015 betalen en daarnaast is JCC veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente over € 177.577,29 met ingang van 19 december 2015 tot 9 maart 2016, de proceskosten ad. € 7.986,96 en de nakosten, aldus het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

3 De vordering

3.1.

Achmea vordert, na vermeerdering van eis, dat [gedaagde] wordt veroordeeld bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(a) tot betaling van € 279.802,71 aan Achmea, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 december 2015 tot aan de dag van volledige betaling;

(b) tot betaling aan Achmea van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 177.577,29 vanaf 19 december 2015 tot en met 9 maart 2016;

(c) tot betaling van de proceskosten van € 7.986,96 en de nakosten van € 199,00 voortvloeiende uit het vonnis van 4 januari 2017, beiden te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 13 maart 2017;

(d) in de proceskosten, waaronder de kosten van de reeds gelegde en in de toekomst te leggen conservatoire beslagen, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis.

3.2.

Achmea heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] is op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de vastgestelde vordering van Achmea op JCC ad. € 279.802,71 (zie r.o. 2.9.). JCC kan door de handelwijze van [gedaagde] haar betalingsverplichting jegens Achmea niet of niet binnen een redelijke termijn nakomen en zij biedt ook geen verhaal voor de als gevolg daarvan optredende schade van Achmea. [gedaagde] heeft als bestuurder van JCC onzorgvuldig gehandeld of nagelaten in te grijpen, door:

- niet aan Achmea te melden dat de bankrekening op naam van JCC is gezet;

- toe te staan dat [persoon] en [echtegenote van persoon] hierna: [echtegenote van persoon] ) beschikkingsbevoegd waren over het bankrekeningnummer;

- onvoldoende toezicht te houden op de bankrekening;

- niet te voorkomen dat het onverschuldigd betaalde bedrag werd doorgestort aan
P-Identity B.V.;

- een deel van het onverschuldigd betaalde bedrag, te weten € 80.000,00 op zijn eigen bankrekening in ontvangst te nemen.

Gezien deze handelwijze heeft [gedaagde] zijn taken als bestuurder onbehoorlijk vervuld en hem kan daarvan een ernstig, persoonlijk verwijt worden gemaakt. Hij is daarom aansprakelijk voor de schade die Achmea hierdoor geleden heeft.

3.3.

De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. [gedaagde]

betwist dat hij door een onzorgvuldige handelwijze heeft bewerkstelligd of toegelaten dat JCC haar wettelijke verplichtingen niet kan nakomen. Het gebruik van de bankrekening is volgens de afspraken tussen Achmea en Jaccoo geweest. [gedaagde] heeft uit eigen zak investeringen gedaan ter behoeve van Jaccoo. Via P-Identity B.V. zijn deze investeringen aan hem terugbetaald. Verder betwist [gedaagde] dat er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat [gedaagde] als de bestuurder van een rechtspersoon uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens Achmea.
betwist de hoogte van de gevorderde schadevergoeding en hij betwist de grondslag van de vordering tot betaling van de wettelijke rente over € 177.577,29 en de proceskosten en nakosten van de eerdere procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat JCC op grond van het vonnis van
4 januari 2017 gehouden is de bedragen zoals genoemd in r.o. 2.9. aan Achmea te betalen maar dat zij deze verbintenis niet kan nakomen en daarvoor geen verhaal biedt (brief [gedaagde] , productie 2 bij dagvaarding).

4.2.

Indien een vennootschap - hier JCC - tekortschiet in de nakoming van een terugbetalingsverbintenis is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad, 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, Tulip Air).

4.3.

Het bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt terwijl de bestuurder weet of redelijkerwijze behoort te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zal hebben dat deze haar verplichtingen niet of niet binnen redelijke termijn zal nakomen, en ook geen verhaal zal bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, kan een persoonlijk ernstig verwijt opleveren (Hoge Raad, 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen).

Het gaat hierbij steeds om de concrete omstandigheden van het geval en de voorzienbaarheid dat de crediteur niet zal worden voldaan en schade zal lijden (Hoge Raad, 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, New Holland Belgium/Oosterhof).

4.4.

Artikel 2:9 BW bepaalt dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

4.5.

De verwijten van Achmea aan het adres van [gedaagde] worden hierna in het licht van dit juridische kader beoordeeld.

De tenaamstelling van de bankrekening

4.6.

Partijen twisten over de vraag of Achmea wist van de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening ten tijde van de onverschuldigde betaling op
3 december 2015.

4.7.

Op de vier facturen van Jaccoo aan Achmea van 1 december 2015 (productie 5 bij dagvaarding, zie ook r.o. 2.5.) staat dat het bedrag moet worden overgemaakt aan Jaccoo op de bankrekening. De naam van JCC staat niet vermeld op de facturen. JCC (en Jaccoo) hebben dus niet door vermelding van de gewijzigde tenaamstelling op de facturen aan Achmea laten weten dat de tenaamstelling van de bankrekening is gewijzigd.

4.8.

[gedaagde] voert aan dat Achmea uit de e-mailcorrespondentie tussen Achmea en [persoon] wist 1) van de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening en 2) dat JCC was aangewezen om de verplichtingen van Jaccoo te vervullen waaronder begrepen het ontvangen van betalingen op de bankrekening. [gedaagde] onderbouwt dit door te verwijzen naar het e-mailbericht van 23 mei 2014 van M. Tanis, directeur bij Achmea (productie 9 bij conclusie van antwoord) aan [persoon] waarin – onder meer – staat vermeld:

Doordat Jaccoo is ontbonden, kan Jaccoo zelf niet meer nakomen. Jaccoo LLC (een vennootschap naar buitenlands recht – aanvulling rechtbank) heeft vervolgens JCC aangewezen om de verplichtingen uit hoofde van de oorspronkelijk met Jaccoo gesloten overeenkomst te vervullen. (…)
Eind dit jaar kan de factuur voor het onderhoud van 2015 worden verstuurd en deze zal worden betaald volgens de afspraken die met Jaccoo zijn gemaakt.”

4.9.

De stelling van [gedaagde] dat Achmea wist van de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening strookt niet met de inhoud van dit e-mailbericht omdat een wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening immers een wijziging van de betaalafspraken zou betekenen nu dat met zich brengt dat er dan aan een andere rechtspersoon, te weten JCC, in plaats van aan Jaccoo, zou moeten worden betaald. Verder wordt overwogen dat de mededeling dat JCC is aangewezen om de verplichtingen uit hoofde van de met Jaccoo gesloten overeenkomst te vervullen, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet vanzelf met zich brengt dat JCC de betalingen voor Jaccoo zou ontvangen op de bankrekening.

Dat Achmea op de hoogte was van de wijziging in de tenaamstelling of van een afspraak dat JCC de betalingen voor Jaccoo zou ontvangen, wordt dus niet onderbouwd met dit
e-mailbericht. Daarom komt niet vast te staan dat Achmea wist van de wijziging in de tenaamstelling ten tijde van de onverschuldigde betaling op 3 december 2015.

Heeft [gedaagde] nagelaten de tenaamstelling van de bankrekening te wijzigen?

4.10.

[gedaagde] is enkele weken nadat de tenaamstelling van de bankrekening is gewijzigd van Jaccoo naar JCC, bestuurder van JCC geworden. Nadat [gedaagde] bestuurder is geworden van JCC per half juni 2014 heeft [gedaagde] de tenaamstelling van de bankrekening niet opnieuw gewijzigd of laten wijzigen (van JCC naar Jaccoo). Hij heeft dit ook niet gedaan nadat de ontbinding van Jaccoo op 15 januari 2015 is herroepen waarmee de beweerdelijke noodzaak tot de wijziging van de tenaamstelling per die datum is tenietgegaan (zie productie 1 bij conclusie van antwoord). Door [gedaagde] is hiervoor geen andere verklaring gegeven dan dat het voor hem niet mogelijk zou zijn geweest om de tenaamstelling van de bankrekening te wijzigen (zie proces-verbaal van comparitie) hetgeen Achmea heeft betwist. [gedaagde] heeft zijn stelling niet feitelijk onderbouwd zodat dat niet komt vast te staan.

4.11.

[gedaagde] heeft dus, als bestuurder van JCC, nagelaten de tenaamstelling van de bankrekening te wijzigen in die zin dat de bankrekening weer op naam van Jaccoo zou komen te staan (in plaats van op naam van JCC). Nu dat met zich brengt dat het vermogen van Jaccoo op naam van JCC blijft staan, heeft hij daarmee niet gehandeld zoals een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan (Hoge Raad, 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, NJ 2001/454 (Panmo).

Toezicht op de bankrekening

4.12.

[gedaagde] draagt als bestuurder van JCC op grond van artikel 2:9 BW de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken binnen JCC en hij is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taken. Een van die taken is het beschermen van de financiële belangen van JCC en haar crediteuren. Voor de beantwoording van de vraag of hij deze taak naar behoren heeft vervuld, is het volgende van belang.

4.13.

Gedurende de periode dat [gedaagde] enig bestuurder was van JCC, zijn naast [gedaagde] zelf, ook [persoon] en [echtegenote van persoon] beschikkingsbevoegd geweest over de bankrekening. Tussen JCC en [persoon] en/of [echtegenote van persoon] heeft geen formele rechtsverhouding (meer) bestaan nadat [gedaagde] bestuurder van JCC werd. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij nooit een punt heeft gemaakt van het feit dat [persoon] en [echtegenote van persoon] beschikkingsbevoegd waren en naar eigen inzicht geld van de bankrekening overboekten naar hun eigen bankrekeningen en andere bankrekeningen omdat hij hen vertrouwde. [gedaagde] kan geen verklaring geven waaruit de noodzaak blijkt voor de bevoegdheden van [persoon] en [echtegenote van persoon] (zie het proces-verbaal van comparitie).

4.14.

Achmea heeft gesteld dat [gedaagde] heeft toegelaten dat [persoon] en [echtegenote van persoon] misbruik maakten van de beschikkingsbevoegdheid over de bankrekening omdat zij het vermogen op de bankrekening gebruikten voor privé-uitgaven. [gedaagde] heeft afschriften van de bankrekening over de periode tussen 1 april tot en met
31 augustus 2014 in het geding gebracht (productie 8 bij conclusie van antwoord). Daarop staan onder meer de navolgende afboekingen vermeld:

Datum

Bedrag

Ten gunste van

1 april 2014

€ 1.500,00

MM Racing B.V.

1 april 2014

€ 534,08

Multi Tank Card B.V.

23 april 2014

€ 481,13

Multi Tank Card B.V.

23 april 2014

€ 489,13

Multi Tank Card B.V.

23 april 2014

€ 523,71

Multi Tank Card B.V.

29 april 2014

€ 425,39

Multi Tank Card B.V.

23 mei 2014

€ 393,83

Multi Tank Card B.V.

27 mei 2014

€ 175,00

[echtegenote van persoon]

27 mei 2014

€ 397,99

Multi Tank Card B.V.

27 mei 2014

€ 397,99

Multi Tank Card B.V.

27 mei 2014

€ 656,06

Multi Tank Card B.V.

7 juni 2014

€ 100,00

[echtegenote van persoon]

10 juni 2014

€ 160,00

MM Racing B.V.

10 juni 2014

€ 559,00

Multi Tank Card B.V.

11 juni 2014

€ 100,00

[echtegenote van persoon]

11 juni 2014

€ 490,96

Multi Tank Card B.V.

11 juni 2014

€ 559,00

Multi Tank Card B.V.

11 juni 2014

€ 656,06

Multi Tank Card B.V.

13 juni 2014

€ 1.700,00

[persoon] en of mev

26 juni 2014

€ 432,02

Multi Tank Card B.V.

30 juni 2014

€ 432,02

Multi Tank Card B.V.

9 juli 2014

€ 60,00

Multi Tank Card B.V.

9 juli 2014

€ 99,95

[echtegenote van persoon]

9 juli 2014

€ 503,78

Multi Tank Card B.V.

15 juli 2014

€ 355,92

Multi Tank Card B.V.

15 juli 2014

€ 550,71

Multi Tank Card B.V.

23 juli 2014

€ 351,11

Multi Tank Card B.V.

25 juli 2014

€ 85,00

[echtegenote van persoon]

29 juli 2014

€ 429,53

Multi Tank Card B.V.

31 juli 2014

€ 125,00

[echtegenote van persoon]

7 augustus 2014

€ 298,00

[echtegenote van persoon]

19 augustus 2014

€ 293,31

Multi Tank Card B.V.

19 augustus 2014

€ 1.855,98

Multi Tank Card B.V.

21 augustus 2014

€ 178,66

Multi Tank Card B.V.

26 augustus 2014

€ 5.200,00

[echtegenote van persoon]

27 augustus 2014

€ 21.000,00

[echtegenote van persoon]

28 augustus 2014

€ 557,74

Multi Tank Card B.V.

4.15.

[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat de overboeking van 27 augustus 2014 een geldlening aan [echtegenote van persoon] betreft waaraan geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt en waarvan [gedaagde] niet weet of de lening is terugbetaald (zie het proces-verbaal van comparitie). [gedaagde] heeft desgevraagd geen verklaring gegeven voor de overige transacties. Gelet op het korte tijdsbestek waarin deze bedragen zijn overgeboekt en het feit dat JCC geen economische activiteiten heeft ontplooid (zie proces-verbaal van comparitie), is het zonder toelichting van [gedaagde] , die ontbreekt, onverklaarbaar dat aan [echtegenote van persoon] een aanzienlijke geldlening is verstrekt waarvan [gedaagde] niet weet of het geleende geld is terugbetaald aan JCC en dat [persoon] en [echtegenote van persoon] zonder rechtsverhouding tot JCC bevoegd waren deze overboekingen te verrichten.

4.16.

Gelet op het voorgaande wordt overwogen dat [gedaagde] de bevoegdheden van [persoon] en [echtegenote van persoon] niet heeft beperkt of beëindigd nadat hij bestuurder is geworden van JCC. Daardoor hebben zij, ook nadat [gedaagde] bestuurder is geworden van JCC, de vrije beschikking gehad over de bankrekening van JCC. [gedaagde] heeft ook niet ingegrepen - en daarmee toegestaan - dat [persoon] en [echtegenote van persoon] aanzienlijke bedragen voor persoonlijke doeleinden hebben gebruikt, dat zij bedragen hebben doorgestort naar andere bankrekeningen en dat daarmee de financiële en vennootschappelijke belangen van JCC zijn geschaad. Ten slotte wordt overwogen dat, doordat [gedaagde] toestond dat [persoon] en [echtegenote van persoon] deze bevoegdheden hadden, het mogelijk is geweest dat [persoon] vlak na 3 december 2015 het onverschuldigd betaalde bedrag, ad. € 457.380,00, naar P-Identity B.V. heeft overgeboekt.

4.17.

[gedaagde] wist of had redelijkerwijs moeten begrijpen dat JCC op enig moment in de problemen zou kunnen raken door toe te staan dat [persoon] en [echtegenote van persoon] de vrije beschikking hadden over de bankrekening en het geld dat daarop binnenkwam. Hij heeft geen maatregelen getroffen om de gevolgen daarvan af te wenden. Door hen vrijelijk de toegang tot de bankrekeningen toe te staan heeft [gedaagde] nagelaten de financiële belangen van JCC te beschermen. Hij heeft niet zorgvuldig gehandeld en niet gehandeld zoals een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan.

Persoonlijk voordeel bij de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening

4.18.

[gedaagde] heeft kort nadat het onverschuldigd betaalde bedrag door [persoon] was doorgestort aan P-Identity B.V. (zijnde een vennootschap waarvan [persoon] aandeelhouder was), een bedrag ten grootte van € 80.000,00 ontvangen van P-Identity B.V. op zijn eigen bankrekening (zie het proces-verbaal van comparitie).

4.19.

[gedaagde] voert aan dat deze betaling aan hem is gedaan omdat hij in 2015 uit eigen zak uitgaven heeft gedaan ter behoeve van Jaccoo en dat deze uitgaven door de betaling van P-Identity B.V. aan hem zijn terugbetaald. [gedaagde] heeft echter geen stukken in het geding gebracht die deze verklaring ondersteunen en nu Achmea dit betwist, is dit onvoldoende feitelijk onderbouwd. Daarom komt niet vast te staan dat [gedaagde] deze betaling als terugbetaling van eerder gedane uitgaven heeft ontvangen.

4.20.

Nu [gedaagde] een aanzienlijk geldbedrag heeft ontvangen van P-Identity B.V., kort nadat deze vennootschap het onverschuldigd betaalde bedrag heeft doorgestort gekregen en [gedaagde] voor de ontvangst van het geldbedrag geen verklaring kan geven, stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] door het in ontvangst nemen en behouden van dit bedrag heeft geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van diegenen die hij toegang heeft verleend tot de bankrekening van JCC, de vennootschap waarvan hij bestuurder is. Hij heeft daarmee niet gehandeld zoals van een zorgvuldige bestuurder mag worden verwacht en gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer en meer in het bijzonder het handelsverkeer betaamt.

Persoonlijk, ernstig verwijt

4.21.

Gelet op de omstandigheden van dit geval, in onderling verband en in samenhang bezien, heeft [gedaagde] zijn taken als bestuurder van JCC onbehoorlijk vervuld omdat hij heeft nagelaten de beschikkingsbevoegdheid over de bankrekening van [persoon] en [echtegenote van persoon] te beëindigen, het gebruik van de bankrekening van JCC door Jaccoo te beëindigen en de tenaamstelling van de bankrekening te wijzigen in die zin dat de bankrekening weer op naam van Jaccoo werd gezet. Daarnaast heeft hij onvoldoende toezicht gehouden op de wijze waarop [persoon] en [echtegenote van persoon] gebruik maakten van hun bevoegdheid ten aanzien van de bankrekening. Deze handelwijze maakte het mogelijk dat het onverschuldigd betaalde bedrag direct na betaling is verdwenen naar een andere vennootschap en vervolgens heeft [gedaagde] daar persoonlijk voordeel van genoten.

4.22.

Door niet in te grijpen terwijl hij daartoe wel de mogelijkheden had, heeft [gedaagde] bewerkstelligd en toegelaten dat JCC haar verplichtingen niet na kan komen terwijl [gedaagde] wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze - zoals hiervoor omschreven - tot gevolg zou hebben dat JCC haar verplichtingen niet na kan komen en ook geen verhaal kan bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade van Achmea. Het intreden van dit risico is niet ondenkbaar en was voorzienbaar. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden treft [gedaagde] een ernstig, persoonlijk verwijt.

4.23.

Het voorgaande brengt met zich dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de door zijn handelwijze ontstane schade. De omvang van de schade van Achmea moet worden bepaald door de financiële positie waarin Achmea door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] is komen te verkeren, te vergelijken met de financiële positie waarin zij zou hebben verkeerd zonder dit onrechtmatig handelen.
4.24. Wanneer [gedaagde] niet zou hebben toegestaan dat [persoon] en [echtegenote van persoon] de vrije beschikking hadden over het vermogen op de bankrekening, was [persoon] niet in staat geweest het onverschuldigd betaalde bedrag weg te sluizen naar de bankrekening van een andere vennootschap. JCC zou dan in staat zijn geweest de bedragen waartoe zij bij vonnis van 4 januari 2017 was veroordeeld, terug te betalen aan Achmea. Door de handelwijze van [gedaagde] is dit niet mogelijk en daarom zal de vordering onder (a) ad. € 279.802,71 worden toegewezen.

4.25.

Ten aanzien van de vordering van Achmea onder (b) wordt overwogen dat de rechtbank Midden-Nederland in het vonnis van 4 januari 2017 heeft beslist dat de wettelijke rente over het bedrag dat verrekend moet worden met het onverschuldigd betaalde bedrag, te weten € 177.577,29, over de periode van 18 december 2015 tot 9 maart 2016 wordt toegewezen omdat Jaccoo zich eerst op 9 maart 2016 op verrekening heeft beroepen. Achmea vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over

€ 177.577,29 over de periode van 18 december 2015 tot 9 maart 2016 maar Achmea heeft niet gesteld waarom [gedaagde] aansprakelijk zou zijn voor deze schade. Nu niet valt in te zien dat het [gedaagde] valt aan te rekenen dat Jaccoo zich pas op 9 maart 2016 heeft beroepen op verrekening, ontbreekt de feitelijke grondslag voor dit deel van de vordering. De vordering onder (b) zal worden afgewezen.

4.26.

Indien niet onrechtmatig was gehandeld door [gedaagde] , had JCC de verbintenis kunnen nakomen en had zij daarvoor verhaal geboden. In dat geval was JCC de proceskosten en nakosten waartoe zij bij vonnis van 4 januari 2017 is veroordeeld, niet verschuldigd. De vordering onder (c) is een direct gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en zal daarom worden toegewezen.

Proceskosten

4.27.

De beslagkosten worden, gelet op het bepaalde in artikel 706 van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals gevorderd toegewezen omdat er geen reden bestaat om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van het beslag en alle beslagstukken door Achmea in het geding zijn gebracht. De beslagkosten worden begroot op:

griffierecht € 618,00

verschotten € 504,22

salaris advocaat € 2.000,00 (1 rekest x 1 punt x tarief VI € 2.000,00 per punt)

totaal € 3.122,22

4.28.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

dagvaarding € 83,51

beslagkosten € 3.122,22 (zoals in r.o. 4.27. begroot)

griffierecht € 3.894,00 (€ 3.894,00 - € 618,00, verrekend met de beslagkosten)

salaris advocaat € 4.000,00 (2 punten × tarief VI x ad. € 2.000,00 per punt)

totaal € 10.481,73

4.29.

De nakosten en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten zullen aan Achmea worden toegewezen zoals gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Achmea te betalen een bedrag van € 279.802,71, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van
19 december 2015 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Achmea te betalen de proceskosten van
€ 7.986,96 en de nakosten van € 199,00 voortvloeiende uit het vonnis van 4 januari 2017, beiden te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf
13 maart 2017;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 10.481,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na het vonnis tot aan de dag van de voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van de voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Leeden en in het openbaar uitgesproken op
28 februari 2018.
2457/2938